Website van de parochie van de H. Jozef, patroon van de H. Kerk, de Rooms-katholieke personele parochie voor de traditionele Latijnse liturgie bij de Agneskerk te Amsterdam

Vandaag in de Agneskerk

De kalender is bijgewerkt tot en met 31 augustus 2017, onder voorbehoud van wijzigingen.

16 augustus 2017

16 augustus: Heilige Joachim, vader van de H. maagd Maria, belijder

Joachim (links) en Anna (rechts) met hun dochter Maria (midden).

De heilige Joachim is volgens de christelijke traditie de vader van Maria, de moeder van onze Heer Jezus Christus. Hij was getrouwd met Anna, de moeder van Maria. Joachim wordt ons voorgesteld als een godvrezende, welgestelde en vrijgevige man. Zijn huwelijk was kinderloos.

Joachim wordt vanwege zijn kinderloosheid uit de tempel verwijderd en vlucht voor die schande met zijn kudde naar de bergen. Daar krijgt hij van een engel te horen dat zijn vrouw Anna zwanger is. Joachim keert naar huis terug en ontmoet zijn vrouw bij de (Gouden) Poort in Jeruzalem. Anna geeft het leven aan een meisje en noemt haar Maria.

De ontmoeting bij de Gouden Poort is later een beroemd thema in de beeldende kunst geworden. Joachim wordt soms afgebeeld als herder met een staf in de hand en een schaap aan zijn voeten. Op schilderijen staat hij dikwijls op de achtergrond in voorstellingen van Anna met Maria en Jezus.

15 augustus 2017

Maria Tenhemelopneming, hoogfeest

Epistel
Judit 13, 22-25; 15, 10
De Heer heeft u gezegend met Zijn kracht; want door u heeft Hij onze vijanden vernietigd. Gezegend zijt gij, dochter, door de Heer, de allerhoogste God, meer dan de andere vrouwen op aarde. Gezegend zij de Heer, de Schepper van hemel en aarde, Die u heeft gezonden, om de vorst van onze vijanden de kop te verwonden; heden heeft Hij uw naam zo hoog verheven, dat uw lof nooit zal wijken uit de mond van de mensen, die de macht van de Heer voor immer blijven gedenken. Om hunnentwil hebt gij uw leven niet gespaard, vanwege de nood en de ellende van uw volk. Maar gij hebt redding gebracht in hun ongeluk voor het aangezicht van onze God. Gij zijt de glorie van Jeruzalem - de vreugde van Israël - het pronkjuweel van ons volk.

Evangelie
Lc. 1, 41-50
In die tijd werd Elisabet vervuld van de Heilige Geest en zij riep met luide stem en zei: Gezegend zijt gij onder de vrouwen en gezegend is de Vrucht van uw schoot. En waarom valt mij dit te beurt, dat de Moeder van de Heer tot mij komt? Want werkelijk, zodra uw begroeting mij in de oren klonk, sprong het kind van blijdschap op in mijn schoot. En zalig zijt gij, dat gij geloofd hebt, want hetgeen u door de Heer is aangekondigd, zal in vervulling gaan. Toen sprak Maria: Mijn ziel verheft de Heer en mijn geest is verblijd in God, mijn heil. Want Hij heeft genadig neergezien op Zijn geringe dienstmaagd; zie van nu af zullen alle geslachten mij zalig prijzen. Want groots is het wat de Almachtige met mij deed, Hij Wiens Naam heilig is, Wiens barmhartigheid duurt van geslacht tot geslacht, voor degenen die Hem vrezen.

Overweging
Vandaag viert de Kerk een heel groot feest, namelijk de tenhemelopneming van Maria. De Kerk gelooft en leert dat het lichaam van Maria na haar dood het bederf niet heeft gezien, maar dat zij na haar ontslapen direct in de hemel is opgenomen. Maria werd met ziel en lichaam in de hemel opgenomen. Dat is het bijzondere van Maria’s verheerlijking: dat haar lichaam, evenals dat van Jezus, aanstonds deelde in de glorie van de ziel. Er zijn andere heiligen van wie wij mogen aannemen dat zij onmiddellijk na hun sterven tot de aanschouwing Gods werden toegelaten, maar zij allen hebben het bederf van het graf gekend. Het zuivere lichaam van de Maagd, uit wie Christus is geboren, was niet aangetast door de gevolgen van de erfzonde. Wel was het sterfelijk, maar door Gods wonder niet bederfelijk.

Vandaag, bij haar opneming ten hemel, wordt haar heilig lichaam, die tempel van de Heilige Geest, de schoot die het Woord ontving, verheerlijkt, met goddelijk licht omstraald, en ten hemel gevoerd. Assumpta est Maria in coelum: gaudent angeli! – Maria is met ziel en lichaam door God in de hemel opgenomen: en de Engelen juichen! Zo zingt de Kerk in een van de antifonen op dit feest.

Onze verlossing is niet volkomen voordat het lichaam deelt in de glorie. Zolang wij op aarde zijn, is ons lichaam aan het lijden onderworpen, aan vergankelijkheid en tijdelijke dood met het bederf van het graf. Het feest van de tenhemelopneming van onze Lieve Vrouw moet in onze harten een blijde hoop storten. Wij zijn nog pelgrims, maar onze Moeder is ons voorgegaan en toont ons reeds het einde van de weg. Zij zegt ons opnieuw dat het mogelijk is er te komen, en dat wij er komen als we trouw zijn. En wat staat ons op het einde van onze pelgrimstocht te wachten? De hemelse vreugde van de aanschouwing Gods.

Voor Maria betekende de aanschouwing Gods de aanschouwing van haar Zoon, haar Jezus, zoals Hij werkelijk was en is. Wat een ongekende vreugde voor het moederhart! Zij kende Hem eerst in de intimiteit van haar moederschap, daarna in de smarten van Zijn verlossing, toen in de omhelzing van de Verrezene, en nu in Zijn hemelse glorie. Maria wordt voor ons in haar glorievolle verheerlijking een teken van God. Telkens opnieuw richt zij onze gedachten op de uiteindelijke bestemming van ons leven hier op aarde: eeuwig met God te zijn, tot Zijn glorie en ons geluk.

Maria is als eerste geheel opgenomen in de orde van de verheerlijking, volmaakt gelukkig naar heel haar wezen. Deze dag moet voor ons, die nog in de wereld verblijven, een dag van vreugde zijn, met haar en om haar. Het feest van de Moeder is het feest van de kinderen. Laten wij vandaag de ellende van deze tijd opzij zetten en verwijlen in het hemelse dat voor ons het enig noodzakelijke is. Ons heil is in de hemel vanwaar wij onze Verlosser verwachten, Die ons vergankelijk lichaam zal omvormen en gelijkmaken aan Zijn verheerlijkt lichaam. Ons heil is in de hemel waar onze Moeder ons is voorgegaan.

15 augustus: Maria Tenhemelopneming, hoogfeest

Op 15 augustus viert de Kerk het hoogfeest van de tenhemelopneming van de Moeder Gods. Dit feest werd eind zesde eeuw door keizer Mauritius in Byzantium ingevoerd. In de zevende eeuw nam Rome, onder paus Sergius I, dit feest uit het Oosten over.

Paus Pius XII kondigde op 1 november 1950 (Allerheiligen) het dogma van de tenhemelopneming van Maria af. Dit dogma houdt de gelovigen voor dat "de Moedermaagd, na het beëindigen van haar aardse leven, met lichaam en geest is opgenomen in de hemelse glorie, om er in alle schittering te stralen als Koningin aan de rechterhand van haar Zoon, de onsterfelijke Koning van alle tijden."

De naam van het feest verwijst allereerst naar de bijzonder hechte band tussen Jezus en Zijn moeder. Die is zo hecht dat deze niet door de dood doorbroken kan worden. Maria’s lichaam wordt in plaats van te ontbinden "opgenomen bij Christus in het paradijs". Dit is niet zo zeer een uniek voorrecht voor Jezus’ moeder, maar wel een zo goed als noodzakelijk gevolg van haar intieme verbondenheid met Christus: wat aan het Godsvolk als geheel beloofd is - volheid van geluk, overwinning op de dood en het delen in de heerlijkheid van de Heer - is al vervuld in de vrouw van Gods welbehagen, gezegend boven alle vrouwen, uit wier schoot Gods Zoon een lichaam aannam tot verlossing van de mensheid.

Op deze dag is de Maagd, de Moeder van God, ten hemel opgenomen.
Zij is het begin, het beeld van de Kerk der voleinding.
Zij houdt de hoop in ons levend en is een troost voor Gods volk onderweg.
Terecht heeft God haar het bederf van de dood niet laten zien, omdat zij op wonderbare wijze de Moeder is geworden van Zijn Zoon, de Gever van alle leven.

Bij uw baren hebt gij uw maagdelijkheid behouden, bij uw tenhemelopneming hebt gij de wereld niet verlaten, Moeder van God: gij zijt teruggekeerd naar de bron des levens, gij die de levende God ontving en die door uw gebeden onze zielen van de dood zult bevrijden.

14 augustus 2017

14 augustus: Vigilie van Maria Tenhemelopneming

Heilige Maximiliaan Kolbe, priester en martelaar

De Poolse franciscaner pater Maximiliaan Kolbe stichtte in 1927 bij Warschau 'Mariastad' of 'Niepokalanow'. Hij begint daar een drukkerij en een radiozender. Er komt een spoorbaan en zelfs een brandweercorps. En er wordt begonnen met de aanleg van een vliegveld.

Het klooster geeft vier tijdschriften uit; de totale oplage is meer dan een miljoen. Het dagblad dat het klooster uitgeeft, heeft een oplage van meer dan 150.000 exemplaren. Op het hoogtepunt wonen er 762 broeders die de armoede van Sint-Franciscus naleven.

Op 1 september 1939 vallen de Duitsers Polen binnen. Mariastad is een doorn in het oog van de bezetter. In de bladen wordt veel kritiek geleverd en in 1939 wordt pater Maximiliaan, met vier medebroeders, opgepakt. Ze laten hem op 8 december (Onbevlekte Ontvangenis) weer vrij.
Pater Maximiliaan stuurt zijn broeders naar huis, het klooster biedt onderdak aan Polen en joden. In februari 1941 wordt hij weer gearresteerd en naar Auschwitz gebracht.

De Duitsers proberen zijn leven tot een hel te maken. Hij moet zware lichamelijke arbeid verrichten. Wanneer hij uitgeput neervalt, slaat de commandant hem met een stok bijna dood en laat hem in het bos achter. Terug in het kamp blijft pater Maximiliaan aan iedereen de liefde voorhouden, alleen de liefde bouwt op. Hoewel het verboden is, hoort hij van gevangenen de biecht.

Als op een dag een man wordt vermist, dan wijst de kampbeul tien mannen aan. Een van hen smeekt om genade, hij is vader van vier kinderen. Dan stapt pater Maximiliaan op de leider af en zegt: "Ik ben priester, ik wil zijn plaats innemen." En tot ieders verbazing schreeuwt de kampbeul: "Raus!" en stuurt hij de vader terug de rijen in.

De hongerbunker ligt onder de grond en is door een hoge muur van het kamp afgescheiden. Wie daar ingaat, wordt niet meer levend teruggezien. In het kamp spraken de kampcommandanten over de pater. Ze hadden zoiets nog nooit meegemaakt. Iemand die zijn leven offert voor zijn naaste. Uit de bunker klinkt gezang en gebed, maar met de dag wordt het geluid zwakker. Altijd zagen de bewakers de pater op de knieën, of staan tussen de stervende mannen. Na bijna drie weken zijn de Duitsers het zat. De laatste vier levenden worden doodgespoten.

De euthanasiearts ziet hoe de lippen van pater Maximiliaan biddend sterven. De mannen liggen dood op de grond, hun gezichten zijn getekend door het lijden. Rechtop tegen de muur zit het dode lichaam van pater Maximiliaan, zijn gezicht is een en al vrede.

Op 10 oktober 1982 verklaart paus Johannes Paulus II zijn landgenoot heilig. De gedachtenis van Maximiliaan Kolbe wordt gevierd op 14 augustus (Novus Ordo).

13 augustus 2017

Tiende zondag na Pinksteren

De farizeeër en de tollenaar

Epistel
1 Kor. 12, 2-11
Broeders, gij weet het: toen gij nog heidenen waart, hebt gij u blindelings laten leiden naar de stomme afgoden. Daarom vestig ik er uw aandacht op, dat niemand, die spreekt door de Geest van God, zegt: Jezus zij vervloekt; evenzo kan niemand zeggen: Jezus is de Heer, tenzij door de Heilige Geest. Wel is er verschil van genadegaven, maar het is dezelfde Geest; en er is verschil van bediening, maar het is dezelfde Heer, en er bestaat verschil van werking, maar het is dezelfde God, Die alles in allen werkt. Aan een ieder wordt de zichtbare werking van de Geest gegeven, om er nut mee te stichten. Aan de een wordt door de Geest gegeven een woord van wijsheid; aan de ander een woord van kennis krachtens dezelfde Geest; aan een derde, in dezelfde Geest, geloof; aan een ander een gave van genezingen, in de éne Geest; aan een ander het werken van wonderen, aan een ander profetengave, aan een ander de onderscheiding der geesten; aan een ander het spreken van verschillende talen, aan een ander de vertolking van die talen. Maar dat alles bewerkt de éne en dezelfde Geest, Die aan een ieder toedeelt, zoals Hij wil.

Evangelie
Lc. 18, 9-14
In die tijd hield Jezus de volgende gelijkenis voor aan sommigen, die voor zichzelf de overtuiging hadden, dat zij rechtvaardig waren en daarom op de anderen met minachting neerzagen: Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de één was een farizeeër, de ander een tollenaar. De farizeeër stond daar, en bad bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet ben zoals de overige mensen: dieven, onrechtvaardigen, echtbrekers, of zoals die tollenaar ginds; ik vast tweemaal in de week, ik geef tienden van alles, wat ik in bezit krijg. Maar de tollenaar bleef op een afstand staan en durfde zelfs zijn ogen niet ten hemel opheffen; doch hij klopte op zijn borst en zei: O God, wees mij, zondaar, genadig! Ik verzeker u: deze laatste ging gerechtvaardigd naar huis, in tegenstelling met de ander; want al wie zich verheft, zal vernederd, maar wie zich vernedert, zal verheven worden.

Overweging
In de gelijkenis van deze zondag over de farizeeër en de tollenaar wordt ons door Jezus weer eens duidelijk het belang van ware nederigheid voorgehouden. Twee mensen gingen bidden, een farizeeër en een tollenaar. De farizeeër bad: “God, ik dank u dat ik niet ben zoals de anderen, rovers en onrechtvaardigen, of zoals die tollenaar.” Daarna vertelt de farizeeër aan God al het goede dat hij doet. De tollenaar bidt in zijn gebed tot God: “O God, wees mij, zondaar, genadig.”

Hier wordt door Jezus Zelf de grondslag van alle ware nederigheid aangegeven. Het is de erkenning van onze diepe ellende, armoede en zondigheid, van onze geringheid tegenover de oneindige volmaaktheid van God. Wij kunnen alleen voor Hem treden in een geest van diepe erkentenis van ons eigen onvolkomenheid. Alles wat wij verder over de nederigheid kunnen zeggen, steunt daar op en wordt daar van afgeleid. De heilige Bernardus zou de nederigheid bepalen als ‘de geringe dunk die iemand heeft van zichzelf’. En terecht is dit een kenmerk van wezenlijke en ware nederigheid.

Wij kunnen zeggen dat nederigheid altijd een gering en bescheiden denken over zichzelf betekent. Het is ook onszelf willen zien zoals wij werkelijk zijn, inclusief alle gebreken en fouten. Zichzelf zo te zien is de eerste stap op de weg naar volmaaktheid die God in degene bewerkt die zichzelf kent en daarom bereid is om met Zijn genade mee te werken. Het fundament van de ware nederigheid is daarom de juiste houding die men aanneemt tegenover God. De farizeeër meent God een dienst te bewijzen met het opzeggen van al zijn eigen goede werken. Hij verheft zich daardoor op een hoogmoedige wijze boven anderen en dankt God er zelfs voor dat hij niet is zoals de anderen. Hij acht zichzelf beter dan zijn omgeving. Door de gelijkenis van vandaag keurt Christus zijn gedrag en zijn gebed volkomen af. De farizeeër weet geen houding van liefdevolheid aan te nemen tegenover de mensen, omdat hij geen houding van bescheidenheid weet aan te nemen tegenover God.

De tollenaar is zich bewust van zijn zonden. Hij is verlegen, hij voelt zich als geslagen. Hij durft zelfs niet op te zien en stamelt alleen: “God, wees mij, zondaar, genadig”. Alles van de ‘übermensch’ is hier weg. Alleen berouw, deemoed en besef van eigen zondigheid blijven in hem over.

En dan volgt het onomwonden oordeel van de Meester: “Ik zeg u, deze ging gerechtvaardigd naar huis, in tegenstelling tot de ander.” De tollenaar wordt geprezen. Hij had besef van zijn zondigheid. Hij trachtte niet zijn eigen ellende op allerlei wijzen te camoufleren. Hij was een zondaar, maar door dat met berouw te erkennen werd hij een rechtwaardige. Zelfs zonder zonden blijft de mens op onmetelijke afstand van God verwijderd, en heeft hij daarom allerlei redenen om nederig over zichzelf te denken. De farizeeër beging de fout van eigen blindheid.

Laten wij het volgende woord van de heilige Augustinus ter harte nemen: “God, laat mij toch kennen wie Gij zijt en laat mij erkennen wie ik ben”. In deze woorden ligt de sleutel van nederigheid en dankbare Godbejegening.

12 augustus 2017

12 augustus: Heilige Clara, maagd

Clara werd geboren rond het jaar 1195 in een adelijke familie in Assisi, Italië. Ze was een jaar of achttien op het moment dat Franciscus met zijn beweging begon. Onder zijn invloed gaf ze haar maatschappelijke positie op, brak met haar familie en trad, net als Franciscus, in het klooster. Zij legde zich toe op de navolging van Christus in radicale armoede.

Spoedig voegden zich andere vrouwen bij haar, onder wie haar zus Agnes die zij had helpen ontsnappen uit het ouderlijk huis. Zij stichtte de orde der clarissen. Veertig jaar lang stond zij aan het hoofd van het klooster van San Damiano, even buiten Assisi. Intussen groeide er tussen Franciscus en Clara een hechte en diepe geestelijke vriendschap. Als hij niet zeker was van een bepaalde beslissing of niet wist hoe te handelen, liet hij zuster Clara om raad vragen, ook in zaken van gebed, boete, geestelijke leiding en apostolaat.

Franciscus stierf in 1226. Clara en haar medezusters gingen voort in zijn geest van gebed en armoede. Zo wist zij rond 1240 door het innige gebed dat ze deed geknield voor een monstrans met de heilige Hostie erin, een dreigende inval van de Saracenen in Assisi te verhinderen. Vanaf dat moment wordt zij beschouwd als de redster van Assisi en van San Damiano.

Tot haar dood op 11 augustus 1253 verbleef Clara in San Damiano en leefde er volgens de kloosterregel die zij zelf, als eerste vrouw in de geschiedenis, had geschreven. Deze regel werd pas op haar sterfbed door paus Innocentius IV goedgekeurd.

Twee jaar na haar dood werd zij door paus Alexander IV heilig verklaard. Haar lichaam is nog altijd te zien in een glazen schrijn in haar basiliek te Assisi.

Zij is medepatrones van Assisi. Zij wordt afgebeeld als claris (met bruin- of zwartwollen habijt, dat om het middel enigszins is opgebonden), met de staf van de abdis, met een kruis, een lelie (symbool van maagdelijkheid), regelboek, en zeer vaak met een monstrans en soms met een brandende lamp (verwijzing naar haar naam en naar Jezus' verhaal over de wijze maagden).

Zij is patrones van de wasvrouwen, naaisters en borduursters, en van de vergulders. Zij wordt ook aangeroepen tegen oogkwalen en koorts (zelf had zij daar 27 jaar last van). In 1958 werd zij door paus Pius XII uitgeroepen tot patrones van de televisie: in het jaar voor haar dood was zij al zo verzwakt dat zij zelfs met Kerstmis haar cel niet kon verlaten om in Assisi de Nachtmis bij te wonen. Zij zou toen vanaf haar ziekbed in haar cel voor haar ogen de Kerstplechtigheden in de kerk van Assisi hebben zien gebeuren. Mede op grond van deze legende wordt haar voorspraak ingeroepen tegen oogkwalen; daar wordt ook de betekenis van haar naam (klaar, helder) mee in verband gebracht.

In 1946 dichtte Gabriël Smit een rijmpje over de heilige Clara:

Sint Clara, gij hebt dag en nacht
uw liefde blij en fier getoond
aan Hem, Die door Zijn wondermacht
in simpel brood nu bij ons woont.
Geef dat mijn hart Hem steeds herkent
in Zijn hoogheilig Sacrament.

10 augustus 2017

10 augustus: Heilige Laurentius, diaken en martelaar, feest

Laurentius is in Spanje geboren en reeds op jonge leeftijd in Italië terechtgekomen. Hij was de aartsdiaken van paus Sixtus II. Ten tijde van de vervolging door keizer Valerianus werden Laurentius en de andere diakens met de Heilige Vader gevangen genomen. Terwijl de anderen standrechtelijk om het leven werden gebracht, nam men Laurentius mee voor verhoring en foltering. Laurentius zag in paus Sixtus II niet alleen zijn meerdere maar tevens zijn vaderlijke vriend en vooral een voorbeeld.

Veel is van Laurentius niet bekend. Het meeste weten wij uit legendes. Zijn graf bevindt zich bij de Via Tiburtina op de Ager Veranus, waar Constantijn de Grote een basiliek oprichtte. Reeds in de vierde eeuw was zijn verering in de gehele Kerk verbreid. Laurentius is de derde patroon van de stad Rome. Hij wordt vereerd als patroon van de armen en van de bibliothecarissen, omdat hem als diaken de zorg voor de boeken was opgedragen. San Lorenzo is de basiliek in Rome die aan hem toegewijd is (Laurentius-buiten-de-muren). Daar ligt hij, samen met diaken Stefanus begraven.

Tijdens de terechtstelling van paus Sixtus II liep Laurentius wenend met hem mee en riep: "Waar gaat u heen, zonder uw zoon, vader?" De Paus troostte zijn aartsdiaken en voorspelde hem zijn eigen terechtstelling als martelaar. Hij gaf Laurentius nog de opdracht om zorg te dragen voor de schatten van de Kerk.
Keizer Valerius maakte na de moord op de Paus aanspraak op deze kerkelijke schatten en beval Laurentius de schatten naar hem te brengen. Hij kreeg daarvoor drie dagen de tijd.

Tot zijn grote ontsteltenis stond Laurentius daar drie dagen later zonder goud of zilver, maar met de minder-bedeelden uit de stad: armen, zieken, kreupelen, lammen, weduwen en wezen, en verminkten. “Hier heeft u de schatten van de Kerk”, zei Laurentius tegen de keizer.
De keizer onstak in toorn en liet Laurentius vastnemen en ter dood veroordelen. Men sloeg hem met loden kogels en legde hem tussen een rooster op het vuur. Zijn sterfdag is 10 augustus 258.

Paus Leo I de Grote heeft over Laurentius eens gezegd: "Het vuur dat in hem brandde, heeft hem geholpen het vuur van het martelaarschap te doorstaan".

De heilige Laurentius is patroon van diakens, bibliothecarissen, glasblazers, glazeniers, brandweer, koks, archivarissen, scholieren, studenten, administrateurs, bierbrouwers, banketbakkers en wasvrouwen. Verder is hij patroon tegen huidziekten, oogkwalen, spit, ischias, vuurrampen, het vagevuurleed en de pest; en patroon voor de zielen in het vagevuur en een goede wijnoogst.

9 augustus 2017

Heilige Teresia Benedicta a Cruce (Edith Stein), maagd en martelares, co-patrones van Europa

Edith Stein werd geboren in een orthodox-joodse familie in de Duitse stad Breslau (het huidige Wroclaw in Polen) op 12 oktober 1891. Op dertienjarige leeftijd zwoer ze haar joodse geloof af en werd atheïst. Als student aan de Universiteit van Göttingen leerde ze de filosoof-wiskundige Edmund Husserl kennen, de grondlegger van de fenomenologie. Toen Husserl later naar de Universiteit van Freiburg vertrok, ging Edith op zijn verzoek mee als zijn assistent.

In Freiburg promoveerde Edith Stein tot doctor in de filosofie. Tijdens een vakantie bij vrienden in 1921 las ze de autobiografie van Teresia van Avila. Ze was daar zo van onder de indruk dat ze meteen katholiek wilde worden. Op 1 januari 1922 ontving Edith het sacrament van het Doopsel. Ze zegde haar universitaire baan bij Husserl op en werd onderwijzeres op een katholieke meisjesschool in Spiers.

In Spiers vertaalde Edith het geschrift De Veritate (‘Over de waarheid’) van de heilige kerkleraar Thomas van Aquino en verdiepte ze zich verder in de katholieke wijsbegeerte. In 1932 werd ze lector aan het Instituut voor Pedagogie in Münster. Toen een jaar later de nationaal-socialisten aan de macht kwamen, werd Edith vanwege de antisemitische wetten ontslagen.

Edith trad in 1934 in bij de karmelietessen in het Karmelklooster van Keulen. Bij haar professie kreeg ze de kloosternaam Teresia Benedicta a Cruce. Als slotzuster legde ze de laatste hand aan haar metafysisch werk Endliches und ewiges Sein, waarin ze tot een synthese van Thomas van Aquino en Husserl trachtte te komen.

Omdat de antisemitische terreur in Duitsland steeds erger werd, werd Edith in 1938 door haar overste overgeplaatst naar het karmelietessenklooster te Echt in Nederlands Limburg. Daar schreef ze haar belangrijkste werk: Kreuzeswissenschaft. Studie über Johannes a Cruce (‘De wetenschap van het kruis. Studie over Johannes van het Kruis’). Dit werk heeft veel bijgedragen tot de ontwikkeling van een moderne lijdensspiritualiteit.

Nadat de Nederlandse bisschoppen in een publieke verklaring het racisme van de nazi’s hadden veroordeeld, gaf Adolf Hitler op 26 juli 1942 het bevel om alle niet-arische katholieken te arresteren. Als gevolg hiervan werden Teresia Benedicta en haar katholiek geworden zus Rosa door de Gestapo uit het klooster van Echt gehaald. Bij de arrestatie zei ze tegen Rosa: "Kom, wij gaan voor ons volk." Via Westerbork worden de twee gezusters naar Auschwitz gedeporteerd. Enkele overlevenden getuigden tijdens haar zaligverklaringsproces dat zuster Teresia Benedicta andere gevangenen met grote compassie had bijgestaan. Op 9 augustus 1942 stierf Edith/Teresia samen met haar zuster Rosa in de gaskamer.

Paus Johannes Paulus II verklaarde Edith Stein zalig op 1 mei 1987 in Keulen. Op 11 oktober 1998 verklaarde hij haar in Rome heilig en verleende haar de waardigheid van martelares. Een jaar later gaf de heilige paus haar de titel Co-patrones van Europa. Op de liturgische kalender (Novus Ordo) staat haar gedachtenis op 9 augustus, haar sterfdag.

8 augustus 2017

8 augustus: Heilige Johannes Maria Vianney (Pastoor van Ars), belijder, patroon van de priesters

Geen plek in het donkere, vochtige kerkje is onbezet. Boven de holle stilte klinkt de stem van een nauwelijks hoorbare priester. Het gehucht Ars nabij de Franse stad Lyon telt zelf tweehonderd gelovigen, maar vanuit heel Frankrijk en zelfs daarbuiten komen mensen om deze pastoor te kunnen horen en, als het kan, bij hem te biechten.

Talrijke priesters uit het bisdom zijn jaloers op hun ambtsbroeder die niet eens gewijd had mogen worden. De examinatoren hadden even de andere kant opgekeken, want de seminarist was voorbeeldig in zijn leven, maar leren kon hij niet.
Na zijn wijding mag de boerenzoon dan ook niet biechthoren. Uiteindelijk stopt de bisschop hem weg in een gehucht met een parochiekerkje waar Jean-Marie Vianney blij mag zijn op zondag een gelovige aan te treffen.

Wat hadden de dorpelingen gelachen om hun nieuwe pastoor, die er uitziet als een wandelend lijk, niet uit zijn woorden kan komen en huilt tijdens zijn preken. Toch worden ze nieuwsgierig, want er wordt gefluisterd dat hij een heilige is. Alles wat de parochie bezit, geeft hij weg, van wat hij eet kan een normaal mens niet leven en hij slaat zich tot bloedens toe.

Terwijl het in de meeste Franse kerken wachten is op wie het licht uit zal doen, stromen de gelovigen naar Ars. De pastoor, die meisjes in het door hem gestichte weeshuisje ‘La Providence’ dagelijks catechese geeft, verlegt deze naar de kerk, waar steeds meer gelovigen komen luisteren naar de beeldrijke verhalen.

Mocht hij aanvankelijk niet biechthoren, nu zijn er koude winteravonden waarop hij ‘maar’ elf uur in de biechtstoel zit. ’s Zomers loopt dit op tot achttien uur. In 1855 bezoeken meer dan twintigduizend gelovigen de parochie.
Terwijl de duivel beproeft en treitert, geeft God de gave van de profetie. Eens zit in het overvolle kerkje nabij het gangpad een vrouw. Ze huilt. Ze heeft zojuist haar man verloren, hij pleegde zelfmoord. De vrouw was van ver gekomen, maar ziet geen kans bij de heilige priester te komen. Bij het verlaten van de kerk houdt pastoor Vianney bij haar stil en fluistert: “Wees gerust, mevrouw. Tussen de brug en het water was er genoeg tijd voor berouw”, en loopt door. De weduwe kan haar tranen niet bedwingen, maar nu van vreugde.

Jean-Marie Vianney sterft op 4 augustus 1859. Paus Pius XI verklaart hem in 1925 heilig, nadat eerder paus Pius X de pastoor van Ars had uitgeroepen tot patroon van de parochiepriesters. In 2009 roept paus Benedictus XVI bij de aanvang van het Jaar van de Priester de Pastoor van Ars uit tot patroon van álle priesters.

6 augustus 2017

6 augustus: Gedaanteverandering van onze Heer Jezus Christus, feest

Epistel
2 Petr. 1, 16-19
Veelgeliefden, toen wij u de kracht en de verschijning van onze Heer Jezus Christus verkondigden, volgden wij geen scherpzinnige verzinselen, maar wij waren ooggetuigen geweest van Zijn heerlijkheid. Want Hij ontving eer en glorie van God de Vader, toen van de hoogverheven majesteit deze stem over Hem neerkwam: Deze is Mijn veelgeliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; luistert naar Hem. En zelf hebben wij deze stem, die uit de hemel kwam, gehoord, toen wij met Hem waren op de heilige berg. Bovendien hebben wij het woord der profeten, dat nog meer vaststaat; daarom doet gij goed dat voor ogen te houden als een lamp, die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart.

Evangelie
Mt. 17, 1-9
In die tijd nam Jezus Petrus, Jacobus en diens broeder Johannes met Zich mee, en bracht hen op een hoge berg, waar zij alleen waren. En Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd. Zijn aangezicht straalde als de zon, en Zijn klederen werden wit als sneeuw. En opeens verschenen hun Mozes en Elias, die met Hem spraken. Petrus nu nam het woord en zei tot Jezus: Heer, het is ons goed hier te zijn! Als Gij wilt, laten wij hier dan drie tenten bouwen: één voor U, één voor Mozes en één voor Elias. Terwijl hij nog sprak, overschaduwde hen op eenmaal een lichtende wolk; en plotseling klonk er uit de wolk een stem, die sprak: Deze is Mijn veelgeliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; luistert naar Hem! Toen de leerlingen dit hoorden, vielen zij op hun aangezicht neer en werden zeer bevreesd. Maar Jezus kwam naar hen toe, raakte hen aan en zei: Staat op, en vreest niet! Toen sloegen zij hun ogen op, en zagen niemand meer dan Jezus alleen. En terwijl zij van de berg afdaalden, gebood Jezus hun: Spreekt met niemand over deze verschijning, voordat de Mensenzoon van de doden is opgestaan.

Overweging
Veertig dagen vóór het feest van Kruisverheffing (14 september) herinnert het feest van de Gedaanteverandering van onze Heer Jezus Christus eraan hoe Jezus de apostelen Petrus, Johannes en Jacobus wilde voorbereiden op Zijn kruisdood. Zijn verheerlijking op de berg Tabor is niet alleen een voorafbeelding van de Verrijzenis, maar ook van de toekomstige heerlijkheid van de Kerk als Lichaam van Christus.

De drie leerlingen zien door de gedaanteverandering van de Heer naast Zijn godheid ook Zijn verheerlijking die zal geschieden na de overwinning op de dood en de verrijzenis uit de dood door Zijn terugkeer naar de hemel waar Hij zetelt aan de rechterhand van Zijn Vader.

Nu reeds toont de Zoon Zich in een hemelse glans op een voor de menselijke natuur aangepaste wijze. Want hoe zouden de drie apostelen, in hun menselijke gestalte, de verheerlijkte Zoon van God kunnen aanschouwen? Dat is pas mogelijk in het eeuwige leven.

Op de berg Tabor troost en sterkt Jezus Zijn leerlingen, maar ook Hij Zelf wordt opgebeurd en bemoedigd als mens, terwijl Mozes en Elia Hem eer bewijzen. In Christus immers komen de Wet, door Mozes gegeven, en het Profetendom, door Elia vertegenwoordigd, tot voltooiing. Vanuit de eeuwigheid steunen zij de Verlosser in Zijn tijdelijkheid als mens door met Hem in de luister van de berg Tabor de weg te beleven die Hij zal gaan van Jeruzalem naar Golgotha maar die vervolgens zal leiden tot de Verrijzenis uit het graf en het opstijgen naar de hemel.

5 augustus 2017

Eerbiedwaardige dienaar Gods Fulton Sheen: "Wij zijn geen dieren, maar mensen"

In onderstaande video spreekt de eerbiedwaardige dienaar Gods aartsbisschop Fulton Sheen (1895-1979) over het mysterie van de menselijke seksualiteit.

5 augustus: Onze Lieve Vrouw ter Sneeuw

Onze Lieve Vrouw ter Sneeuw is een van de titels voor de heilige maagd Maria. De naam komt van een Mariaverschijning die zich heeft voorgedaan tijdens het pontificaat van paus Liberius (+ 366), waarbij er sneeuw gevallen is in de maand augustus.

De verering van de heilige Maagd onder deze titel is vooral populair bij zeevarenden. Bij schipbreuken is Maria in deze vorm in de wolken verschenen en zij heeft op wonderbaarlijke wijze schepen gered. Het Canarisch eiland La Palma is een van de plaatsen waar deze verering veel voorkomt.

Ook in België wordt Maria onder deze titel in vele kapellen vereerd. In Brussel was er zelfs een stadsdeel dat deze naam droeg, genoemd naar een kapel uit 1621. Deze wijk is in de 19e eeuw afgebroken en daarna opnieuw opgebouwd en heet tegenwoordig Vrijheidswijk.

4 augustus 2017

4 augustus: Heilige Dominicus, belijder

Dominicus Guzman werd geboren in het jaar 1170 in Caleruega (Castilië, Spanje) als zoon van Felix de Guzman en de (zalige) Juana van Aza.

Hij studeerde in Palencia en werd rond 1195 kanunnik van de kathedraal van Osma (tegenwoordig Burgo de Osma). In 1203 en 1205 begeleidde hij als subprior van het kathedraalkapittel bisschop Diego van Osma op reizen naar Scandinavië in opdracht van de koning van Castilië. Dominicus vatte hierdoor het idee op om in Scandinavië te gaan missioneren.

In 1206 kreeg hij van de paus een missietaak in de Languedoc, waar hij samen met Cisterciënzers de Kathaarse ketters moest bestrijden. Deze monniken bereikten weinig door hun hooghartige optreden en luxueuze uitstraling. Dominicus begon in alle eenvoud te prediken. Zijn prediking had duidelijk succes. Eind 1206 stichtte hij te Prouille (hedendaags Fanjeaux) een vrouwenklooster, het eerste klooster van de latere dominicanessen.

In Toulouse begon hij met de oprichting van een orde voor de prediking. Van paus Honorius III verkreeg hij in 1216 goedkeuring voor zijn orde: de Dominicanen. In 1217 zond Dominicus zijn broeders uit naar Parijs, Spanje en Italië. De broeders moesten met name aan de universiteiten van Parijs en Bologna theologie gaan studeren. Er ontstond een internationale orde die in 1220 voor het eerst in Bologna een generaal-kapittel hield. De nadruk kwam sterk te liggen op studie en het in praktijk brengen van het Woord.

Dominicus predikte in die jaren vooral in Noord-Italië. Hij deed afstand van de leiding van zijn orde. Uitgeput door het vele reizen stierf hij op 6 augustus 1221 te Bologna. Hij werd begraven in de San Domenico te Bologna. In 1234 werd hij door Gregorius IX heiligverklaard. In 1268 werd het lichaam van Dominicus geplaatst in een door Nicola Pisano gebeeldhouwd grafmonument.

Dominicus inspireerde mensen door zijn opgewekte aard, praktische instelling en scherp oog voor de tekenen van de tijd. Hij richtte een dynamische orde op met als hoofdtaken prediking en zielzorg. Van Dominicus zijn behalve enkele brieven geen geschreven werken bewaard gebleven.

Dominicus wordt afgebeeld als dominicaan, met een boek en een lelie, een krans van haar om het kaalgeschoren hoofd, een ster voor de borst of boven het hoofd, een gevlekte hond met een fakkel in de bek waarmee hij de aardbol in brand steekt (Er is een legende die vertelt, dat Dominicus' moeder tijdens haar zwangerschap eens droomde, dat zij een hond ter wereld bracht met een brandende fakkel in zijn bek. De Latijnse naam voor zijn latere volgelingen 'Dominicanes' werd ook wel uitgelegd als 'Domini Canes' = 'Honden van de Heer'), toorts, met een monstrans, met zijn moeder Juana van Aza, of met Sint Franciscus. Bekend is ook de afbeelding dat hij - tezamen met de dominicanes Catharina van Siena uit handen van de Moeder Gods een rozenkrans ontvangt.

In 1946 schreef Gabriël Smit een rijmpje over Dominicus:


Opdat gij eens aan ons zoudt leren
Hoe met de rozenkrans wij allen
Maria ’t liefste konden eren,
Schonk zij eens u met welgevallen
Dit kralensnoer. Leer mij ook dit,
Dominicus, dat 'k beter bid.

2 augustus 2017

2 augustus: Heilige Alfonsus Maria van Liguori, bisschop, belijder en Kerkleraar

Alfonsus Maria de Liguori werd geboren op 27 september 1696 te Marianella bij Napels in Italiëin een adellijke en rijke Napolitaanse familie. Op zijn twintigste stond hij al in geheel Napels bekend als een bekwaam en betrouwbaar advocaat. Eens ontdekte hij, toen hij na een proces de rechtszaal verliet, dat hij het onrecht verdedigd had. Zo gebrekkig en onvolmaakt was blijkbaar het menselijke kennen en weten. Van toen af ging hij voor priester studeren. Hij ontving de priesterwijding toen hij dertig jaar oud was. Onmiddellijk ging hij preken voor het volk. Het was zijn ideaal om eenvoudige, ongeschoolde mensen het evangelie te doen begrijpen. Vandaar dat hij in de taal van het volk preekte met zeer eenvoudige woorden.

Niet iedereen waardeerde wat Alfonsus deed. Hij ondervond veel tegenstand van zijn vader, van de koning en enige tijd ook van de paus. Maar intussen sloten anderen zich bij hem aan, en uiteindelijk groeide deze beweging uit tot een nieuwe congregatie van religieuzen: de redemptoristen. Zij leefden in uiterste eenvoud, voelden zich aangetrokken tot de gewone mensen en brachten grote predikanten voort. Hijzelf schreef meer dan honderd boeken, waarvan zijn Moraaltheologie het bekendste zou worden. Beroemd is ook zijn boek 'De Heerlijkheid van Maria', een samenvatting van Maria's rol in de Kerk tot dat moment. Hij toont er Maria als middelares van alle genadegaven.

Uiteindelijk werd hij bisschop van het plaatsje Agatha de' Goti. Hij verkocht regelmatig goederen uit het bisschoppelijk paleis om het geld onder de armen te verdelen. Alfonsus gaf de zielenherders en biechtvaders de raad trouw te zijn aan de katholieke moraal en was daarbij beminnelijk, begripvol, zachtmoedig in de omgang zodat berouwvolle mensen zich op de weg van hun geloof en christelijk leven zouden begeleid, gesteund en bemoedigd weten. De heilige Alfonsus hield nooit op te herhalen dat priesters een zichtbaar teken zijn van Gods oneindige barmhartigheid, die vergeeft en de geest en het hart van de zondaar verlicht opdat hij zich zou bekeren en zijn leven zou veranderen. In onze tijd, waarin wij duidelijke tekenen zien dat het morele geweten ontspoort en van een zeker gebrek aan waardering voor het Biechtsacrament, is dit onderricht van de heilige Alfonsus nog zeer actueel.

In de laatste twintig jaar van zijn leven ging zijn gezondheid almaar achteruit. Hij vroeg paus Clemens XIV om ontslag wegens gezondheidsredenen, maar de paus weigerde. De paus vond dat hij met één gebed vanuit zijn ziekbed meer goed kon doen dan met 1.000 pastorale bezoeken in zijn bisdom. De opvolger van paus Clemens, paus Pius VI gaf hem in 1775 wel ontslag als bisschop. Inmiddels had Alfonsus overal pijn, groeide krom van de jicht, werd doof en zo goed als blind, terwijl ook zijn verstand ernstig achteruitging. Maar zijn allerergste beproeving was wel dat hij in ongenade viel bij de paus en dat er in zijn religieuze congregatie een scheuring ontstond.

Hij stierf op 1 augustus 1787 te Norcera dei Pagani (bij Napels) ruim 90 jaar oud.

In 1839 werd hij heilig verklaard. Hij is patroon van biechtvaders en theologen, in het bijzonder de moraaltheologen. In 1871 werd hij door paus Pius IX tot Kerkleraar uitgeroepen.

Hij wordt vaak afgebeeld als een enigszins gebogen grijsaard in redemptoristenhabijt (zwart kleed met witte boord) of in bisschopskledij (staf, mijter, tabberd); vaak heeft hij een rozenkrans, een missiekruis of een boek in zijn handen.

Van de heilige Alfonsus Maria wordt verteld dat hij in 1774 werd gezien aan het sterfbed van paus Clemens XIV, terwijl hij in zijn kloostercel zat, vier dagreizen daarvandaan; volgens sommigen lag Alfonsus die dag bewusteloos in bed. Paus Clemens XIV was de paus die zijn vraag tot ontslag als bisschop afwees. Deze bilocatie was het wonder dat een rol speelde bij zijn heiligverklaring.

De heilige Alfonsus trachtte te bereiken, dat de christengelovigen hun leven op het tabernakel richtten, met een innige godsvrucht jegens Jezus in het Sacrament. Hij hechtte bijzonder belang aan het bezoek aan het Allerheiligste, en om dat te vergemakkelijken schreef hij een klein tractaat. Daarin komt het volgende gebed voor:

Gebed voor een bezoek aan het Allerheiligst Sacrament

Jezus Christus, mijn Heer, Die uit liefde voor de mensen dag en nacht in dit Sacrament tegenwoordig blijft, vol goedheid en liefde, wachtend, uitnodigend en ontvangend allen die U komen bezoeken; ik geloof dat Gij in het Sacrament van het altaar tegenwoordig zijt. Ik aanbid U uit het diepst van mijn onwaardigheid en dank U voor alle gunsten welke Gij mij hebt bewezen, in het bijzonder dat Gij mij Uzelf in dit Sacrament hebt geschonken, dat Gij mij Uw heilige moeder Maria tot voorspreekster hebt gegeven en dat Gij mij hebt geroepen U in deze kerk te bezoeken. Ik groet vandaag Uw allerbeminnelijkst Hart, en wil dat doen om drie redenen: allereerst, als dankzegging voor deze grote weldaad; ten tweede, om U voldoening te geven voor alle beledigingen, die Uw vijanden U in dit Sacrament hebben aangedaan; en in de derde plaats heb ik de mening U door dit bezoek te aanbidden op alle plaatsen der aarde, waar Gij in Uw Sacrament het minst aanbeden en het meest verwaarloosd wordt.

Mijn Jezus, ik bemin U met geheel mijn hart. Ik heb er berouw over dat ik in het verleden Uw oneindige goedheid zo dikwijls heb mishaagd. Ik neem mij voor met de hulp van Uw genade U in het vervolg nooit meer te beledigen; en op dit ogenblik, nietswaardig als ik ben, wijd ik mij geheel aan U toe. Ik verzaak aan mijn wil, aan mijn genegenheden, aan mijn verlangens en aan alles wat mij toebehoort, en geef het aan U. Van deze dag af doe met mij en met al het mijne wat U behaagt. Ik vraag en verlang niets anders dan Uw heilige liefde, de eindvolharding en de volmaakte vervulling van Uw Wil. Ik beveel U de zielen in het vagevuur aan, in het bijzonder hen die een grote godsvrucht hadden tot dit Sacrament en tot de heilige maagd Maria. Ook beveel ik U alle arme zondaars aan. Ten slotte, mijn lieve Verlosser, verenig ik al mijn gevoelens met die van Uw liefhebbend Hart, en offer ze zo aan Uw eeuwige Vader, Hem biddend ze in Uw Naam aan te nemen en te verhoren.

1 augustus 2017

Informatiebulletin voor de maand augustus is verschenen

Het Informatiebulletin van de Sint-Jozefparochie bij de Agneskerk voor de maand augustus is verschenen. In de maand augustus viert de Kerk meerdere Mariafeesten en het bulletin is daarom geheel gewijd aan de Moeder Gods met een artikel van de heilige Louis-Marie Grignion de Montfort, stichter van de montfortanen, over de ware godsvrucht tot de allerheiligste maagd Maria.

Het bulletin is op deze site te vinden onder het tabblad 'Informatiebulletin augustus' of klik op onderstaande afbeelding. Ook bestaat de mogelijkheid om het blad elke maand gratis en in kleur per e-mail (klik hier) te ontvangen.

Informatiebulletin augustus 2017

1 augustus: Sint Petrus' Banden (commemoratie: Heilige Maccabeeën, martelaren)

Minstens sinds de vijfde eeuw worden in de oude basiliek der apostelen op de Esquilijnse heuvel in Rome de ketenen bewaard waarmee de apostel Petrus tijdens zijn laatste gevangenschap was geboeid. Deze kettingen werden door de christenen bewaard en vereerd. Later werden ze door patriarch Juvenalis van Jeruzalem geschonken aan de verbannen keizerin Eudokia. Zij verdeelde ze in twee delen, een deel stuurde ze naar Constantinopel en de andere naar Rome, destijds de hoofdsteden van het Romeinse Rijk. In Rome werden de boeien waarin Petrus ten tijde van keizer Nero op zijn marteldood had zitten wachten hieraan toegevoegd.

De godsvrucht van het volk voor deze reliek was zo groot dat de kerk de naam van Sint Petrus' Banden ontving en het kerkwijdingsfeest een feestdag werd ter ere van de Prins der apostelen. Op deze feestdag wordt ons de grote kracht voorgehouden van het volhardende gebed van leden van de Kerk. Petrus werd immers gevangen gehouden, maar na het voortdurende gebed van de jonge Kerk werd hij van zijn ketenen bevrijd (Handelingen 12).

De heilige Maccabeeën, wier gedachtenis ook vandaag wordt gevierd, zijn de enige heiligen uit het Oude Verbond die in de kalender van de Westerse Kerk worden herdacht. De relieken van deze martelaren, die te zamen met hun moeder door onderkoning Antiochus omwille van hun trouw aan de wet des Heren ter dood werden gebracht, zijn teruggevonden onder het altaar van de basiliek van Sint Petrus' Banden, waar zij sinds de consecratie van de kerk moeten hebben gelegen. Waarschijnlijk koos men deze dag uit voor de wijding van deze kerk, omdat het van oudsher in het Oosten de feestdag was van de heilige Maccabeeën.