1919 - 2019: 100 jaar Sint-Agnesparochie

Sint-Agneskerk Amsterdam

Website van de parochie van de H. Jozef, patroon van de H. Kerk, de Rooms-katholieke personele parochie voor de traditionele Latijnse liturgie bij de Agneskerk te Amsterdam

Vandaag in de Agneskerk

De kalender is bijgewerkt tot en met 30 april 2019, onder voorbehoud van wijzigingen.

HEBDOMADA SANCTA

18 april 2019

Witte Donderdag

Het Kruisoffer op Goede Vrijdag (l.) en het heilig Misoffer (r.): één en hetzelfde Offer aan de Vader.

“Dit is het heilsgeheim dat sinds de aanvang van de tijden en geslachten verborgen is geweest, maar dat thans aan Zijn heiligen is geopenbaard. Aan hen heeft God bekend willen maken hoe rijk aan glorie dit heilsgeheim onder de heidenen is, hoe Christus namelijk onder u is, de hoop op de glorie.”

Dit is de grote schat, de erfenis van liefde die Christus bij Zijn dood de wereld naliet, Zijn eigen Vlees en Bloed als offer en spijs voor onze zielen. Hij is door dit offer Zelf blijven zorgen voor Gods eer in de wereld en Hij is door dit heilig Sacrament Zelf blijven zorgen voor onze heiliging. Dit is het geheim van deze dag: Christus is blijvend onder ons aanwezig en zal aanwezig blijven tot aan het einde van de tijden, om alles tot Zich te trekken.

17 april 2019

De voorbereiding op een goede biecht

Het gewetensonderzoek

Om de Heer vergeving te kunnen vragen voor onze zonden, moeten wij eerst ons geweten onderzoeken om de fouten te ontdekken waardoor wij Hem beledigd hebben. Hier kan geen algemene regel voor worden gegeven. De een biecht elke week, de ander spreekt enkel de verplichte Paasbiecht. De een is nog een kind, de ander een volwassene. De een is getrouwd, de ander ongetrouwd. We hebben niet allen dezelfde beroepsplichten of plichten van staat, maar wij zijn allen verplicht om dezelfde geboden te onderhouden, hoezeer onze levensomstandigheden ook verschillen. De enige voor alle gevallen toepasselijke aanwijzing lijkt dan ook deze: ieder moet aan zijn gewetensonderzoek de nodige tijd besteden om de bedreven zonden in te zien en ze in de biecht te kunnen belijden.

Om dit onderzoek goed te doen, is het passend dat wij ons aanbevelen bij de heilige maagd Maria en onze Engelbewaarder, opdat zij van de Heilige Geest voor ons het licht verkrijgen, dat onze fouten ons niet ongemerkt ontschieten, opdat we ze min of meer bewust zouden verdoezelen. Als wij echt verlangen dat de biecht ons geestelijk leven bevordert en de liefde Gods in ons doet groeien, dan is het onontbeerlijk dat wij ons geweten onderzoeken met evenveel zorgvuldigheid als wij ons voor andere belangrijke zaken inzetten.

Sommigen menen dat zij hun fouten niet kunnen ontdekken. In de meeste gevallen hebben ze gelijk, omdat zij ze niet meer kunnen zien, hoewel ze in het oog springen, dat komt omdat zij zo gewoon geraakt zijn aan zondige handelwijzen. Als wij ons geweten onderzoeken, mogen wij ons daarom niet beperken tot een oppervlakkige blik op onze handelingen. Wij moeten er de tijd voor nemen die nodig is om de misstappen te vinden die sleur geworden zijn en die ten slotte onze ziel dodelijk gaan schaden.

De lauwheid, de nalatigheid bij het vervullen van de plichten van staat, het lichtvaardig woordgebruik, de min of meer juiste beoordeling van andermans gebreken, wat we voor de naaste zouden moeten doen maar niet doen, de leugen, het zich niet houden aan het gegeven woord, het niet altijd onberispelijk gedrag bij het vermaak en de relaties met gezin en maatschappij, de vrijwillige verstrooiing tijdens de heilige Mis of gebed, de slapheid in het geestelijk leven, de weerstand tegen de genade Gods die bepaalde daden van deugd van ons vraagt enz. - die zouden onze aandacht moeten hebben en het voorwerp moeten zijn van een oprechte beschuldiging, vol berouw, in het sacrament van de biecht. Op die manier kunnen wij, door Gods genade gezuiverd, elke dag een stukje verder komen op de weg van de persoonlijke heiligheid, waartoe de Heer ons roept.


Het berouw

Om de vriendschap met God, die wij door de zonde verloren hebben, opnieuw te verwerven, is het berouw onontbeerlijk. Maar het berouw of het hartenleed moet niet worden opgevat als iets gevoeligs dat ons de tranen in de ogen brengt. Door zo'n opvatting zouden we, als we niet tot tranen toe geroerd zijn, kunnen gaan denken dat we niet voldeden aan een noodzakelijke voorwaarde voor het ontvangen van het biechtsacrament. Dat zou een jammerlijke vergissing zijn.

Sommigen menen dat het berouw zo iets is als de afschuw die een kind heftig de taartjes doet afwijzen, nadat het er ziek van geworden is. Er zijn immers gevallen waarin wij, na God beledigd te hebben, geen afschuw van de zonde in ons voelen opkomen, terwijl we het toch echt zouden wensen. Erger nog: na de zonde bedreven te hebben, gevoelen wij een nog sterkere neiging om te hervallen, want onze krachten om het goede te doen, verzwakken in zekere zin. Het leed om de zonde blijkt niet uit het feit dat deze, welke ze ook zijn, ons niet meer aantrekken, maar uit de vastbeslotenheid waarmee onze wil ze verafschuwt. Wie berouw heeft, zegt: Ik wou dat ik dat niet gedaan had. Wil het berouw geldig zijn, dan moet het bovendien in het bovennatuurlijk leven wortelen, want anders zou het in het natuurlijk vlak blijven steken, een heel ander dan dat van het leven van de genade. Dan zou de genade ons niet kunnen bereiken. Daarom moet het berouw op de een of andere wijze betrokken zijn op de Heer. Als het ten slotte niet op God gericht was, dan zou het berouw ons niet dichter brengen bij Hem die ons de vergeving schenkt. Wij zouden ons opsluiten binnen de enge grenzen van onze persoonlijke armoede, absoluut niet in staat de genade te verkrijgen die wij toch zozeer behoeven.

De motieven voor het berouw over onze zonden zijn vele, maar niet alle brengen ze ons in de gesteldheid om de genade te ontvangen door de biecht. Het is goed die motieven na te gaan, om niet in een dwaling te vervallen die God beledigt door een valse spijt, waardoor wij nog verder van Hem verwijderd zouden raken.

Er zijn drie soorten van spijt over de zonden. De eerste is die uit liefde. Die komt uit het hart: "de spijt uit liefde, omdat Hij goed is, omdat Hij onze vriend is en zijn leven voor ons gegeven heeft, omdat al het goede dat wij bezitten, van Hem is, omdat wij Hem beledigd hebt... omdat Hij ons vergiffenis heeft geschonken. ”Ween, mijn zoon, van verdriet, omdat je Hem bemint”. De tweede soort van spijt is die van vrees. Die komt voort uit de angst voor de rechtvaardige straf die we door onze zonden in het andere leven zouden verdienen. Die spijt is niet zo volmaakt en ook niet zo onzelfzuchtig als de vorige. Maar omdat dit toch gericht is op de Heer (ook ontstaat het contact door vrees), is ze voldoende om de genade van de vergiffenis te verkrijgen. Ten slotte is er een derde vorm van spijt, die met het bovennatuurlijk leven niets te maken heeft. Men zou die kunnen noemen: de spijt uit hoogmoed, omdat ze noch uit liefde tot God, noch uit vrees voor Hem voortkomt. Integendeel, ze komt voort uit de eigenliefde die zich bij het zien van de eigen onvolmaaktheid gekwetst voelt. Als wij deze teleurstelling over onszelf niet afwijzen, komen wij van kwaad tot erger. Trots blokkeert de weg terug naar God, want met zulk een spijt kunnen we niet waardig gaan biechten; ze verraadt een gesteltenis die niet Gods vergeving zoekt, maar zichzelf; trots is een ongeordend verlangen naar volmaaktheid.


Voornemen om zich te beteren

De spijt over onze fouten zou niet oprecht zijn zonder het voornemen ze niet opnieuw te bedrijven. Het moet duidelijk zijn dat er voor de goede en geldige biecht een essentiële voorwaarde bestaat: het voornemen om zich te beteren. Dit bestaat juist in het besluit van de wil niet opnieuw te zondigen. Maar dit besluit houdt niet de zekerheid in dat het inderdaad wordt uitgevoerd. Om goed te biechten is het echter niet noodzakelijk, de zekerheid te hebben dat men de Heer niet meer zal beledigen. Wel moet men bereid zijn de passende middelen te gebruiken om niet te hervallen.

Ons allen, zonder uitzondering, kan het overkomen dat we opnieuw zondigen, maar de vrees voor nieuwe fouten in de toekomst mag ons niet afhouden van het sacrament van de biecht, evenmin als de herstellende zieke de medicijnen achterwege mag laten.

Als de H. Petrus de Heer vraagt, hoe vaak hij moet vergeven, oppert hij als het toppunt van edelmoedigheid: "Zeven keer? En Jezus antwoordt hem: "Nee, Ik zeg u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal." God zegt ons dit, omdat ook Hij bereid is ons telkens te vergeven, als wij Hem er in de vereiste gesteltenis om vragen. Die vereiste gesteltenis is bewust. Wie niet wil hervallen, weet het, omdat hij vastbesloten is de gelegenheden tot zondigen te vermijden, dat is die omstandigheden in het leven die voor ons een gevaar zijn God opnieuw te beledigen. Wie blijft omgaan met vrienden van wie hij weet dat ze hem de genade Gods weer doen verliezen, vermijdt de naaste gelegenheid tot zondigen niet. Wie blijft doen wat hem de wet van de Heer deed vergeten, vermijdt de gelegenheid tot zondigen niet. Wie vertoningen bijwoont waarvan hij weet dat ze hem kwaad doen, vermijdt de naaste gelegenheid tot zondigen niet, evenmin als hij die blijft doorlezen in een boek dat bij hem slechte gedachten opwekt, waaraan hij gemakkelijk toegeeft. Misleiden wij onszelf niet: wie met de zonde wil breken, wendt ook de daartoe geëigende middelen aan. Een zieke die gezond wil worden, neemt zijn medicijnen in en volgt het dieet van de dokter. Doet hij dit niet, dan kan men niet zeggen dat hij weer echt gezond wil worden. "Maar ik wil niet zondigen, ik ben alleen maar zwak." Akkoord. Juist omdat wij zwak zijn, zijn we speciaal verplicht om de gelegenheid tot zondigen te vermijden.

Een eerlijk voornemen blijkt alleen uit de bereidheid om positief iets te gaan doen wat onze zwakheid sterk maakt. De middelen daartoe zijn: het gebed - "Bid om niet in de bekoring te gaan”, het dikwijls ontvangen van de H. Communie, en de devotie tot de H. Maagd. Hoe toch kunnen wij de bekoringen van zinnelijkheid, luiheid, egoïsme enz. overwinnen, als we niet onze toevlucht nemen tot de Heer en zijn Moeder, om van hen de noodzakelijke kracht te krijgen?

Pater M. Kromann Knudsen FSSP, pastoor

(Dit artikel is eerder gepubliceerd in de vastentijd van 2015)

16 april 2019

Notre Dame de Paris getroffen door uitslaande brand



Je vous salue, Marie, pleine de grâces;
le Seigneur est avec vous.
Vous êtes bénie entre toutes les femmes et Jésus,
le fruit de vos entrailles, est béni.
Sainte Marie, Mère de Dieu,
priez pour nous, pauvres pécheurs,
maintenant et à l'heure de notre mort.
Amen.

14 april 2019

Foto's Palmzondag


Hebt u ook foto's of video's gemaakt
van plechtigheden in onze kerk?
Mogen die eventueel gepubliceerd worden?
Mail uw bestanden dan naar:
foto@agneskerk.org.

Vexilla Regis

Des konings vaandels gaan vooraan,
't geheim des kruises grijpt ons aan,
dat op het schandhout uitgespreid
de Schepper als een schepsel lijdt.

Het harde ijzer van de speer
stak in de zijde van de Heer,
opdat het water en het bloed
ons reinigde in overvloed.

Wat David in zijn vrome lied
voorspeld heeft, dat is nu geschied.
Hij heeft de volkeren geleerd
dat God vanaf het hout regeert.

O kruis, u groet ik, want gij zijt
mijn hoop in deze lijdenstijd.
Geef vrolijkheid wie U vertrouwt,
genade wie zijn kwaad berouwt.

U brenge al wat leeft de eer,
Drievuldigheid, o ene Heer,
Die ons door 't kruisgeheim bevrijdt,
regeer ons tot in eeuwigheid.


(Vertaling: J.W. Schulte Nordholt)

13 april 2019

De deugd der boetedoening

Keert tot Mij terug, van ganser harte, met vasten, met geween en met rouwklacht. Scheurt uw hart en niet uw kleren. (Joël 2, 12)

Deze woorden hoorden wij op Aswoensdag in de lezing genomen uit het boek van de profeet Joël. Deze oproep tot boetedoening blijft heel de vastentijd voortduren. En dat is goed, want we moeten ons voorbereiden op het Paasfeest, en daartoe wedergeboren worden met de verrezen Heer. Pasen is het moment bij uitstek waarop Christus ons Zijn genade schenkt. De Vastentijd is tegelijkertijd een voorbereiding op het Paasfeest en het begin van het Paasmysterie. Opdat deze voorbereidingstijd vruchten zou dragen moet deze in het teken staan van boetedoening en innerlijke bekering. Laten we hier wat dieper ingaan op het thema boetedoening.

Het woord boetedoening of penitentie heeft een dubbele betekenis. We kunnen boetedoening beschouwen als een deugd en als een sacrament (in dit artikel beschouwen we de boetedoening als een deugd). Wij kunnen deze definiëren als een bovennatuurlijke deugd die ons ertoe aanspoort onze zonden te verwerpen in het licht van wat het geloof ons leert, te proberen om God niet langer te mishagen, en alles weer goed te maken. In deze betekenis wordt boetedoening synoniem met berouw. Deze definitie heeft diverse aspecten.

In de eerste plaats is boetedoening de pijn en de afkeer van de begane zonden. In het licht van ons geloof onderkennen wij onze zonden en voelen wij deze als pijnlijk aan. Wij onderzoeken onze houding en worden ons ervan bewust dat wij God hebben mishaagd met onze daden. Zij vormen een hindernis op onze weg naar Hem. En dit veroorzaakt zielepijn. Hier moet men opletten: het kan gebeuren dat men berouw voelt om verschillende redenen. Er wordt gezegd dat iemand iets berouwt wanneer iets wat hij vroeger als aangenaam heeft ervaren nu opeens vervelend lijkt, het maakt niet uit of het om iets goeds of slechts gaat. Dit is het berouw van degenen die de droefheid van deze wereld ervaren, en niet die van God. Een ander soort berouw is dat wat we ervaren omwille van onszelf, niet omwille van God, nadat we iets fout hebben gedaan (en waarvan we nooit hadden gedacht dat we het ooit zouden doen). En tenslotte is er ook nog het soort berouw dat niet beperkt blijft tot eerlijke en diepe spijt over datgene wat we hebben misdaan, ook niet tot de uiterlijke tekenen van deze spijt, maar dat hoofdzakelijk of enkel en alleen voortspruit uit het besef dat we God hebben mishaagd. Er is dus een groot verschil tussen deze drie vormen van berouw. De eerste is een gebrek, de tweede is enkel de smart van een onrustige en verwarde ziel. De derde vorm is de vrucht van de deugd der boetedoening.

Soms gebeurt het dat iemand berouw voelt dat niet in verhouding staat tot de begane zonden. Bij anderen heerst zo’n grote verslagenheid dat zij om hun heil beginnen te vrezen. Dat was zeker het geval bij Judas, die zich ophing toen hij zag wat hij had aangericht. De deugd der boetedoening helpt ons om met onze pijn te kunnen omgaan.

Maar als onze pijn echt is, dan volgt daarop het vaste voornemen om niet meer te zondigen en alles weer goed te maken. Zo heeft boetedoening een dubbel impact: op het verleden, met het berouw en de afkeuring van de begane fout; op de toekomst, met het vaste voornemen om niet terug te vallen in dezelfde fouten en recht te doen aan God Die werd mishaagd. Als één van beiden ontbreekt kunnen we niet spreken over de echte deugd der boetedoening. Immers, als iemand zijn fouten niet goed wil maken, kan er dan sprake zijn van echt berouw?

De draagwijdte van het voornemen is hierbij van het grootste belang. De deugd der boetedoening stoelt op een diep berouw in het hart. Deze innerlijke toestand is onontbeerlijk voor een goed resultaat van het uiterlijke. Wij hebben vanuit het diepste van ons hart besloten om weer naar God terug te keren en wij zijn vastbesloten om onze slechte gewoontes de rug toe te draaien en ons leven te veranderen. Tegelijkertijd moeten wij hopen dat God ons zal vergeven, dat Hij ons Zijn barmhartigheid zal schenken, en de genade die wij nodig hebben om ons voornemen ten uitvoer te brengen. Onze wil blijft sterk, hoewel wij weten dat wij zwakke mensen zijn.

De vastbeslotenheid om God niet langer te mishagen volstaat echter niet. Een goede en berouwvolle christen zal ook zijn fouten weer goed willen maken (en hier gaat het niet alleen om de penitentie die bij de biecht wordt opgelegd). Een echt berouwvolle zondaar wil zijn zonden uitwissen en zijn bezoedelde ziel weer rein maken. Omwille van zijn begane zonden wil hij God weer ter wille zijn. En daarbij gaat het om gerechtigheid. Hoewel er tussen God en de mensen niet echt een strikte en strenge vorm van gerechtigheid kan bestaan door het feit dat zij door de oneindigheid van elkaar gescheiden zijn, is er toch een soort verhouding die men kan vergelijken met de gerechtigheid tussen een vader en zijn kinderen, tussen een meester en zijn dienaren.

Ook volgens de grote theologen (H. Thomas van Aquino, H. Alfons) is de boetedoening een deugd, een bereidheid van de ziel. En het Concilie van Trente bevestigt de bovennatuurlijke aard van de boetedoening (het is in het licht van de Heilige Geest dat wij onze zonden kunnen zien en wij ertoe bewogen worden om berouw te tonen).


Gelijkenissen en verschillen tussen de deugd en het sacrament

De deugd en het sacrament van de Boetedoening lijken heel erg op elkaar. Dat blijkt duidelijk uit het voorwerp en de doelstelling ervan. De Boetedoening – als deugd of als sacrament – heeft altijd de begane zonde als voorwerp en heeft altijd tot doel om vergiffenis te vragen aan God, Die wij hebben mishaagd en Wiens gerechtigheid wij weer in ere willen herstellen. En voor beide geldt de afkeer van de zonden en het vaste voornemen om de fouten te herstellen.

De deugd en het sacrament van de Boetedoening verschillen in diverse opzichten. In de eerste plaats door hun ouderdom. De deugd der boetedoening is van alle tijden. Het bestond reeds bij de Joden (David deed boete voor zijn misdaden; de profeet Jonas predikte boetedoening aan de inwoners van Ninive). Vóór de geboorte van Christus was de deugd der boetedoening het enige middel om vergeving te verkrijgen voor begane zonden. Het sacrament van de Boetedoening werd ingesteld door Onze Heer.

Beide verschillen ook in hun noodzakelijkheid. De deugd der boetedoening is noodzakelijk voor al diegenen die een zware fout hebben begaan: alle zondaars, ongeacht hun godsdienst, moeten berouw tonen en boete doen voor hun zonden. Het sacrament van de boetedoening is een regel die alleen geldt voor de christenen. En tot slot zijn beiden ook verschillend van aard. Terwijl de deugd der boetedoening innerlijk is, en een schuldbelijdenis tegenover God vereist, is het sacrament van de Boetedoening een uiterlijk teken: de biecht in aanwezigheid van een priester.

De Vastentijd roept ons heel in het bijzonder op tot boetedoening. Deze deugd moeten we echter heel ons leven lang beoefenen. De wijze waarop de deugd der boetedoening ons leven verandert, en een radicale ommekeer betekent voor ons, christenen, moet steeds meer tot uiting komen in de innerlijke bereidheid van onze ziel en onze uiterlijke daden. Het is belangrijk dat we ons daarvan bewust zijn.

Pater A. Komorowski FSSP

(Dit artikel is eerder gepubliceerd in de vastentijd van 2010)

11 april 2019

Programma Sint-Nicolaasacademie op zaterdag 13 april 2019

Op zaterdag 13 april houdt Hugo Bos, manager van Civitas Christiana, voor de Sint-Nicolaasacademie een lezing met de titel 'De homolobby verslaan'. Hij voert onder meer campagne tegen vulgaire reclames en indoctrinatie met genderideologie in schoolboeken.

De lezing vindt deze maand - eenmalig - niet plaats op de derde zaterdag (Paaszaterdag) maar op de tweede zaterdag van de maand.

Voorafgaand aan de lezing is er om 10.00 uur een gelezen heilige Mis in de kerk.

Zie: De website van de academie.

8 april 2019

Vastenactie 2019

Ook dit jaar wordt de Vastenactie in onze parochie gehouden voor Christian Solidarity International, een hulporganisatie die zich onder andere vanuit München (Duitsland) inzet voor de heropbouw van christelijke gemeenschappen in de door islamitische terreur verwoeste oude apostolische kerken in het Midden-Oosten. De Duitse tak van deze organisatie staat onder leiding van pater Peter Fuchs FSSP.

U kunt uw bijdrage storten op bankrekening

NL48 ABNA 0589 9700 89

ten name van parochie H. Jozef te Amsterdam, onder vermelding van 'Vastenactie 2019', of deponeren in de speciale ronde bus achter in de kerk. Bij voorbaat hartelijk dank!

7 april 2019

Passiezondag

De passie van Christus.

Epistel
Hebr. 9, 11-15
Broeders, Christus is opgetreden als Hogepriester van de goederen der toekomst. En door een grotere en volmaaktere tabernakeltent – niet met handen gemaakt en niet van deze schepping – is Hij, niet met bloed van bokken of kalveren, maar met Zijn eigen Bloed, eens en voor altijd binnengaan in het Heiligdom, en heeft eeuwiggeldende verlossing bewerkt. Want als het bloed van bokken en stieren, en de besprenkeling met de as van een koe onreinen kan heiligen, zodat zij uiterlijk gereinigd worden, hoeveel te meer zal dan het Bloed van Christus, Die door de Heilige Geest Zichzelf als smetteloos offer aan God heeft opgedragen, ons geweten van dode werken zuiveren, om voortaan de levende God te dienen. En juist daarom is Hij Middelaar van een Nieuw Verbond, opdat door tussenkomst van Zijn dood de overtredingen, onder het vroegere Verbond bedreven, zouden worden afgekocht, en zij, die geroepen zijn, de belofte van de eeuwige erfenis zouden ontvangen, in Christus Jezus, onze Heer.

Evangelie
Joh. 8, 46-59
In die tijd sprak Jezus tot de scharen der joden: Wie uwer kan Mij enige zonde bewijzen? Als Ik u de waarheid zeg, waarom gelooft gij Mij dan niet? Iemand, die uit God is, luistert naar Gods woorden. Dáárom luistert gij niet, omdat gij niet uit God zijt. De joden gaven Hem ten antwoord: Zeggen wij niet met recht, dat Gij een Samaritaan zijt en van de duivel zijt bezeten? Jezus antwoordde: Ik ben niet van de duivel bezeten, maar Ik verheerlijk Mijn Vader; en gij tast Mij in Mijn eer aan. Ik echter zoek Mijn eer niet; Eén is er, die ze zoekt en die oordeelt. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie Mijn woord onderhoudt, zal de dood niet zien in eeuwigheid. Toen zeiden de joden: Nu weten wij zeker, dat Gij van de duivel bezeten zijt! Abraham is gestorven en ook de profeten, en Gij zegt: wie Mijn woord onderhoudt, zal de dood niet sterven in eeuwigheid. Zijt Gij dan groter dan onze vader Abraham, die wèl gestorven is! Ook de profeten zijn gestorven. Voor wie houdt Gij Uzelf toch wel? Jezus antwoordde: Indien Ik Mijzelf verheerlijk, dan betekent Mijn heerlijkheid niets; het is Mijn Vader, Die Mij verheerlijkt: Hij, van Wie gij zegt, dat Hij uw God is; maar gij kent Hem niet! Ik echter ken Hem. En als Ik zei, dat Ik Hem niet kende, dan zou Ik een leugenaar zijn, zoals gij. Maar Ik ken Hem, en Ik onderhoud Zijn woord. Uw vader Abraham verheugde zich er op Mijn dag te mogen zien; hij heeft die gezien en zich verblijd. Doch de joden zeiden tot Hem: Gij zijt nog geen vijftig jaar oud, en Gij hebt Abraham gezien? Jezus gaf hun ten antwoord: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Vóórdat Abraham werd, ben Ik. Toen grepen zij stenen op, om Hem te stenigen; maar Jezus trok Zich terug, en verliet de tempel.

Overweging
Over het gehele leven van Christus op aarde hangt de schaduw van de passie. Vanaf de geboorte te Bethlehem, door het leven te Nazareth en door Zijn openbaar leven – de schaduw van het kruis was overal aanwezig. Het kruis staat in het middelpunt van het leven van Jezus Christus en het lijden is het hoogtepunt van het werk dat Hij hier op aarde is komen volbrengen. Het bloed van de stieren en bokken was niet voldoende om de verloren mensheid met God te verzoenen. God wilde een volmaakt offer – een offer van Zijn eigen Zoon, op het kruis.

De eerste grote stap naar het kruis toe heeft de Zoon van God gedaan in Zijn menswording. Deze stap van de hemel omlaag naar de aarde, uit Zijn gestalte van God in die van de knecht, was een veel grotere stap dan Zijn laatste schreden naar Golgotha. En deze stap zette Hij in volledige en bewuste belijdenis van het kruis. Over Christus zegt de psalmist: ”slachtoffer noch gave hebt Gij gewild, maar een lichaam hebt Gij Mij bereid”. Het offer van Christus begint al in de stal, omdat er geen plaats voor Hem in de herberg was. De zijnen aanvaardden Hem niet. De zijnen haatten Hem al en vervolgden Hem en Hij moest voor hen vluchten en Zich verbergen. Hij vernederde Zich onder hun wetten en onder de behoeften van Zijn aangenomen menselijke natuur.

En nu treden wij de laatste momenten van het lijden binnen. Hoe zouden we de gevoelens van Jezus’ heilig Hart in deze dagen kunnen uitdrukken? Alle afschuwelijke lichamelijke en psychische pijnen en smarten stonden Hem voor ogen. De ondankbaarheid van de mensen, de ontrouw van Zijn leerlingen, de onuitsprekelijke smarten van Zijn Moeder – dat alles heeft Zijn heilige Ziel moeten verduren. En dat alles uit liefde.

De goddelijke Verlosser, Die zo vastberaden op Zijn lijden afgaat, Die al onze zonden op Zich neemt, lijdt door onze ondankbaarheid. Toen Hij aan het kruis hing, zag Hij allen, die het uur waarop Gods genade hen bezoekt niet erkennen. Hij zag alle mensen van alle tijden, die Zijn heil niet willen ontvangen. Is het niet schokkend, dat er zo veel mensen zijn die de Zoon van God afwijzen, terwijl Hij zonder klagen of verwijten bereid is Zich voor hen te laten slachtofferen? Dat er zo veel mensen tussen staan die onverschillig en koud, en misschien zelfs vervuld van haat, Zijn kruis aanstaren en niet willen begrijpen dat het om hen gaat, om hun heil of onheil, om hun leven of dood, hun hemel of hel?

Dit is wat het kruis van ons eist: oriëntering van heel ons wezen op God. Wanneer dat niet de vrucht van dit uur en van deze grote heilige weken zal zijn, dan heeft de goddelijke Verlosser ook ons gezien onder hen die Zijn lijden afwijzen. De belangrijkste taak, die we in ons leven te vervullen hebben, luidt: we moeten offers worden, altijd en overal onszelf overgeven aan God, Hem de eerste plaats geven, Hem in het middelpunt van ons leven plaatsen bij iedere gedachte, bij elk woord, bij iedere beslissing. Dat deze heilige passietijd ons allen een stap dieper mag binnenvoeren in het begrip en in de navolging van de totale overgave van Christus.