Sint-Agneskerk Amsterdam

Gezamenlijke website van de parochies H. Agnes en H. Jozef, beide gevestigd in de Sint-Agneskerk, centrum voor de traditionele Latijnse liturgie

Vandaag in de Agneskerk

De kalender is bijgewerkt tot en met 31 juli 2021, onder voorbehoud van wijzigingen.

27 juli 2021

27 juli: Heilige Pantaleon, martelaar

Pantaleon was het kind van een christelijke moeder en een heidense vader. Zijn vader bekeerde zich nadat Pantaleon een blinde genas door Jezus aan te roepen. Op basis van zijn genezende gave werd hij in dienst genomen als lijfarts door keizer Maximianus.

Toen Pantaleon de vrouw van de keizer tot het christendom trachtte te bekeren, werd hij gevangengenomen en aangeklaagd. Ondanks martelingen bleef hij standvastig. Bij een poging hem te onthoofden werd zijn schedel gespleten maar vloeide er geen bloed maar melk uit de wond.

Pantaleon wordt als martelaar vereerd. Hij is een van de veertien helpers in nood. De anderen zijn Achatius, Barbara, Blasius, Catharina, Christoffel, Cyriacus, Dionysius, Egidius, Erasmus, Eustachius, Joris, Margaretha en Vitus.

Hij is patroon van de Duitse stad Keulen en de Portugese stad Oporto. Hij is beschermheilige van artsen, chirurgen en apothekers, van kraamverzorgsters, vroedvrouwen, bakers en minnen (waarschijnlijk vanwege de melk die vloeide bij zijn onthoofding), en ook van huisdieren. Zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen hoofdpijnen, tuberculose, vermagering en vereenzaming, tegen sprinkhanenplagen en allerlei veeziekten.

In het oosten, waar hij behoort tot de grote heiligen, wordt hij afgebeeld als jonge man zonder baard; vaak met het kruis van zijn martelaarschap in de hand. In het westen ziet men hem meestal in de houding van zijn martelaarschap: vastgebonden aan een olijf- of palmboom met beide handen boven op zijn hoofd vastgespijkerd, of met zijn definitieve martelwerktuig: de bijl.

26 juli 2021

26 juli: Heilige Anna, moeder van de heilige maagd Maria

Volgens de overlevering is Anna de moeder van Jezus' moeder, Maria. Zij was gehuwd met Joachim. Het waren vrome joden, die hun leven lieten leiden door de liefde tot God. Met alle grote feesten begaf Joachim zich naar de tempel om daar een offer aan God op te dragen. Verdrietig was alleen dat ze geen kinderen hadden. Herhaaldelijk hadden ze God erom gesmeekt, en ze beloofden erbij dat ze het kind aan God zouden toewijden, zodat Hij erover kon beschikken, maar zonder resultaat. Intussen waren ze al oud geworden.

Bij gelegenheid van het feest van de tempelwijding trok Joachim met een paar familieleden naar de tempel om een offer op te dragen. Anna bleef thuis. Maar toen de hogepriester hem tussen de andere joden in zag staan, sprak hij smalend: "Hoe durf jij, Joachim, tussen al die anderen te gaan staan? God heeft je immers gestraft door je geen kinderen te geven. En dacht je dan dat Hij je offer zou aannemen? Zorg eerst maar dat die schande van jou uit ons midden wordt weggenomen, dan mag je terugkomen om weer te offeren."

Beschaamd maakte Joachim zich uit de voeten. Hij durfde ook niet meer naar huis, bang dat hij daar met de vinger zou worden nagewezen. Hij verborg zich tussen de herders van Bethlehem. Daar verscheen hem een engel die hem aankondigde dat hij een kind zou krijgen: een meisje dat hij Maria moest noemen. En geef haar aan God, zoals je beloofd hebt. Ga naar Jeruzalem; daar zul je je vrouw Anna tegenkomen. Ze maakt zich erg bezorgd om je. Je zult haar treffen bij de Gouden Poort.

Zo ging de engel ook naar Anna. Haar verkondigde hij dezelfde vreugdevolle boodschap. Ook zij begaf zich op weg. Bij de Gouden Poort werd het een aandoenlijk weerzien. Die ontmoeting geldt als het moment, waarop Anna van Maria in verwachting raakte.

Zij is patrones van Sint-Anna, Sint-Annaland (Tholen) en Sint-Annaparochie (Het Bildt, Friesland). Er zijn nog Sint-Annakerken of -kapellen in Amstelveen, Amsterdam, Augsbuurt, Bergharen, Best (kapel), Boxtel (kapel), Breda (kapel), Gersloot, Hantumhuizen, Heerlen, Helmond, Herpen-Koolwijk (bedevaartkapel), 's-Hertogenbosch, Maastricht, Molenschot (bedevaartkerk: hier bidden meisjes die op bedevaart komen: 'Sinte-Anneke, geef me een manneke'), Nijmegen (tezamen met St-Antonius), Oudenbosch (kapel), Rosmalen, Rotterdam (kapel tezamen met Joachim), Sint-Annaparochie, Spaubeek (kapel), Tilburg, Yerseke.

Zij is beschermheilige van echtelieden, aanstaande moeders, zwangere vrouwen en vrouwen die moeilijk zwanger raken, bakers, voedsters, huismoeders (moeders en huisvrouwen) en weduwen; van onderwijzeressen (omdat zij haar dochter Maria bidden en lezen leerde); van huishoudelijke beroepen als wevers, borduursters, kantwerkmakers, kantwerksters, kleermakers, kousenmakers en naaisters; van dienstvaardige beroepen als huishoudsters, huishoudelijk personeel, dienstpersoneel, slippendragers van kardinalen, stalknechten, arbeidsters, thuisarbeidsters; en vandaar ook van arme standen; van beroepen die verwant zijn aan de huishoudelijke: hooiers, bezembinders, touwslagers; van kunstvaardige beroepen als timmerlieden, houtbewerkers, houtdraaiers, kastenmakers, schrijnwerkers en kunstschrijnwerkers; van goudsmeden; van molenaars, mijnwerkers en marskramers; van scheepslui, schippers en zeelieden (heeft waarschijnlijk te maken met de bretonners); en tenslotte van de brandweer.

Daarnaast wordt zij aangeroepen ook aangeroepen voor een goed huwelijk en echtelijke vruchtbaarheid en tegen onvruchtbaarheid; voor succes en geluk tijdens de zwangerschap en tegen een moeilijke zwangerschap; voor een voorspoedige bevalling; tegen bedplassen; verder tegen ziekten en kwalen als borstpijn, buikpijn, fijt, hoofdpijn, huiduitslag, kiespijn, koorts, koortsige ziekten, oogziekten, pest, en zweren; bovendien voor een rijke hooioogst; voor het terugvinden van verloren of gestolen goederen; ze beschermt de mijnbouw; aangeroepen tegen oorlog.

Sint Anna wordt afgebeeld met Maria en kleinkind Jezus (Anna te Drieën of Annatrits); soms met haar hele familie (tot achtentwintig personen); in groene (hoop) of rode mantel (liefde); met een of meer boeken; haar kind onderwijzend; de Bijbel lezend.

Gabriël Smit schreef een rijmpje over de ouders van de heilige Maagd:

Zie Joachim en Anna beiden
Maria’s ouders, vroom en wijs,
in liefde, door geen dood te scheiden
tot in Gods eeuwig Paradijs.
En leer hoe liefde samenbindt
wie door Maria wordt bemind.

25 juli 2021

Ewiger Sturm - Dresden (Terre de France)

Negende zondag na Pinksteren

Jezus weent over Jeruzalem.

Epistel
1 Kor. 10, 6-13
Broeders, laten wij geen begeerten koesteren naar het kwade, zoals zij (de Israëlieten) dat hebben gedaan. Wordt dus geen afgodendienaars, zoals sommigen van hen; er staat immers geschreven: “Het volk zette zich neer om te eten en te drinken, en zij stonden op om te spelen.” Laten wij ook geen onkuisheid bedrijven, zoals sommigen van hen zich overgaven aan ontucht; en op één dag vielen er drieëntwintigduizend. En laten wij Christus niet tergen, zoals sommigen van hen dat hebben gedaan; en zij kwamen om door de slangen. En wilt ook niet morren, zoals sommigen van hen dat deden; en zij kwamen om door de verderfengel. Dit alles nu is hun overkomen bij wijze van voorbeeld, en het werd opgeschreven als een waarschuwing voor ons, die het einde der tijden beleven. Daarom – wie meent, dat hij staat, laat hij toezien, dat hij niet valt. Geen beproeving moge u aangrijpen, die niet menselijk is; doch – God is getrouw, en Hij zal niet toelaten, dat gij beproefd wordt boven uw krachten; maar met de beproeving zal Hij ook uitkomst geven, om ze te kunnen doorstaan.

Evangelie
Lc. 19, 41-47
In die tijd, toen Jezus in de nabijheid van Jeruzalem kwam en de stad daar voor Zich zag liggen, weende Hij over haar en sprak: Ach, mocht ook gij, tenminste op deze uwe dag, nog inzien, wat u tot vrede strekt! Maar thans is dat voor uw ogen verborgen. Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden u met een stormwal zullen omringen, u zullen omsingelen en van alle kanten in het nauw brengen; en zij zullen u en uw kinderen binnen uw muren ter aarde neerslaan; en zij zullen bij u geen steen op de ander laten, omdat gij uw tijd van genade niet hebt erkend. En Hij ging de tempel binnen en begon de kopers en verkopers, die daar waren, uit te drijven met de woorden: Er staat geschreven: “Mijn huis is een huis van gebed”; maar gij hebt er een rovershol van gemaakt! En iedere dag gaf Hij onderricht in de tempel.

Overweging
In het Evangelie van vandaag beweent de Heer de stad Jeruzalem, hoofdstad van Zijn aardse vaderland, en zinnebeeld van ons hemelse Vaderland. De Heer beweent die prachtige stad met Gods tempel, omdat Hij het einde van die stad voorziet. Rond vijfendertig jaar na Zijn kruisdood zal Jeruzalem door het Romeinse leger worden verwoest. Het Romeinse leger zal inderdaad de stad omsingelen, de inwoners neerslaan, en geen steen op de andere laten. Gods aardse verblijfplaats van het oude verbond, de tempel, zal vernietigd worden en blijven tot het einde der tijden. Want een nieuwe godsdienst zal komen in plaats van de oude. Men zal niet meer in de joodse tempel met dieroffers God aanbidden, maar overal ter wereld zal men God aanbidden, in de geest en in de waarheid, dat wil zeggen in de genade van de Heilige Geest en in de Waarheid van Jezus Christus. Met de vernietiging van de joodse tempel zal een onherroepelijk einde aan de oude godsdienst komen, want op het Kruis zal het ware Lam Gods opgedragen worden, een Offer van eeuwige waarde, en zo zullen de menigvuldige tijdelijke offers van de joden en heidenen hun betekenis en zin voorgoed kwijtraken. De profeet Malachias voorzag dat er een dag zou komen, wanneer "ter ere van God een zuiver offer onder de volkeren opgedragen zal worden van zonsopgang tot zonsondergang" en dat zuiver Offer is onze heilige Mis, de onbloedige tegenwoordigstelling van het bloedige Kruisoffer.

Als mens heeft Christus Zijn aardse vaderland en Zijn volk lief. Als mens spijt het Hem dat de aardse staat waarvan hij onderdaan is, na één geslacht de laatste schijn van zijn onafhankelijkheid zal verliezen en voorgoed ten onder zal gaan. Als mens beweent Hij de val van het centrum van de godsdienst en cultuur van Zijn aardse volk. De gevoelens van onze Zaligmaker zijn oprecht en edel en een schitterend voorbeeld voor ons, dat ook wij ons aardse vaderland en volk beminnen zoals Hij. Maar tegelijkertijd als God kan Hij het einde van Zijn geliefde stad en tempel voorzien. Als God weet onze Heer dat aan iedere aardse stad, volk en tempel een einde zal komen. Alleen het hemelse Vaderland, alleen het hemelse volk, alleen de hemelse tempel zullen voor eeuwig blijven bestaan. Door het vergaande aardse vaderland te beminnen, leren wij naar het eeuwige hemelse Vaderland te verlangen.

In het slot van het Evangelie van vandaag wordt ons een kant getoond van onze Heer die wij zelden zien: woede. De woede van Christus is gerechtvaardigd, want die is de vrucht van heilige ijver voor Gods tempel en de juiste reactie op de heiligschennis die daarin gepleegd wordt. De kopers en verkopers hebben een geoorloofde reden om in de tempel te zijn. Zij zijn bezig met het kopen en verkopen van dieren voor de verplichte tempeloffers. Maar de handel moet niet in de tempel plaatsvinden, maar in de voorhof. En nog erger, de verkopers maken er een zwendel, een oplichterij van, door te veel te vragen voor de offerdieren. Niet voor niets noemt Christus hen 'rovers'. De Heer drijft de kopers en verkopers uit de tempel met de woorden: Mijn huis is een huis van gebed, maar gij hebt er een rovershol van gemaakt!

Als Christus zo'n heilige ijver had voor de tempel te Jeruzalem, hoe veel meer ijver zouden wij moeten voelen en tonen voor de kerk, voor het altaar, voor het tabernakel: de ware woonplaats van Jezus Christus op aarde!? De tempel te Jeruzalem was maar een voorafbeelding van ons kerkgebouw. De tempeldienst was maar een voorafbeelding van onze heilige Mis; het allerheiligste in de tempel was maar een voorafbeelding van ons tabernakel, dat het Ware Allerheiligste bevat: het Lichaam, het Bloed, de Ziel en de Godheid van onze Heer Jezus Christus, Die de tempel van Zijn menselijk lichaam binnen drie dagen waarlijk deed herrijzen.

Laten wij katholieken - die de ware godsdienst belijden - maar een klein beetje bezitten van die heilige ijver die onze Heer voor de tempel van het oude verbond toonde. Laten wij altijd met eerbied en bewondering Gods kerk binnentreden en de heilige geheimen van het altaar zo vereren dat wij de vrucht van de verlossing steeds in ons gevoelen. Laten wij zelf nooit vergeten - en anderen ook niet laten vergeten - dat het huis van God een huis van gebed is.

23 juli 2021

23 juli: Heilige Apollinaris, bisschop en martelaar

Apollinaris is waarschijnlijk nog in de Syrische stad Antiochië leerling geworden van de apostel Petrus. Zoals wij in de Handelingen van de Apostelen (11, 26) kunnen lezen, was Antiochië de stad waar Jezus’ volgelingen voor het eerst ‘christenen’ werden genoemd. Hij heeft Petrus vergezeld op zijn missiereis die hem uiteindelijk in Rome zou brengen. Vandaar heeft Petrus hem zelf aangesteld tot bisschop van de stad Ravenna met de opdracht in die omgeving het Evangelie te verkondigen.

Om te beginnen genas hij de zoon van zijn gastheer van blindheid. Van dat moment af werd hij steeds omringd door een kring luisteraars die benieuwd waren naar wat hij te vertellen had. Zo maakte hij bekeringen en doopte nieuwe gelovigen. Tenslotte ging dit alles keizer Vespasianus (69-79) te ver. Hij liet hem arresteren en martelen; uiteindelijk werd hij doodgeknuppeld.

In 549 werd zijn stoffelijk overschot verhoogd tot de eer der altaren, destijds een officiële heiligverklaring. Hij staat in biddende houding (armen gespreid: 'orante') in mozaïek afgebeeld in de apsis van de basiliek Sant’ Apollinare in Classe te Ravenna uit de zesde eeuw. Sinds de 13e eeuw heeft de Lambertikerk in de Duitse stad Düsseldorf een belangrijke Apollinarisreliek.

In het Romeinse Martyrologium wordt Apollinaris beschreven als 'een bisschop die, volgens de traditie, terwijl hij de diepe rijkdom van Christus verspreidde onder de volkeren, zijn kudde leidde als een goede herder en de Kerk van Classis, nabij Ravenna, vereerde met een glorierijk martelaarschap'.

22 juli 2021

22 juli: Heilige Maria Magdalena, boetelinge

Volgens de evangelist Lucas was Maria Magdalena een van de vrouwen in het gevolg van Jezus, die van boze geesten en ziekten verlost waren; uit haar waren zeven duivels weggegaan (Lc. 8,2-3; vgl. Mc. 16, 9). Zij behoort tot de twee of drie Maria's die toezagen hoe Jezus gekruisigd en begraven werd (Mt. 27, 55-56; Mc. 15,40-47). Jezus' dood en begrafenis waren vanwege de naderende sabbat zo snel verlopen, dat men geen tijd meer had gehad Hem door balseming de laatste eer te bewijzen. Vandaar dat op de vroege ochtend na de sabbat een aantal vrouwen terugging naar het graf om dat alsnog te doen. Onder hen bevond zich ook weer Maria Magdalena (Mt. 28, 1; Mc. 16, 1-9; Lc. 24, 10). Zij ontdekten dat het graf leeg was; er waren een of twee mannen, engelen van God, die hun zeiden, dat Jezus uit de doden was opgestaan en dat Hij hun voorging naar Galilea; daar zouden zij Hem zien. Dat moesten zij aan Zijn leerlingen doorgeven.

Johannes' versie van deze gebeurtenis wijkt enigszins af. De twee in het wit geklede engelen vroegen aan Maria, die zich voorover gebogen had om een blik in het graf te kunnen werpen: "Vrouw, waarom huilt u?"
Zij antwoordde: "Ze hebben mijn Heer weggenomen en ik weet niet, waar ze Hem hebben neergelegd." Toen zij dit gezegd had, keerde zij zich om en zag Jezus staan, maar zonder te weten dat het Jezus was. Jezus zei tot haar: "Vrouw, waarom huilt u? Wie zoekt u?" In de mening dat het de tuinman was, vroeg zij: "Heer, mocht u Hem hebben weggenomen, zeg mij dan waar u Hem hebt neergelegd, zodat ik Hem kan weghalen." Zij herkende Hem, toen Hij haar op Zijn karakteristieke manier bij haar naam noemde: "Maria!" (Joh. 20, 1-18).

In de Kerk wordt Maria Magdalena vereerd als een boetelinge wier radicaal veranderde leven de liefde en kracht van Jezus laat zien.

Zij is patrones van vrouwen in het algemeen, van scholieren en studenten, van ieder die in verleiding gebracht wordt, boetvaardige en berouwvolle zondaressen, penitenten en boetelingen, van kappers, kapsters en kammenmakers, van drogisten en zalfhandelaren, parfum- en poederfabrikanten, van kleermakers, schoen- en handschoenmakers en foedraalmakers, witleerlooiers en wolwevers, van hoveniers en tuinlieden, van pottenbakkers, van kuipers, wijnhandelaren en wijnbouwers, van waterdragers, van bergbewoners, van loodgieters, van kinderen die moeilijk leren lopen en van vele anderen.

19 juli 2021

19 juli: Heilige Vincentius a Paulo, belijder

Vincentius werd op 24 april 1581 geboren als derde in het eenvoudige gezin Depaul te Pouy bij Dax, dat sinds 1828 is omgedoopt in St-Vincent-de-Paul. In 1595 verliet hij het ouderlijk huis en ging inwonen bij mijnheer Comet, advocaat en rechter te Dax om te kunnen studeren op het college van de Cordeliers. Twee jaar later schreef hij zich in aan de universiteit van Toulouse als student theologie. Na veel doorzettingsvermogen en intense studie werd hij op 23 september van het jaar 1600 tot priester gewijd door de bisschop van Périgueux.

Tijdens een zeereis werd hij door Turkse zeerovers gevangengenomen, waarna hij twee jaar lang slaaf was in Tunis. Na zijn ontsnapping was hij van 1609 tot 1617 in dienst van Philippe de Gondi, hertog van Joigny, als leermeester van diens kinderen en biechtvader van zijn vrouw. Intussen werkte hij sinds 1612 als pastoor in Clichy, Parijs en op het platteland te Gannes aan de Somme en later te Châtillon-les-Dombes. Daar leerde hij de ware armoede kennen, zowel materieel als geestelijk, en besloot zich het lot van de armen aan te trekken; in augustus 1617 stichtte hij zijn eerste Broederschap van de Liefde (Confrérie de la Charité). Op 8 september 1619 werd hem opgedragen aalmoezenier te worden van de galeislaven in Parijs.

Vanaf 1620 preekte hij volksmissies op het platteland en stichtte geleidelijk aan steeds meer Broederschappen van de Liefde. Zo deed hij in 1621 de Bourgondische plaats Mâcon aan en stichtte er prompt een Broederschap van Saint-Charles ter ondersteuning van zieken en armen. Na twee weken verliet hij de stad weer, ongemerkt, om alle loftuitingen te voorkomen. Maar zijn werk droeg vrucht, want lange tijd daarna verzamelde men elke zondag drie- tot vierhonderd noodlijdenden in de plaatselijke St-Nizierkerk. Daar woonde men eerst de druk bezochte heilige Mis bij. Na afloop werden er onder de armen geld en goederen verdeeld.

Vincentius groeide intussen onder leiding van zijn ascetische leermeester kardinaal Pierre de Bérulle († 1629) en van Franciscus van Sales († 1622) uit tot een man van de naastenliefde.

Op 17 april 1625 stichtte hij met behulp van mevrouw De Gondi de Congregatie van de Missie (Congregatio Missionis), waarvan de leden Lazaristen worden genoemd naar hun moederhuis St-Lazare te Parijs. Hun doel was ziekenverpleging en missie. Na een gepreekte retraite voor priesterkandidaten in 1628 te Beauvais begon hij zich ook uitdrukkelijk bezig te houden met de priesteropleiding. Daarnaast stichtte hij op 29 november 1633 met Louise de Marillac († 1660) de Congregatie van de Filles de la Charité (Dochters van Liefde), de grootste zusterscongregatie van de katholieke Kerk, bekend vanwege de uitzonderlijk wijd uitstaande kappen.

In 1638 trok hij zich het lot aan van wezen en vondelingen en een jaar later stuurde hij zusters van de congregatie naar het ziekenhuis van Angers alsmede naar Lotharingen dat op dat moment geteisterd werd door de oorlog. In 1640 wendde hij zich persoonlijk tot kardinaal Richelieu om hem tot vrede te bewegen. Zo komt het dat hij werd benoemd tot lid van de Raad van Geweten (Conseil de Conscience) en dat hij koning Lodewijk XIII bijstond in zijn stervensuur († 1643). Gedachtig zijn gevangenneming van zo'n veertig jaar terug stuurde hij in 1646 missionarissen naar Tunis om zich het lot aan te trekken van christenslaven in dienst van moslims. Twee jaar later stuurde hij de eerste missionarissen naar Madagscar.

In 1649 wendde hij zich andermaal tot de grote politieke leiders, nu koningin Anna van Oostenrijk († 1666) en haar minister-president Mazarin († 1661) om te pleiten voor vrede. In 1651 organiseerde hij grote hulpcampagnes in Picardië, Champagne en Ile-de-France, die alle ernstig onder de oorlog te lijden hadden gehad. In datzelfde jaar vestigde zijn congregatie zich in Polen. Was zijn rechterhand Louise de Marillac op 15 maart 1660 gestorven, hijzelf overleed in datzelfde jaar op 27 september.

Reeds tijdens zijn leven waren zijn erbarmen en betrokkenheid bij het lot van wezen, zieke kinderen, gevallen vrouwen, armen, blinden en geesteszieken legendarisch. Hij organiseerde liefdadigheidswerk, stichtte weeshuizen en zette in Parijs grote gaarkeukens op.

'Monsieur Vincent' rust in het Moederhuis (Maison-Mère) van de Lazaristen te Parijs. Ook de kapel aan de Rue du Bac aldaar, waar zijn hart wordt bewaard, is nog altijd een bedevaartsoord. Hij werd heilig verklaard in 1737. Op hem zijn de Vincentiusverenigingen van liefdadigheid geïnspireerd.

Hij is patroon van de lazaristen en de vincenterinnen, van de clerus, van gevangenen, verwaarloosde jongeren en wezen; van de liefdadigheid, caritatieve verenigingen, van alle liefdadigheidsinstellingen en liefdewerken, van weeshuizen en ziekenhuizen. Zijn voorspraak wordt ingeroepen voor spirituele hulp en het terugvinden van verloren voorwerpen.
Hij wordt afgebeeld omringd door kinderen, armen, hulpbehoevenden en/of gevangenen.

18 juli 2021

Hymne van de Cherubijnen (Tchaikovsky)

Achtste zondag na Pinksteren

Epistel
Rom. 8, 12-17
Broeders, wij hebben wel verplichtingen, maar niet tegenover het vlees, dat wij naar het vlees zouden moeten leven, want als gij leeft naar het vlees, zult gij zeker sterven; maar als gij door de geest de werken van het vlees doet sterven, dan zult gij leven. Want allen, die door de Geest van God worden gedreven, dat zijn kinderen van God. Immers, gij hebt geen slavengeest ontvangen, om weer te leven in vrees; maar gij hebt een geest ontvangen, waardoor wij tot kinderen zijn aangenomen en roepen: Abba (Vader). Immers de Geest Zelf getuigt aan onze geest, dat wij kinderen van zijn van God. Maar zijn wij kinderen, dan ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus.

Evangelie
Lc. 16, 1-9
In die tijd hield Jezus Zijn leerlingen de volgende gelijkenis voor: Er was eens een rijk man, die een rentmeester had; en deze werd bij hem aangeklaagd, dat hij zijn goederen verkwistte. En hij liet hem roepen en zei tot hem: Wat hoor ik daar van u? Gij hebt verantwoording te doen van uw beheer; want gij kunt niet langer rentmeester blijven. Toen dacht de rentmeester bij zichzelf: Wat moet ik beginnen, nu mijn meester mij het rentmeesterschap afneemt? Spitten kan ik niet, en bedelen, daarvoor schaam ik mij! - Maar ik weet al, wat ik zal doen, opdat zij mij in huis zullen opnemen, wanneer ik als rentmeester ben afgezet. Hij liet dan de schuldenaars van zijn heer een voor een bij zich komen. En hij vroeg aan de eerste: hoeveel zijt gij aan mijn heer schuldig? En deze antwoordde: honderd vat olie. En hij sprak tot hem: Hier, neem uw schuldbekentenis, ga gauw zitten, en maak er vijftig van. Vervolgens vroeg hij aan een ander: En gij, hoeveel zijt gij schuldig? En deze antwoordde: honderd mud tarwe. En hij sprak tot hem: Hier, neem uw schuldbekentenis, en maak er tachtig van. En de eigenaar prees in de onrechtvaardige rentmeester, dat hij met overleg te werk was gegaan. Want inderdaad, de kinderen van deze wereld gaan onder elkander met meer overleg te werk dan de kinderen van het licht. Ook Ik zeg tot u: Maakt u vrienden door middel van de mammon, zo vol ongerechtigheid, opdat zij u bij uw sterven opnemen in de eeuwige woontenten.

Overweging
Het klinkt aanvankelijk nogal vreemd als de onrechtvaardige rentmeester wordt geprezen. Velen van ons kunnen moeite hebben met het Evangelie van vandaag. Wat bedoelt Jezus? Waarom prijst Hij zo’n onrechtvaardige rentmeester die eigenlijk alles doet wat God verboden heeft? Hoe kan dat? De meesten van ons zouden iets anders verwachten, namelijk dat Jezus op het einde zou zeggen dat alles wat deze man deed niet goed is en dat wij zo niet mogen handelen. Maar er staat iets anders: wij moeten net zo handelen als de onrechtvaardige rentmeester. Hij wordt ons als voorbeeld gesteld.

Jezus prijst de man hier echter niet omdat hij onrechtvaardig was, maar omdat hij slim was. Het gaat dus niet om de onrechtvaardige dingen, want die mogen wij niet doen en hierin mogen wij de rentmeester niet navolgen. Maar de slimheid waarmee hij handelt, wordt geprezen, het overleg en het denken aan de toekomst. Hierin hebben wij iets te leren – goed overleggen en nadenken over onze toekomst, waarheen wij gaan en hoe wij ons doel kunnen bereiken.

De kinderen van deze wereld denken alleen aan het tijdelijke: aan geld, macht en plezier. Daarnaar streven zij en dat doen zij planmatig en consequent. Zij maken een plan op en handelen ernaar zonder het einddoel van hun handelingen uit het oog te verliezen. Natuurlijk zijn voor de kinderen van deze wereld alle middelen acceptabel en nuttig. En ook de onrechtvaardige rentmeester handelt op die manier: zelfs fraude is goed genoeg om zijn gemakkelijke leventje voort te zetten.

Hoe anders is het met ons, met de kinderen van het licht!? Wij handelen in de dingen van het rijk Gods niet met overleg. Soms lijken wij op iemand die helemaal niet weet wat hij moet doen. Het is niet alleen een kwestie van gebrek aan goede wil; wij denken gewoon niet na. Wij gaan aan het werk zonder systeem, zonder plan. Misschien weten wij in theorie waarover het in het leven gaat, maar in de praktijk doen wij iets anders. Het geloof is niet alleen theorie; wij moeten er ook naar handelen. God is de Schepper van alles en de mens leeft in de orde van Zijn schepping. Zijn einddoel is het eeuwige leven met God. Om dat te bereiken moet hij leven volgens deze orde en mag hij dit doel nooit uit het oog verliezen. Wij moeten in het geestelijk leven ons verstand gebruiken, wij moeten vooruitzien en altijd de gevolgen van ons doen en laten berekenen. Wij moeten consequent en doelbewust handelen. Als de christenen de helft van het overleg en de energie die de mensen besteden aan hun vooruitgang in het tijdelijke zouden aanwenden om hun zelfzucht te overwinnen, hun naaste lief te hebben en God alleen te zoeken, dan zou de wereld er heel anders uitzien.

Soms beginnen wij met een of ander voornemen, dan laten wij dat liggen voor iets anders. Vaak werpen wij ons op onbelangrijke dingen en vergeten wij de hoofdzaak, namelijk Gods wil voor mij. Soms zien wij duidelijk in wat het zwaarste moet wegen: de liefde tot God, die ook zichtbaar moet worden in mijn gedrag tegenover de leer van Zijn Kerk, in het gebed, en in de zelfverloochening, maar dan verzuimen wij om er de consequenties uit te trekken. Zo zijn er veel mensen die zich actief voor de Kerk inzetten, maar op het gebied van het sacramentele leven zijn zij ver weg van de leer van onze Heer. Zij willen misschien veel voor hun naasten en voor de Kerk doen, maar zij negeren de waarheid en de eisen van het katholieke geloof. Alleen iemand die in volledige vrede met God leeft (dus in staat van genade) kan ook anderen tot God trekken.

Maar het is nog zichtbaarder hoe onachtzaam de kinderen van het licht handelen in het maatschappelijke leven. Hoe is het mogelijk dat in landen die nog steeds christelijk zijn (althans de meerderheid van de inwoners is christen) zo veel onchristelijke wetten en regels domineren? De goddelijke wetten worden verworpen, en allerlei onzin, die zelfs ingaat tegen de menselijke natuur en tegen de scheppingsorde, wordt niet alleen getolereerd maar ook gelijk gesteld. En dat alles vindt plaats met instemming van christenen, al is die slechts passief.

De kinderen van de duisternis weten hun verstand goed te gebruiken om hun doel te bereiken. Zo moet het ook met ons zijn. Wij moeten goed overleggen en vooruitzien en nooit het eeuwige leven uit het oog verliezen. Zorgen wij ervoor dat wij planmatig handelen in de zaken van het rijk Gods; door het sacramentele leven, door het gebed en door zelfverloochening komen wij steeds dichter bij ons einddoel. Alleen dan laten wij ons niet overwinnen door deze wereld en haar kinderen.

16 juli 2021

16 juli: Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel

Het feest van Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel werd ingesteld in het jaar 1726. Het gedenkt de dag waarop de heilige Simon Stock, de eerste generale overste van de Karmelietenorde, een verschijning kreeg van Onze Lieve Vrouw op 16 juli 1251. Maria beloofde bijzondere zegen voor allen die in de loop der eeuwen haar scapulier zouden dragen. De Kerk heeft plechtig en herhaaldelijk deze Mariadevotie, ontstaan in Engeland, goedgekeurd, zodat de pausen aan allen die het scapulier dragen talrijke geestelijke voorrechten hebben verleend.

Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel is de patrones van de zeelieden. Zij is de veilige haven, waarin wij onze toevlucht moeten nemen te midden van alle stormen van het leven.

De devotie en verering van de Maagd van de berg Karmel gaat terug tot de oorsprong van de orde der Karmelieten: de oudste traditie van deze orde brengt die in verband met die kleine wolk die uit zee opsteeg, zo groot als de palm van een hand en die zichtbaar was vanaf de top van de Berg Karmel, terwijl de profeet Elia de Heer smeekte een einde te maken aan een lange periode van droogte. De wolk bedekte spoedig de hemel en bracht overvloedige regen over het land, dat al zo lange tijd uitgedroogd was. In die wolk vol weldaden zag men een beeltenis van Maria, die als schenkster van de Heiland aan de wereld de draagster was van het levendmakende water waarnaar heel de mensheid dorstte. Zij brengt ons voortdurend ontelbare weldaden.

Op 16 juli 1251 verscheen de allerheiligste Maagd aan de heilige Simon Stock, de generale overste van de Orde der Karmelieten: zij beloofde bijzondere genade en zegen voor hen die het scapulier zouden dragen. Deze devotie stortte over de wereld een waterrijke rivier van geestelijke en tijdelijke genaden uit. De Kerk heeft deze verschijning herhaaldelijk goedgekeurd met talrijke geestelijke voorrechten. Eeuwenlang hebben de christenen zich onder deze bescherming van Onze Lieve Vrouw gesteld, onder meer door het dragen van het heilig scapulier van de berg Karmel op hun borst. Er zijn veel uitstekende manieren om Maria te vereren, maar weinige hebben zo diep wortel geschoten bij de gelovigen, en weinige werden zo vaak door de pausen gezegend. Hoe moederlijk is bovendien het hieraan verbonden zaterdags privilege!

De heilige Maagd beloofde aan hen die tijdens hun leven en bij hun dood het scapulier droegen -- ofwel de gezegende medaille met het Heilig Hart en de Maagd van de Berg Karmel, die dezelfde rol vervult -- de genade om de 'volharding ten einde toe' te verkrijgen; dat wil zeggen, een bijzondere bijstand opdat degenen die niet in staat van genade verkeren, berouw krijgen in de laatste ogenblikken van hun leven. Aan deze belofte moet het zogeheten 'zaterdags privilege' worden toegevoegd; dit bestaat in de bevrijding uit het vagevuur op de zaterdag na de dood en vele andere genadegaven en aflaten. Waarlijk draagt Maria met moederlijke liefde zorg voor de broeders van haar Zoon die nog op pelgrimstocht zijn en in gevaren en angsten verkeren, totdat zij het gezegend vaderland bereiken... Laten wij daarom dagelijks vele malen tot haar gaan, opdat zij ons mag helpen en beschermen. Juist het scapulier kan ons dikwijls eraan herinneren, dat wij toebehoren aan onze Moeder in de hemel en dat zij ons toebehoort, want wij zijn haar kinderen, voor wie zij zich zozeer heeft ingespannen.

In deze devotie brengen wij een bijzondere toewijding aan Onze Lieve Vrouw van onszelf en al het onze tot uiting, want in de verschijning van de allerheiligste Maagd en de overhandiging van het scapulier aan de heilige Simon Stock openbaart de Moeder van God zich als Vrouwe van de genade; en tegelijk als allerbeminnelijkste Moeder, die haar kinderen tijdens hun leven en bij de dood beschermt.

Het christenvolk heeft de Maagd van de Berg Karmel met name door het heilig scapulier vereerd als de Moeder van God en onze Moeder, die zich aan ons toont met deze geloofsbrieven: 'Tijdens het leven bescherm ik; bij de dood help ik; en na de dood red ik'. Zij is ons leven, onze zoetheid en onze hoop, zoals wij zo vaak tot haar zeggen bij het bidden van het Salve Regina.

De devotie tot het heilig scapulier van de Berg Karmel toont ons aan, dat wij zeker kunnen zijn van de moederlijke bijstand van de Maagd. Zoals men trofeeën en medailles gebruikt om betrekkingen van vriendschap, herinnering of zege aan te duiden, zo geven wij een innige betekenis aan het scapulier om ons heel vaak te herinneren aan onze liefde voor de Maagd en aan haar gezegende bescherming. Zij neemt ons bij de hand en leidt ons, alle dagen van ons leven hier op aarde, over een veilige weg, zij helpt ons moeilijkheden en bekoringen te overwinnen: zij laat ons nooit in de steek, want zij is gewoon hen te begunstigen die zich onder haar bescherming willen stellen.

Eens komt voor ons het uur van onze definitieve ontmoeting met de Heer. Dan zullen we meer dan ooit haar bescherming en bijstand nodig hebben. De devotie tot de Maagd van de Berg Karmel en tot haar heilig scapulier is een onderpand van hoop op de hemel, want de allerheiligste Maagd zet haar moederlijke bescherming voort tot over de dood heen. Dit voorrecht vervult ons van troost. Maria leidt ons naar die eeuwige toekomst; zij doet ons ernaar verlangen en deze ontdekken; zij schenkt ons haar hoop, haar zekerheid, haar verlangen. Bemoedigd door zulk een stralende werkelijkheid, met onuitsprekelijke vreugde, verandert onze nederige en vermoeiende pelgrimstocht op aarde, verlicht door Maria, in een veilige weg -- iter para tutum -- naar het paradijs. Daar zullen wij, met Gods genade, haar mogen zien.

In 1605 werd kardinaal De Medici tot paus gekozen; hij nam de naam van Leo XI aan. Toen men hem bekleedde met de pauselijke gewaden, wilde men hem een groot scapulier van de Berg Karmel afnemen, dat hij onder zijn kleding droeg. Toen sprak de paus tot hen die hem hielpen met kleden: "Laat mij Maria houden, opdat Maria mij niet in de steek laat." Ook wij willen haar niet in de steek laten, want wij hebben haar ten zeerste nodig. Daarom dragen wij altijd haar scapulier. En wij zeggen thans tot haar dat wij ons in haar armen leggen, wanneer ons laatste uur gekomen is. Zo dikwijls hebben wij haar gevraagd voor ons te bidden 'nu en in het uur van onze dood', dat zij dat niet zal vergeten!

Tijdens zijn bezoek aan Santiago de Compostela wenste paus Johannes Paulus II allen toe: "Dat de Maagd van de Berg Karmel [...] u altijd moge vergezellen. Moge zij de ster zijn die u leidt, die nooit uit uw horizon zal verdwijnen. Dat zij u tot God moge leiden, naar de veilige haven." Aan haar hand zullen wij voor het aanschijn van haar Zoon treden. En als er in ons nog iets gezuiverd zou moeten worden, dan zal zij het moment bespoedigen waarop wij, geheel en al gereinigd, God kunnen zien.

Oudtijds werd de Maagd van de berg Karmel afgebeeld met aan haar voeten een groep van zielen in de vlammen van het vagevuur, om haar bijzondere voorspraak aan te geven in dit oord van loutering. "De Maagd is goed voor hen die in het vagevuur verblijven, want door haar verkrijgen zij verlichting", predikte de heilige Vincentius Ferrer dikwijls. Haar liefde zal ons helpen ons in dit leven te zuiveren om direct na de dood bij haar Zoon te zijn.

Het scapulier is ook het teken van het bruidskleed, de goddelijke genade die de ziel altijd moet kleden. In een toespraak tot jongeren in een parochie te Rome, gewijd aan de Maagd van de berg Karmel, maakte paus Johannes Paulus II vertrouwelijk gewag van de bijzondere hulp en bijstand die hij had gekregen van zijn devotie tot de Maagd van de berg Karmel. "Ik moet jullie zeggen", legde hij hun uit, "dat zij mij heeft geholpen in mijn jeugdjaren, toen ik nog zo was als jullie nu. Ik zou niet kunnen zeggen in welke mate, maar ik denk in enorm grote mate. Zij heeft mij geholpen om de genade te vinden die bij mijn leeftijd hoorde, bij mijn roeping." En hij voegde eraan toe: "de opdracht van de Maagd, die voorafgebeeld is en zijn begin heeft op de Berg Karmel, in het Heilige Land, is verbonden aan een kleed. Dit kleed heet het heilig scapulier. Ik heb in mijn jeugdjaren veel aan dit scapulier van de Karmel te danken. Dat de moeder altijd bezorgd is, zich bekommert om de kleren van haar kinderen, dat ze er netjes opstaan, dat is iets moois. Maar als die kleren stuk gaan, probeert de moeder de kleren van haar kinderen te herstellen. De Maagd van de Karmel, de Moeder van het heilig scapulier, spreekt ons over deze moederlijke zorg, over haar bezorgdheid om ons te kleden. Ons te kleden in geestelijke zin. Ons te bekleden met de genade van God en ons te helpen dit kleed altijd smetteloos te houden." De paus maakte melding van het witte kleed dat de doopleerlingen uit de eerste eeuwen droegen, als symbool van de heiligmakende genade die zij bij het doopsel ontvingen. Daarna spoorde hij hen aan om de ziel altijd rein te houden en besloot: "Weest ook jullie bezorgd, in samenwerking met de goede Moeder die zich om jullie kleren bekommert, en heel bijzonder om het kleed van de genade, dat de ziel van haar zonen en dochters heiligt." Dat kleed waarin wij ooit op het bruiloftsmaal zullen verschijnen.

Het scapulier van de Karmel kan een machtige hulp zijn om onze Moeder in de hemel nog meer te beminnen, een bijzondere herinnering aan het feit, dat wij aan haar zijn toegewijd en in ogenblikken van nood, te midden van bekoringen, op haar hulp kunnen rekenen. Zij is ons zeer nabij en dat stelt ons in staat sterk te zijn. Met de woorden van het Graduale voor het feest van vandaag, bidden wij tot Onze Lieve Vrouw: Recordare Virgo Mater... ut loquaris pro nobis bona. Herinner u, Maagd en Moeder van God, wanneer gij voor het aanschijn van de Heer staat, dat gij dan goede dingen over ons tot Hem spreekt, ook in die dagen dat wij niet zo trouw geweest zijn als God van Zijn kinderen verwacht.