Website van de parochie van de H. Jozef, patroon van de H. Kerk, de Rooms-katholieke personele parochie voor de traditionele Latijnse liturgie bij de Agneskerk te Amsterdam

Vandaag in de Agneskerk

De kalender is bijgewerkt tot en met 31 augustus 2018, onder voorbehoud van wijzigingen.

15 augustus 2018

15 augustus: Maria Tenhemelopneming, hoogfeest

Epistel
Judit 13, 22-25; 15, 10
De Heer heeft u gezegend met Zijn kracht; want door u heeft Hij onze vijanden vernietigd. Gezegend zijt gij, dochter, door de Heer, de allerhoogste God, meer dan de andere vrouwen op aarde. Gezegend zij de Heer, de Schepper van hemel en aarde, Die u heeft gezonden, om de vorst van onze vijanden de kop te verwonden; heden heeft Hij uw naam zo hoog verheven, dat uw lof nooit zal wijken uit de mond van de mensen, die de macht van de Heer voor immer blijven gedenken. Om hunnentwil hebt gij uw leven niet gespaard, vanwege de nood en de ellende van uw volk. Maar gij hebt redding gebracht in hun ongeluk voor het aangezicht van onze God. Gij zijt de glorie van Jeruzalem - de vreugde van Israël - het pronkjuweel van ons volk.

Evangelie
Lc. 1, 41-50
In die tijd werd Elisabet vervuld van de Heilige Geest en zij riep met luide stem en zei: Gezegend zijt gij onder de vrouwen en gezegend is de Vrucht van uw schoot. En waarom valt mij dit te beurt, dat de Moeder van de Heer tot mij komt? Want werkelijk, zodra uw begroeting mij in de oren klonk, sprong het kind van blijdschap op in mijn schoot. En zalig zijt gij, dat gij geloofd hebt, want hetgeen u door de Heer is aangekondigd, zal in vervulling gaan. Toen sprak Maria: Mijn ziel verheft de Heer en mijn geest is verblijd in God, mijn heil. Want Hij heeft genadig neergezien op Zijn geringe dienstmaagd; zie van nu af zullen alle geslachten mij zalig prijzen. Want groots is het wat de Almachtige met mij deed, Hij Wiens Naam heilig is, Wiens barmhartigheid duurt van geslacht tot geslacht, voor degenen die Hem vrezen.

Overweging
Vandaag viert de Kerk een heel groot feest, namelijk de tenhemelopneming van Maria. De Kerk gelooft en leert dat het lichaam van Maria na haar dood het bederf niet heeft gezien, maar dat zij na haar ontslapen direct in de hemel is opgenomen. Maria werd met ziel en lichaam in de hemel opgenomen. Dat is het bijzondere van Maria’s verheerlijking: dat haar lichaam, evenals dat van Jezus, aanstonds deelde in de glorie van de ziel. Er zijn andere heiligen van wie wij mogen aannemen dat zij onmiddellijk na hun sterven tot de aanschouwing Gods werden toegelaten, maar zij allen hebben het bederf van het graf gekend. Het zuivere lichaam van de Maagd, uit wie Christus is geboren, was niet aangetast door de gevolgen van de erfzonde. Wel was het sterfelijk, maar door Gods wonder niet bederfelijk.

Vandaag, bij haar opneming ten hemel, wordt haar heilig lichaam, die tempel van de Heilige Geest, de schoot die het Woord ontving, verheerlijkt, met goddelijk licht omstraald, en ten hemel gevoerd. Assumpta est Maria in coelum: gaudent angeli! – Maria is met ziel en lichaam door God in de hemel opgenomen: en de Engelen juichen! Zo zingt de Kerk in een van de antifonen op dit feest.

Onze verlossing is niet volkomen voordat het lichaam deelt in de glorie. Zolang wij op aarde zijn, is ons lichaam aan het lijden onderworpen, aan vergankelijkheid en tijdelijke dood met het bederf van het graf. Het feest van de tenhemelopneming van onze Lieve Vrouw moet in onze harten een blijde hoop storten. Wij zijn nog pelgrims, maar onze Moeder is ons voorgegaan en toont ons reeds het einde van de weg. Zij zegt ons opnieuw dat het mogelijk is er te komen, en dat wij er komen als we trouw zijn. En wat staat ons op het einde van onze pelgrimstocht te wachten? De hemelse vreugde van de aanschouwing Gods.

Voor Maria betekende de aanschouwing Gods de aanschouwing van haar Zoon, haar Jezus, zoals Hij werkelijk was en is. Wat een ongekende vreugde voor het moederhart! Zij kende Hem eerst in de intimiteit van haar moederschap, daarna in de smarten van Zijn verlossing, toen in de omhelzing van de Verrezene, en nu in Zijn hemelse glorie. Maria wordt voor ons in haar glorievolle verheerlijking een teken van God. Telkens opnieuw richt zij onze gedachten op de uiteindelijke bestemming van ons leven hier op aarde: eeuwig met God te zijn, tot Zijn glorie en ons geluk.

Maria is als eerste geheel opgenomen in de orde van de verheerlijking, volmaakt gelukkig naar heel haar wezen. Deze dag moet voor ons, die nog in de wereld verblijven, een dag van vreugde zijn, met haar en om haar. Het feest van de Moeder is het feest van de kinderen. Laten wij vandaag de ellende van deze tijd opzij zetten en verwijlen in het hemelse dat voor ons het enig noodzakelijke is. Ons heil is in de hemel vanwaar wij onze Verlosser verwachten, Die ons vergankelijk lichaam zal omvormen en gelijkmaken aan Zijn verheerlijkt lichaam. Ons heil is in de hemel waar onze Moeder ons is voorgegaan.

14 augustus 2018

14 augustus: Vigilie van Maria Tenhemelopneming

Morgen, op 15 augustus, viert de Kerk het hoogfeest van de tenhemelopneming van de Moeder Gods. Dit feest werd eind zesde eeuw door keizer Mauritius in Byzantium ingevoerd. In de zevende eeuw nam Rome, onder paus Sergius I, dit feest uit het Oosten over.

Paus Pius XII kondigde op 1 november 1950 (Allerheiligen) het dogma van de tenhemelopneming van Maria af. Dit dogma houdt de gelovigen voor dat "de Moedermaagd, na het beëindigen van haar aardse leven, met lichaam en geest is opgenomen in de hemelse glorie, om er in alle schittering te stralen als Koningin aan de rechterhand van haar Zoon, de onsterfelijke Koning van alle tijden."

De naam van het feest verwijst allereerst naar de bijzonder hechte band tussen Jezus en Zijn moeder. Die is zo hecht dat deze niet door de dood doorbroken kan worden. Maria’s lichaam wordt in plaats van te ontbinden "opgenomen bij Christus in het paradijs". Dit is niet zo zeer een uniek voorrecht voor Jezus’ moeder, maar wel een zo goed als noodzakelijk gevolg van haar intieme verbondenheid met Christus: wat aan het Godsvolk als geheel beloofd is - volheid van geluk, overwinning op de dood en het delen in de heerlijkheid van de Heer - is al vervuld in de vrouw van Gods welbehagen, gezegend boven alle vrouwen, uit wier schoot Gods Zoon een lichaam aannam tot verlossing van de mensheid.

Op die dag is de Maagd, de Moeder van God, ten hemel opgenomen.
Zij is het begin, het beeld van de Kerk der voleinding.
Zij houdt de hoop in ons levend en is een troost voor Gods volk onderweg.
Terecht heeft God haar het bederf van de dood niet laten zien, omdat zij op wonderbare wijze de Moeder is geworden van Zijn Zoon, de Gever van alle leven.

Bij uw baren hebt gij uw maagdelijkheid behouden, bij uw tenhemelopneming hebt gij de wereld niet verlaten, Moeder van God: gij zijt teruggekeerd naar de bron des levens, gij die de levende God ontving en die door uw gebeden onze zielen van de dood zult bevrijden.

Heilige Maximiliaan Kolbe, priester en martelaar

De Poolse franciscaner pater Maximiliaan Kolbe stichtte in 1927 bij Warschau 'Mariastad' of 'Niepokalanow'. Hij begint daar een drukkerij en een radiozender. Er komt een spoorbaan en zelfs een brandweercorps. En er wordt begonnen met de aanleg van een vliegveld.

Het klooster geeft vier tijdschriften uit; de totale oplage is meer dan een miljoen. Het dagblad dat het klooster uitgeeft, heeft een oplage van meer dan 150.000 exemplaren. Op het hoogtepunt wonen er 762 broeders die de armoede van Sint-Franciscus naleven.

Op 1 september 1939 vallen de Duitsers Polen binnen. Mariastad is een doorn in het oog van de bezetter. In de bladen wordt veel kritiek geleverd en in 1939 wordt pater Maximiliaan, met vier medebroeders, opgepakt. Ze laten hem op 8 december (Onbevlekte Ontvangenis) weer vrij.
Pater Maximiliaan stuurt zijn broeders naar huis, het klooster biedt onderdak aan Polen en joden. In februari 1941 wordt hij weer gearresteerd en naar Auschwitz gebracht.

De Duitsers proberen zijn leven tot een hel te maken. Hij moet zware lichamelijke arbeid verrichten. Wanneer hij uitgeput neervalt, slaat de commandant hem met een stok bijna dood en laat hem in het bos achter. Terug in het kamp blijft pater Maximiliaan aan iedereen de liefde voorhouden, alleen de liefde bouwt op. Hoewel het verboden is, hoort hij van gevangenen de biecht.

Als op een dag een man wordt vermist, dan wijst de kampbeul tien mannen aan. Een van hen smeekt om genade, hij is vader van vier kinderen. Dan stapt pater Maximiliaan op de leider af en zegt: "Ik ben priester, ik wil zijn plaats innemen." En tot ieders verbazing schreeuwt de kampbeul: "Raus!" en stuurt hij de vader terug de rijen in.

De hongerbunker ligt onder de grond en is door een hoge muur van het kamp afgescheiden. Wie daar ingaat, wordt niet meer levend teruggezien. In het kamp spraken de kampcommandanten over de pater. Ze hadden zoiets nog nooit meegemaakt. Iemand die zijn leven offert voor zijn naaste. Uit de bunker klinkt gezang en gebed, maar met de dag wordt het geluid zwakker. Altijd zagen de bewakers de pater op de knieën, of staan tussen de stervende mannen. Na bijna drie weken zijn de Duitsers het zat. De laatste vier levenden worden doodgespoten.

De euthanasiearts ziet hoe de lippen van pater Maximiliaan biddend sterven. De mannen liggen dood op de grond, hun gezichten zijn getekend door het lijden. Rechtop tegen de muur zit het dode lichaam van pater Maximiliaan, zijn gezicht is een en al vrede.

Op 10 oktober 1982 verklaart paus Johannes Paulus II zijn landgenoot heilig. De gedachtenis van Maximiliaan Kolbe wordt gevierd op 14 augustus (Novus Ordo).

12 augustus 2018

Twaalfde zondag na Pinksteren

Epistel
2 Kor. 3, 4-9
Broeders, zulk een zelfvertrouwen hebben wij door Christus, steunend op God. Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn, om iets uit te denken, alsof het voortkwam van onszelf; integendeel, al onze bekwaamheid komt van God - van Hem, Die ons gemaakt heeft tot bekwame bedienaren van een nieuw verbond, dat niet bestaat in letter, maar in geest. De letter immers brengt de dood, maar de geest maakt levend. Welnu, indien de bediening, die leidde tot de dood en die met letters in stenen gegrift was, met zoveel luister was omgeven, dat de kinderen van Israël Mozes niet in het gezicht konden zien vanwege de glans van zijn gelaat - en deze was toch slechts van voorbijgaande aard - hoe zal dan niet veel meer de bediening van de Geest in heerlijkheid zijn? Want als de bediening, die tot veroordeling voert, reeds zo heerlijk is, dan is toch zeker de bediening, die tot gerechtigheid leidt, veel overvloediger in heerlijkheid.

Evangelie
Lc. 10, 23-37
In die tijd sprak Jezus tot Zijn leerlingen: Zalig de ogen, die zien, wat gij ziet! Want Ik zeg u: vele profeten en koningen hebben er naar verlangd te zien, wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien - en te horen, wat gij hoort, en zij hebben het niet gehoord! En zie, er stond een wetgeleerde op, die Hem op de proef wilde stellen door te vragen: Meester, wat moet ik doen, om eeuwig leven te verwerven? En Hij sprak tot hem: Wat staat er geschreven in de Wet? Wat leest gij daar? En de ander gaf ten antwoord: "Gij zult de Heer, uw God, beminnen uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met al uw krachten en met geheel uw verstand - en uw naaste als uzelf." En Hij zei hem: Gij hebt goed geantwoord! Doe dat, en gij zult leven! De ander nu wilde zich rechtvaardigen, en stelde daarom aan Jezus de vraag: Maar wie is dan mijn naaste? En Jezus hernam en zei: Een zeker iemand reisde van Jeruzalem naar Jericho, en viel in handen van rovers; deze beroofden hem van alles, en brachten hem vele wonden toe; zo lieten zij hem halfdood liggen, en gingen heen. Toevallig kwam een priester langs dezelfde weg; hij zag hem, maar ging verder. Zo kwam er ook een leviet voorbij; hij zag hem, maar ging verder. Doch een Samaritaan, die op reis was, kwam daar ook voorbij. En toen hij hem zag, kreeg hij medelijden; hij ging naar hem toe, en verbond zijn wonden, terwijl hij er olie en wijn op deed; dan zette hij hem op zijn lastdier, bracht hem naar een herberg, en droeg zorg voor hem. En de volgende dag nam hij twee tienlingen, gaf ze aan de waard, en zei: Zorg goed voor hem; en wanneer gij nog meer onkosten hebt, zal ik ze u vergoeden, als ik terugkom. Wie van deze drie is naar uw mening de naaste geweest van de man, die in handen van de rovers gevallen was? En hij antwoordde: Diegene, die hem barmhartigheid heeft bewezen. En Jezus zei hem: Ga dan heen, en doe gij ook zo!

Overweging
“Wat moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?” Dit is de cruciale vraag die niet alleen ons leven hier, in deze wereld, bepaalt, maar ook onze eeuwige toekomst. Iedereen zou zich deze vraag moeten stellen, ten minste degenen die in een hiernamaals geloven. Wat moet ik doen om in de hemel te komen? De wetgeleerde geeft zelf het antwoord: Gij zult de Heer, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, uit geheel uw ziel en met geheel uw kracht en verstand, en uw naaste als uzelf. Het maakt niet uit dat deze wetgeleerde Christus op de proef wilde stellen; hij heeft het juiste antwoord gegeven en onze Heer heeft dat bevestigd.

Het antwoord is heel eenvoudig en wij kunnen het samenvatten in twee geboden: allereerst God beminnen, en dan onze naaste. Het Evangelie van vandaag wordt meestal geassocieerd met het tweede gebod: de naastenliefde. Dat is begrijpelijk, want het verhaal over de barmhartige Samaritaan gaat daar ook over, maar het gevaar bestaat dat wij dit tweede gebod als het belangrijkste beschouwen. Dat gevaar is in onze tijd misschien nog groter, omdat er veel over de mens wordt gesproken, en God is op een zijspoor gezet.
God beminnen, dat is het eerste en voornaamste gebod. De wetgeleerde uit het Evangelie had er geen moeite mee. Voor hem en voor de mensen van die tijd was dat duidelijk. God eren en Hem dienen was vanzelfsprekend. In onze tijd is dat minder duidelijk geworden. Velen van ons vergeten het eerste gebod en zijn alleen gericht op het tweede. Wij horen vaak dat het genoeg is als iemand van zijn naaste houdt; dan moet God al tevreden zijn met ons. Die naastenliefde is vaak onbepaald en komt meestal neer op een onbeperkte tolerantie; wij moeten alles en iedereen aanvaarden.

Onze eerste plicht is echter om God te beminnen. Dat is uitdrukkelijk door Christus bevestigd. Wij moeten God beminnen met onze volledige persoon: met hart en ziel, met verstand en met al onze krachten. Dat is een totale liefde die de gehele mens omvat. Dat is de absolute onderwerping van ons hart en onze wil. Dat is het innerlijke aspect. Deze onderwerping wordt zichtbaar door het vervullen van de goddelijke geboden in ons leven. Daar komt de naastenliefde in zicht, die voortvloeit uit onze liefde tot God.

God beminnen is niet alleen een beweging van ons hart; onze liefde moet zich ook uiten. Een van de eerste tekenen van onze liefde tot God is Hem te loven en te danken in ons dagelijkse gebed en in de eredienst van de Kerk. Daarnaast kunnen wij nog veel doen in ons eigen leven – wij moeten namelijk steeds meer en steeds inniger verbonden zijn met God door ons eigen gebedsleven –, maar ook binnen de Kerk. De gelovigen zouden zich steeds meer moeten realiseren dat de heilige Mis de hoogste vorm van eredienst is. Onze deelname daaraan is niet vrijblijvend. Wij zijn verplicht om onze Schepper te eren, Hem te loven en te danken, en wij zijn genoodzaakt om Zijn vergeving en Zijn genade af te smeken. In de heilige Mis gebeurt dat op de meest voortreffelijke wijze. Wie dat niet aanvaardt, kan niet zeggen dat hij God bemint. De naastenliefde kan nooit zuiver zijn zonder de ware liefde tot God. Zonder de liefde tot God heeft zij geen betekenis voor ons eeuwige leven. God beminnen is het allereerste gebod; alle andere geboden vloeien daar uit voort.

Alles wat wij doen moet voortkomen uit liefde tot God. Er is geen keuze tussen de liefde tot God en de naastenliefde; er bestaat geen conflict tussen die twee. Maar om de barmhartigheid te kunnen beoefenen, moeten wij eerst dicht bij de bron van alle barmhartigheid en liefde vertoeven. Het ware christelijke leven verbindt de twee hoofdgeboden met elkaar. Dan kunnen wij zien dat de werken van barmhartigheid zich niet alleen beperken tot de materiële gebreken. De naastenliefde mag nooit de geestelijke werken van barmhartigheid uitsluiten. De zondaars vermanen, de onwetenden onderrichten, goede raad geven of bidden voor levenden en doden, dat zijn geestelijke werken van barmhartigheid die de wereld niet wil erkennen omdat zij het eerste gebod niet erkent. Maar wie in de hemel wil komen, mag deze werken niet vergeten.

10 augustus 2018

10 augustus: Heilige Laurentius, diaken en martelaar, feest

Laurentius is in Spanje geboren en reeds op jonge leeftijd in Italië terechtgekomen. Hij was de aartsdiaken van paus Sixtus II. Ten tijde van de vervolging door keizer Valerianus werden Laurentius en de andere diakens met de Heilige Vader gevangen genomen. Terwijl de anderen standrechtelijk om het leven werden gebracht, nam men Laurentius mee voor verhoring en foltering. Laurentius zag in paus Sixtus II niet alleen zijn meerdere maar tevens zijn vaderlijke vriend en vooral een voorbeeld.

Veel is van Laurentius niet bekend. Het meeste weten wij uit legendes. Zijn graf bevindt zich bij de Via Tiburtina op de Ager Veranus, waar Constantijn de Grote een basiliek oprichtte. Reeds in de vierde eeuw was zijn verering in de gehele Kerk verbreid. Laurentius is de derde patroon van de stad Rome. Hij wordt vereerd als patroon van de armen en van de bibliothecarissen, omdat hem als diaken de zorg voor de boeken was opgedragen. San Lorenzo is de basiliek in Rome die aan hem toegewijd is (Laurentius-buiten-de-muren). Daar ligt hij, samen met diaken Stefanus begraven.

Tijdens de terechtstelling van paus Sixtus II liep Laurentius wenend met hem mee en riep: "Waar gaat u heen, zonder uw zoon, vader?" De Paus troostte zijn aartsdiaken en voorspelde hem zijn eigen terechtstelling als martelaar. Hij gaf Laurentius nog de opdracht om zorg te dragen voor de schatten van de Kerk.
Keizer Valerius maakte na de moord op de Paus aanspraak op deze kerkelijke schatten en beval Laurentius de schatten naar hem te brengen. Hij kreeg daarvoor drie dagen de tijd.

Tot zijn grote ontsteltenis stond Laurentius daar drie dagen later zonder goud of zilver, maar met de minder-bedeelden uit de stad: armen, zieken, kreupelen, lammen, weduwen en wezen, en verminkten. “Hier heeft u de schatten van de Kerk”, zei Laurentius tegen de keizer.
De keizer onstak in toorn en liet Laurentius vastnemen en ter dood veroordelen. Men sloeg hem met loden kogels en legde hem tussen een rooster op het vuur. Zijn sterfdag is 10 augustus 258.

Paus Leo I de Grote heeft over Laurentius eens gezegd: "Het vuur dat in hem brandde, heeft hem geholpen het vuur van het martelaarschap te doorstaan".

De heilige Laurentius is patroon van diakens, bibliothecarissen, glasblazers, glazeniers, brandweer, koks, archivarissen, scholieren, studenten, administrateurs, bierbrouwers, banketbakkers en wasvrouwen. Verder is hij patroon tegen huidziekten, oogkwalen, spit, ischias, vuurrampen, het vagevuurleed en de pest; en patroon voor de zielen in het vagevuur en een goede wijnoogst.

9 augustus 2018

Heilige Teresia Benedicta a Cruce (Edith Stein), maagd en martelares, co-patrones van Europa

Edith Stein werd geboren in een orthodox-joodse familie in de Duitse stad Breslau (het huidige Wroclaw in Polen) op 12 oktober 1891. Op dertienjarige leeftijd zwoer ze haar joodse geloof af en werd atheïst. Als student aan de Universiteit van Göttingen leerde ze de filosoof-wiskundige Edmund Husserl kennen, de grondlegger van de fenomenologie. Toen Husserl later naar de Universiteit van Freiburg vertrok, ging Edith op zijn verzoek mee als zijn assistent.

In Freiburg promoveerde Edith Stein tot doctor in de filosofie. Tijdens een vakantie bij vrienden in 1921 las ze de autobiografie van Teresia van Avila. Ze was daar zo van onder de indruk dat ze meteen katholiek wilde worden. Op 1 januari 1922 ontving Edith het sacrament van het Doopsel. Ze zegde haar universitaire baan bij Husserl op en werd onderwijzeres op een katholieke meisjesschool in Spiers.

In Spiers vertaalde Edith het geschrift De Veritate (‘Over de waarheid’) van de heilige kerkleraar Thomas van Aquino en verdiepte ze zich verder in de katholieke wijsbegeerte. In 1932 werd ze lector aan het Instituut voor Pedagogie in Münster. Toen een jaar later de nationaal-socialisten aan de macht kwamen, werd Edith vanwege de antisemitische wetten ontslagen.

Edith trad in 1934 in bij de karmelietessen in het Karmelklooster van Keulen. Bij haar professie kreeg ze de kloosternaam Teresia Benedicta a Cruce. Als slotzuster legde ze de laatste hand aan haar metafysisch werk Endliches und ewiges Sein, waarin ze tot een synthese van Thomas van Aquino en Husserl trachtte te komen.

Omdat de antisemitische terreur in Duitsland steeds erger werd, werd Edith in 1938 door haar overste overgeplaatst naar het karmelietessenklooster te Echt in Nederlands Limburg. Daar schreef ze haar belangrijkste werk: Kreuzeswissenschaft. Studie über Johannes a Cruce (‘De wetenschap van het kruis. Studie over Johannes van het Kruis’). Dit werk heeft veel bijgedragen tot de ontwikkeling van een moderne lijdensspiritualiteit.

Nadat de Nederlandse bisschoppen in een publieke verklaring het racisme van de nazi’s hadden veroordeeld, gaf Adolf Hitler op 26 juli 1942 het bevel om alle niet-arische katholieken te arresteren. Als gevolg hiervan werden Teresia Benedicta en haar katholiek geworden zus Rosa door de Gestapo uit het klooster van Echt gehaald. Bij de arrestatie zei ze tegen Rosa: "Kom, wij gaan voor ons volk." Via Westerbork worden de twee gezusters naar Auschwitz gedeporteerd. Enkele overlevenden getuigden tijdens haar zaligverklaringsproces dat zuster Teresia Benedicta andere gevangenen met grote compassie had bijgestaan. Op 9 augustus 1942 stierf Edith/Teresia samen met haar zuster Rosa in de gaskamer.

Paus Johannes Paulus II verklaarde Edith Stein zalig op 1 mei 1987 in Keulen. Op 11 oktober 1998 verklaarde hij haar in Rome heilig en verleende haar de waardigheid van martelares. Een jaar later gaf de heilige paus haar de titel Co-patrones van Europa. Op de liturgische kalender (Novus Ordo) staat haar gedachtenis op 9 augustus, haar sterfdag.

8 augustus 2018

8 augustus: Heilige Johannes Maria Vianney (Pastoor van Ars), belijder, patroon van de priesters

Geen plek in het donkere, vochtige kerkje is onbezet. Boven de holle stilte klinkt de stem van een nauwelijks hoorbare priester. Het gehucht Ars nabij de Franse stad Lyon telt zelf tweehonderd gelovigen, maar vanuit heel Frankrijk en zelfs daarbuiten komen mensen om deze pastoor te kunnen horen en, als het kan, bij hem te biechten.

Talrijke priesters uit het bisdom zijn jaloers op hun ambtsbroeder die niet eens gewijd had mogen worden. De examinatoren hadden even de andere kant opgekeken, want de seminarist was voorbeeldig in zijn leven, maar leren kon hij niet.
Na zijn wijding mag de boerenzoon dan ook niet biechthoren. Uiteindelijk stopt de bisschop hem weg in een gehucht met een parochiekerkje waar Jean-Marie Vianney blij mag zijn op zondag een gelovige aan te treffen.

Wat hadden de dorpelingen gelachen om hun nieuwe pastoor, die er uitziet als een wandelend lijk, niet uit zijn woorden kan komen en huilt tijdens zijn preken. Toch worden ze nieuwsgierig, want er wordt gefluisterd dat hij een heilige is. Alles wat de parochie bezit, geeft hij weg, van wat hij eet kan een normaal mens niet leven en hij slaat zich tot bloedens toe.

Terwijl het in de meeste Franse kerken wachten is op wie het licht uit zal doen, stromen de gelovigen naar Ars. De pastoor, die meisjes in het door hem gestichte weeshuisje ‘La Providence’ dagelijks catechese geeft, verlegt deze naar de kerk, waar steeds meer gelovigen komen luisteren naar de beeldrijke verhalen.

Mocht hij aanvankelijk niet biechthoren, nu zijn er koude winteravonden waarop hij ‘maar’ elf uur in de biechtstoel zit. ’s Zomers loopt dit op tot achttien uur. In 1855 bezoeken meer dan twintigduizend gelovigen de parochie.
Terwijl de duivel beproeft en treitert, geeft God de gave van de profetie. Eens zit in het overvolle kerkje nabij het gangpad een vrouw. Ze huilt. Ze heeft zojuist haar man verloren, hij pleegde zelfmoord. De vrouw was van ver gekomen, maar ziet geen kans bij de heilige priester te komen. Bij het verlaten van de kerk houdt pastoor Vianney bij haar stil en fluistert: “Wees gerust, mevrouw. Tussen de brug en het water was er genoeg tijd voor berouw”, en loopt door. De weduwe kan haar tranen niet bedwingen, maar nu van vreugde.

Jean-Marie Vianney sterft op 4 augustus 1859. Paus Pius XI verklaart hem in 1925 heilig, nadat eerder paus Pius X de pastoor van Ars had uitgeroepen tot patroon van de parochiepriesters. In 2009 roept paus Benedictus XVI bij de aanvang van het Jaar van de Priester de Pastoor van Ars uit tot patroon van álle priesters.

7 augustus 2018

Nieuw beeld in de Agneskerk: Piëta

Sinds enkele dagen staat in onze kerk een nieuw beeld, een piëta (foto). Het is afkomstig uit de H. Johannes Vianneykerk in Deventer, die in 2014 aan de eredienst is onttrokken.

Een piëta is een schilderij of een beeld van de gestorven Christus, vergezeld door Maria. De meest voorkomende vorm is die van Christus die na de kruisafname op de schoot van Zijn moeder Maria is gelegd.

Het beeld is geplaatst tegen de achterwand van de kerk (naast de hoofdingang). Er is een kaarsenstandaard geplaatst, waardoor het mogelijk is om kaarsen op te steken, die uw persoonlijke gebed tot Jezus en Maria kunnen begeleiden.

Gebed
Moeder Maria,
bij de kruisafname van Jezus Christus, uw Zoon,
hebt gij Zijn mismaakt en verscheurd Lichaam
terugontvangen op uw schoot.
Leer mij berusten in mijn offer,
zonder klagen en zonder ontevredenheid. Amen.

6 augustus 2018

6 augustus: Gedaanteverandering van onze Heer Jezus Christus, feest

Veertig dagen vóór het feest van Kruisverheffing (14 september) herinnert het feest van de Gedaanteverandering van onze Heer Jezus Christus eraan hoe Jezus de apostelen Petrus, Johannes en Jacobus wilde voorbereiden op Zijn kruisdood. Zijn verheerlijking op de berg Tabor is niet alleen een voorafbeelding van de Verrijzenis, maar ook van de toekomstige heerlijkheid van de Kerk als Lichaam van Christus.

De drie leerlingen zien door de gedaanteverandering van de Heer naast Zijn godheid ook Zijn verheerlijking die zal geschieden na de overwinning op de dood en de verrijzenis uit de dood door Zijn terugkeer naar de hemel waar Hij zetelt aan de rechterhand van Zijn Vader.

Nu reeds toont de Zoon Zich in een hemelse glans op een voor de menselijke natuur aangepaste wijze. Want hoe zouden de drie apostelen, in hun menselijke gestalte, de verheerlijkte Zoon van God kunnen aanschouwen? Dat is pas mogelijk in het eeuwige leven.

Op de berg Tabor troost en sterkt Jezus Zijn leerlingen, maar ook Hij Zelf wordt opgebeurd en bemoedigd als mens, terwijl Mozes en Elia Hem eer bewijzen. In Christus immers komen de Wet, door Mozes gegeven, en het Profetendom, door Elia vertegenwoordigd, tot voltooiing. Vanuit de eeuwigheid steunen zij de Verlosser in Zijn tijdelijkheid als mens door met Hem in de luister van de berg Tabor de weg te beleven die Hij zal gaan van Jeruzalem naar Golgotha maar die vervolgens zal leiden tot de Verrijzenis uit het graf en het opstijgen naar de hemel.

5 augustus 2018

Elfde zondag na Pinksteren

Epistel
1 Kor. 15, 1-10
Broeders, ik breng u het Evangelie in herinnering, dat ik u gepredikt heb, en dat gij hebt aangenomen, waarin gij ook vaststaat en waarin gij redding zult vinden, indien gij het tenminste zo vasthoudt, als ik het u gepredikt heb; of het zou moeten zijn, dat gij het geloof voor niets hebt aanvaard. Want vóór alles heb ik u overgeleverd, wat ook mij is meegedeeld, dat Christus gestorven is voor onze zonden, overeenkomstig de Schriften; en dat Hij begraven is en verrezen is op de derde dag overeenkomstig de Schriften; en dat Hij verschenen is aan Kephas en daarna aan de elf. Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie er velen thans nog in leven zijn, sommigen echter reeds zijn ontslapen. Daarna is Hij verschenen aan Jacobus, en toen aan al de apostelen. En het laatst van allen is Hij verschenen aan mij, die als het ware de misgeboorte ben. Want ik ben de geringste onder de apostelen, die niet waardig ben een apostel genoemd te worden, omdat ik de Kerk van God heb vervolgd. Maar wat ik nu ben, ben ik door de genade Gods; en de genade, die Hij mij geschonken heeft is niet zonder vrucht gebleven.

Evangelie
Mc. 7, 31-37
In die tijd vertrok Jezus uit de streek van Tyrus, en begaf Zich over Sidon naar de zee van Galilea, midden in het gebied van de Tien-steden. En men bracht iemand bij Hem, die doof was en stom; en zij verzochten Hem deze de hand op te leggen. Hij nam hem dan uit de menigte ter zijde, stak hem de vingers in de oren, en raakte met speeksel zijn tong aan; vervolgens sloeg Hij Zijn ogen ten hemel, slaakte een zucht, en sprak tot hem: Effeta, dat wil zeggen: ga open. En aanstonds gingen zijn oren open, en zijn tong werd van haar banden bevrijd, en hij sprak gewoon. En Hij gebood hun, het aan niemand te zeggen. Maar met hoe meer nadruk Hij hun dat gebood, des te luider verkondigden zij het, en des te groter werd hun bewondering; en zij zeiden: Alles heeft Hij wél gedaan; doven heeft Hij doen horen, en stommen heeft Hij doen spreken.

Overweging
Als inleiding op een zeer ernstig betoog over onze toekomstige verrijzenis vertelt de heilige Paulus in het epistel van vandaag over de verschillende verschijningen van de verrezen Christus. De waarde van het Evangelie en de waarde van ons heilig geloof zijn onaantastbaar. Wij hebben beide tot ons geluk door Gods goedheid mogen ontvangen. Wij geloven in de waarheid van het Evangelie. Het is de leidraad voor ons leven. Wij zullen daardoor worden gered als wij vasthouden aan Zijn waarheid.

Het middelpunt van het Evangelie is Jezus Christus, Hij Die voor ons gestorven en begraven is, en op de derde dag verrezen. Dat is het begin van ons heil: Hij is gekomen, Hij heeft geleden en Hij is gestorven. Hij is begraven en verrezen, zoals over Hem voorspeld was.

Met Zijn verrijzenis bevestigde Hij – meer dan met welk wonder ook dat Hij tevoren gedaan had – de waarheid van Zijn goddelijke zending. Zijn evangelie is dus waarheid, het is goddelijke waarheid. Jezus van Nazareth verkondigt de weg van het heil en er is geen andere weg. Alle andere wegen en zijpaden lopen dood. Er is alleen de ene weg van Christus. Hij is verrezen en Hij bevestigt daarmee alles wat Hij heeft gezegd en heeft gedaan. De verrijzenis is het goddelijke zegel op de woorden van Christus. Bij Paulus kunnen wij lezen aan wie Hij is verschenen. Eens is Hij zelfs verschenen aan meer dan vijfhonderd tegelijk, van wie de meesten nog leefden toen Paulus zijn getuigenis opschreef.

Christus is ook verschenen aan Paulus. Paulus zegt over zichzelf dat hij niet waardig is om apostel te worden genoemd, omdat hij Gods Kerk vervolgd heeft, een godslasteraar en een geweldenaar was, maar hij vond ontferming. Dat is onze grote troost. God laat allerlei zonden toe, opdat wij tot oprechte nederigheid en bekering komen en tot het inzicht dat wij uit onszelf niets vermogen. Christus is voor ons gestorven, Hij is verrezen en verschenen. Het valt niet te loochenen. Wie vasthoudt aan een zondig leven zonder de wil tot ommekeer, die loochent Christus. Deze zondaar zal Christus nooit in de hemelse glorie en zaligheid ontmoeten.

Het ware geloof, de overgave aan de Waarheid komt alleen door Gods goedheid. Het geloof is Zijn gave. Maar wij zouden bereid moeten zijn om deze gave in ontvangst te nemen, net zoals de heilige Paulus dat deed. Daarover schrijft hij ook als hij zegt: “Wie uit God is geboren, bedrijft geen zonde, want Zijn zaad, dat is Gods genade, is in hem”.

Paulus voltooit zijn gedachten met de woorden: “Christus is in de wereld gekomen om de zondaars te redden. Wie bereid is om zich te bekeren zal de ontferming van God ervaren.” Deze waarheid geldt zowel voor de heilige Paulus als voor onze tijd, en het is de hoogste tijd dat de wereld en de mensen van vandaag opnieuw deze goddelijke liefde en ontferming ernstig nemen. Als wij dat niet doen, dan is dat een belediging van Zijn goddelijke Majesteit die roept om gerechtigheid.

4 augustus 2018

Litanie tot het Onbevlekt Hart van de heilige maagd Maria

Heer, ontferm U over ons. Heer, ontferm U over ons.
Christus, ontferm U over ons. Christus, ontferm U over ons.
Heer, ontferm U over ons. Heer, ontferm U over ons.
Christus, aanhoor ons. Christus, aanhoor ons.
Christus, verhoor ons. Christus, verhoor ons.
God, hemelse Vader, ontferm U over ons.
God, Zoon, Verlosser van de wereld, ontferm U over ons.
God, Heilige Geest, ontferm U over ons.
Heilige Drievuldigheid, één God, ontferm U over ons.
Hart van Maria, onbevlekt van uw oorsprong af, bid voor de zondaars
Hart van Maria, vol van genade,
Hart van Maria, gezegend onder alle harten,
Hart van Maria, tempel van de Allerheiligste Drievuldigheid,
Hart van Maria, gelijkvormig aan het Hart van Jezus,
Hart van Maria, voorwerp van Jezus' welbehagen,
Hart van Maria, afgrond van ootmoedigheid,
Hart van Maria, zetel van barmhartigheid,
Hart van Maria, oceaan van goedheid,
Hart van Maria, oven brandend van liefde tot God,
Hart van Maria, wonder van zuiverheid en onschuld,
Hart van Maria, waarin het Bloed van Jezus Christus, de prijs van onze verlossing, gevormd is,
Hart van Maria, dat voor zondaars genade afsmeekt,
Hart van Maria, dat de woorden van Jezus trouw bewaarde en overwoog,
Hart van Maria, met een zwaard doorboord,
Hart van Maria, troost van de bedroefden,
Hart van Maria, toevlucht van de zondaars,
Hart van Maria, hoop en bescherming van wie u vereren,
Hart van Maria, bijstand van de stervenden,
Hart van Maria, zielsgeneugte van alle heiligen,
Lam Gods, Dat de zonden van de wereld wegneemt, spaar ons, Heer.
Lam Gods, Dat de zonden van de wereld wegneemt, verhoor ons, Heer.
Lam Gods, Dat de zonden van de wereld wegneemt, ontferm U over ons.

V. Zachtmoedig en nederig Hart van Maria.
A. Maak ons hart gelijkvormig aan het Hart van uw Zoon.

Laat ons bidden. Barmhartige God, Gij hebt voor het heil van de zondaars aan het Onbevlekt Hart van Maria een grote gelijkvormigheid van liefde en barmhartigheid met het aanbiddelijk Hart van Uw goddelijke Zoon Jezus Christus gegeven; geef, smeken wij U, dat wij door de verdiensten van haar Onbevlekt Hart aan het goddelijk Hart van Jezus gelijkvormig mogen worden en dat op de voorspraak van het Onbevlekt Hart van Maria de zondaars de weg van de zonde mogen verlaten en de weg van Christus mogen bewandelen. Dit vragen wij U door dezelfde Christus onze Heer. Amen.

4 augustus: Heilige Dominicus, belijder

Dominicus Guzman werd geboren in het jaar 1170 in Caleruega (Castilië, Spanje) als zoon van Felix de Guzman en de (zalige) Juana van Aza.

Hij studeerde in Palencia en werd rond 1195 kanunnik van de kathedraal van Osma (tegenwoordig Burgo de Osma). In 1203 en 1205 begeleidde hij als subprior van het kathedraalkapittel bisschop Diego van Osma op reizen naar Scandinavië in opdracht van de koning van Castilië. Dominicus vatte hierdoor het idee op om in Scandinavië te gaan missioneren.

In 1206 kreeg hij van de paus een missietaak in de Languedoc, waar hij samen met Cisterciënzers de Kathaarse ketters moest bestrijden. Deze monniken bereikten weinig door hun hooghartige optreden en luxueuze uitstraling. Dominicus begon in alle eenvoud te prediken. Zijn prediking had duidelijk succes. Eind 1206 stichtte hij te Prouille (hedendaags Fanjeaux) een vrouwenklooster, het eerste klooster van de latere dominicanessen.

In Toulouse begon hij met de oprichting van een orde voor de prediking. Van paus Honorius III verkreeg hij in 1216 goedkeuring voor zijn orde: de Dominicanen. In 1217 zond Dominicus zijn broeders uit naar Parijs, Spanje en Italië. De broeders moesten met name aan de universiteiten van Parijs en Bologna theologie gaan studeren. Er ontstond een internationale orde die in 1220 voor het eerst in Bologna een generaal-kapittel hield. De nadruk kwam sterk te liggen op studie en het in praktijk brengen van het Woord.

Dominicus predikte in die jaren vooral in Noord-Italië. Hij deed afstand van de leiding van zijn orde. Uitgeput door het vele reizen stierf hij op 6 augustus 1221 te Bologna. Hij werd begraven in de San Domenico te Bologna. In 1234 werd hij door Gregorius IX heiligverklaard. In 1268 werd het lichaam van Dominicus geplaatst in een door Nicola Pisano gebeeldhouwd grafmonument.

Dominicus inspireerde mensen door zijn opgewekte aard, praktische instelling en scherp oog voor de tekenen van de tijd. Hij richtte een dynamische orde op met als hoofdtaken prediking en zielzorg. Van Dominicus zijn behalve enkele brieven geen geschreven werken bewaard gebleven.

Dominicus wordt afgebeeld als dominicaan, met een boek en een lelie, een krans van haar om het kaalgeschoren hoofd, een ster voor de borst of boven het hoofd, een gevlekte hond met een fakkel in de bek waarmee hij de aardbol in brand steekt (Er is een legende die vertelt, dat Dominicus' moeder tijdens haar zwangerschap eens droomde, dat zij een hond ter wereld bracht met een brandende fakkel in zijn bek. De Latijnse naam voor zijn latere volgelingen 'Dominicanes' werd ook wel uitgelegd als 'Domini Canes' = 'Honden van de Heer'), toorts, met een monstrans, met zijn moeder Juana van Aza, of met Sint Franciscus. Bekend is ook de afbeelding dat hij - tezamen met de dominicanes Catharina van Siena uit handen van de Moeder Gods een rozenkrans ontvangt.

In 1946 schreef Gabriël Smit een rijmpje over Dominicus:


Opdat gij eens aan ons zoudt leren
Hoe met de rozenkrans wij allen
Maria ’t liefste konden eren,
Schonk zij eens u met welgevallen
Dit kralensnoer. Leer mij ook dit,
Dominicus, dat 'k beter bid.

3 augustus 2018

Van de pastoor: De betekenis van de heilsgeschiedenis in ons leven

De kracht van het Bloed van Christus,
God en mens, is oneindig groot, en de liefde, die
onze Verlosser bewogen heeft het te vergieten, is
eveneens oneindig.

H. Thomas van Aquino

Beminde gelovigen,

Door de drukte van het dagelijks bestaan vergeten wij vaak de werkelijke betekenis van het leven hier op aarde, namelijk God dienen en daardoor eens de hemelse heerlijkheid binnengaan. Vaak doet zich de verleiding voor om onze kerkelijke gezindheid en trouwe navolging van het uiterlijke leven van de Kerk als een activiteit te beleven, maar dat is niet voldoende. Ons kerkelijk leven zou niet allereerst een uiterlijke vorm moeten zijn, maar zou moeten draaien om het daadwerkelijke geloof in en een persoonlijke band met Jezus Christus. Want door het kerkelijk leven nemen wij in sacramentele zin deel aan de heilsgeschiedenis die Hij vanuit Golgotha door alle tijden heen laat stromen en aan alle mensen voltrekt die zich voor Hem openstellen.

Juist in deze heilshandeling moeten wij onze allereerste en diepste verbinding met de Kerk, haar begin, hoogtepunt en voleinding vinden. Daarin zijn wij werkelijk verbonden met Christus, Die de Wil van God voltrekt. Alleen in verbinding met Hem zijn ook wij in staat om de Wil van God te doen en het eeuwig leven te verwerven. Samenvattend: Als wij ons leven op aarde op juiste wijze willen gebruiken, dan moeten wij bij God beginnen. Wij moeten leven vanuit Zijn menswording en door de heilsgenade in de Kerk, om uiteindelijk bij ons heengaan ook naar God terug te keren. Dit alles geeft de mens het juiste theocentrische zicht op de werkelijkheid van zijn bestaan en stelt hem in staat om de juiste middelen in zijn leven in te zetten.

Met mijn priesterlijke zegen,

Pater M. Kromann Knudsen FSSP, pastoor

2 augustus 2018

2 augustus: Heilige Alfonsus Maria van Liguori, bisschop, belijder en Kerkleraar

Alfonsus Maria de Liguori werd geboren op 27 september 1696 te Marianella bij Napels in Italiëin een adellijke en rijke Napolitaanse familie. Op zijn twintigste stond hij al in geheel Napels bekend als een bekwaam en betrouwbaar advocaat. Eens ontdekte hij, toen hij na een proces de rechtszaal verliet, dat hij het onrecht verdedigd had. Zo gebrekkig en onvolmaakt was blijkbaar het menselijke kennen en weten. Van toen af ging hij voor priester studeren. Hij ontving de priesterwijding toen hij dertig jaar oud was. Onmiddellijk ging hij preken voor het volk. Het was zijn ideaal om eenvoudige, ongeschoolde mensen het evangelie te doen begrijpen. Vandaar dat hij in de taal van het volk preekte met zeer eenvoudige woorden.

Niet iedereen waardeerde wat Alfonsus deed. Hij ondervond veel tegenstand van zijn vader, van de koning en enige tijd ook van de paus. Maar intussen sloten anderen zich bij hem aan, en uiteindelijk groeide deze beweging uit tot een nieuwe congregatie van religieuzen: de redemptoristen. Zij leefden in uiterste eenvoud, voelden zich aangetrokken tot de gewone mensen en brachten grote predikanten voort. Hijzelf schreef meer dan honderd boeken, waarvan zijn Moraaltheologie het bekendste zou worden. Beroemd is ook zijn boek 'De Heerlijkheid van Maria', een samenvatting van Maria's rol in de Kerk tot dat moment. Hij toont er Maria als middelares van alle genadegaven.

Uiteindelijk werd hij bisschop van het plaatsje Agatha de' Goti. Hij verkocht regelmatig goederen uit het bisschoppelijk paleis om het geld onder de armen te verdelen. Alfonsus gaf de zielenherders en biechtvaders de raad trouw te zijn aan de katholieke moraal en was daarbij beminnelijk, begripvol, zachtmoedig in de omgang zodat berouwvolle mensen zich op de weg van hun geloof en christelijk leven zouden begeleid, gesteund en bemoedigd weten. De heilige Alfonsus hield nooit op te herhalen dat priesters een zichtbaar teken zijn van Gods oneindige barmhartigheid, die vergeeft en de geest en het hart van de zondaar verlicht opdat hij zich zou bekeren en zijn leven zou veranderen. In onze tijd, waarin wij duidelijke tekenen zien dat het morele geweten ontspoort en van een zeker gebrek aan waardering voor het Biechtsacrament, is dit onderricht van de heilige Alfonsus nog zeer actueel.

In de laatste twintig jaar van zijn leven ging zijn gezondheid almaar achteruit. Hij vroeg paus Clemens XIV om ontslag wegens gezondheidsredenen, maar de paus weigerde. De paus vond dat hij met één gebed vanuit zijn ziekbed meer goed kon doen dan met 1.000 pastorale bezoeken in zijn bisdom. De opvolger van paus Clemens, paus Pius VI gaf hem in 1775 wel ontslag als bisschop. Inmiddels had Alfonsus overal pijn, groeide krom van de jicht, werd doof en zo goed als blind, terwijl ook zijn verstand ernstig achteruitging. Maar zijn allerergste beproeving was wel dat hij in ongenade viel bij de paus en dat er in zijn religieuze congregatie een scheuring ontstond.

Hij stierf op 1 augustus 1787 te Norcera dei Pagani (bij Napels) ruim 90 jaar oud.

In 1839 werd hij heilig verklaard. Hij is patroon van biechtvaders en theologen, in het bijzonder de moraaltheologen. In 1871 werd hij door paus Pius IX tot Kerkleraar uitgeroepen.

Hij wordt vaak afgebeeld als een enigszins gebogen grijsaard in redemptoristenhabijt (zwart kleed met witte boord) of in bisschopskledij (staf, mijter, tabberd); vaak heeft hij een rozenkrans, een missiekruis of een boek in zijn handen.

Van de heilige Alfonsus Maria wordt verteld dat hij in 1774 werd gezien aan het sterfbed van paus Clemens XIV, terwijl hij in zijn kloostercel zat, vier dagreizen daarvandaan; volgens sommigen lag Alfonsus die dag bewusteloos in bed. Paus Clemens XIV was de paus die zijn vraag tot ontslag als bisschop afwees. Deze bilocatie was het wonder dat een rol speelde bij zijn heiligverklaring.

De heilige Alfonsus trachtte te bereiken, dat de christengelovigen hun leven op het tabernakel richtten, met een innige godsvrucht jegens Jezus in het Sacrament. Hij hechtte bijzonder belang aan het bezoek aan het Allerheiligste, en om dat te vergemakkelijken schreef hij een klein tractaat. Daarin komt het volgende gebed voor:

Gebed voor een bezoek aan het Allerheiligst Sacrament

Jezus Christus, mijn Heer, Die uit liefde voor de mensen dag en nacht in dit Sacrament tegenwoordig blijft, vol goedheid en liefde, wachtend, uitnodigend en ontvangend allen die U komen bezoeken; ik geloof dat Gij in het Sacrament van het altaar tegenwoordig zijt. Ik aanbid U uit het diepst van mijn onwaardigheid en dank U voor alle gunsten welke Gij mij hebt bewezen, in het bijzonder dat Gij mij Uzelf in dit Sacrament hebt geschonken, dat Gij mij Uw heilige moeder Maria tot voorspreekster hebt gegeven en dat Gij mij hebt geroepen U in deze kerk te bezoeken. Ik groet vandaag Uw allerbeminnelijkst Hart, en wil dat doen om drie redenen: allereerst, als dankzegging voor deze grote weldaad; ten tweede, om U voldoening te geven voor alle beledigingen, die Uw vijanden U in dit Sacrament hebben aangedaan; en in de derde plaats heb ik de mening U door dit bezoek te aanbidden op alle plaatsen der aarde, waar Gij in Uw Sacrament het minst aanbeden en het meest verwaarloosd wordt.

Mijn Jezus, ik bemin U met geheel mijn hart. Ik heb er berouw over dat ik in het verleden Uw oneindige goedheid zo dikwijls heb mishaagd. Ik neem mij voor met de hulp van Uw genade U in het vervolg nooit meer te beledigen; en op dit ogenblik, nietswaardig als ik ben, wijd ik mij geheel aan U toe. Ik verzaak aan mijn wil, aan mijn genegenheden, aan mijn verlangens en aan alles wat mij toebehoort, en geef het aan U. Van deze dag af doe met mij en met al het mijne wat U behaagt. Ik vraag en verlang niets anders dan Uw heilige liefde, de eindvolharding en de volmaakte vervulling van Uw Wil. Ik beveel U de zielen in het vagevuur aan, in het bijzonder hen die een grote godsvrucht hadden tot dit Sacrament en tot de heilige maagd Maria. Ook beveel ik U alle arme zondaars aan. Ten slotte, mijn lieve Verlosser, verenig ik al mijn gevoelens met die van Uw liefhebbend Hart, en offer ze zo aan Uw eeuwige Vader, Hem biddend ze in Uw Naam aan te nemen en te verhoren.

1 augustus 2018

1 augustus: Sint Petrus' Banden (commemoratie: Heilige Maccabeeën, martelaren)

Minstens sinds de vijfde eeuw worden in de oude basiliek der apostelen op de Esquilijnse heuvel in Rome de ketenen bewaard waarmee de apostel Petrus tijdens zijn laatste gevangenschap was geboeid. Deze kettingen werden door de christenen bewaard en vereerd. Later werden ze door patriarch Juvenalis van Jeruzalem geschonken aan de verbannen keizerin Eudokia. Zij verdeelde ze in twee delen, een deel stuurde ze naar Constantinopel en de andere naar Rome, destijds de hoofdsteden van het Romeinse Rijk. In Rome werden de boeien waarin Petrus ten tijde van keizer Nero op zijn marteldood had zitten wachten hieraan toegevoegd.

De godsvrucht van het volk voor deze reliek was zo groot dat de kerk de naam van Sint Petrus' Banden ontving en het kerkwijdingsfeest een feestdag werd ter ere van de Prins der apostelen. Op deze feestdag wordt ons de grote kracht voorgehouden van het volhardende gebed van leden van de Kerk. Petrus werd immers gevangen gehouden, maar na het voortdurende gebed van de jonge Kerk werd hij van zijn ketenen bevrijd (Handelingen 12).

De heilige Maccabeeën, wier gedachtenis ook vandaag wordt gevierd, zijn de enige heiligen uit het Oude Verbond die in de kalender van de Westerse Kerk worden herdacht. De relieken van deze martelaren, die te zamen met hun moeder door onderkoning Antiochus omwille van hun trouw aan de wet des Heren ter dood werden gebracht, zijn teruggevonden onder het altaar van de basiliek van Sint Petrus' Banden, waar zij sinds de consecratie van de kerk moeten hebben gelegen. Waarschijnlijk koos men deze dag uit voor de wijding van deze kerk, omdat het van oudsher in het Oosten de feestdag was van de heilige Maccabeeën.

Informatiebulletin voor de maand augustus is verschenen

Het Informatiebulletin van de Sint-Jozefparochie bij de Agneskerk voor de maand augustus is verschenen. Het bulletin is op deze site te vinden onder het tabblad 'Informatiebulletin augustus' of klik op onderstaande afbeelding. Ook bestaat de mogelijkheid om het blad elke maand gratis en in kleur per e-mail (klik hier) te ontvangen.

31 juli 2018

31 juli: Heilige Ignatius van Loyola, belijder

Ignatius van Loyola was de zoon van een Baskische edelman. In zijn jonge jaren leidde hij een losbandig leven, maar tijdens zijn diensttijd in het Spaanse leger kwam er in 1521 een ommekeer in zijn leven toen hij tijdens een slag bij de stad Pamplona gewond raakte.

Tijdens zijn verpleging in Loyola was er weinig anders te doen dan wat te lezen. Zo las hij over Christus en in een boek over heiligenlevens. Hij raakte begeesterd en na zijn herstel ondernam hij in 1534 met zes anderen vanuit Parijs een pelgrimstocht naar Palestina. In 1537 werd hij in Venetië tot priester gewijd.

God had hem op zijn ziekbed door de innerlijke bewegingen van troost en dorheid de eerste lessen in onderscheiding der geesten en gebed bijgebracht. Hij zou dat ook in het vervolg blijven doen. Ignatius hield nauwgezet notitie bij van wat hij in zijn gebed doormaakte. Uit die aantekening is zijn handleiding voor het begeleiden van bidders gegroeid: de "Geestelijke Oefeningen".

Daarin legt Ignatius achtereenvolgens de nadruk op het ordenen van je leven, of beter het inordenen van je leven binnen Gods bedoeling met de wereld, en op de navolging van Christus door punctueel de evangelieverhalen te overwegen, en tenslotte op het vermogen om in alle dingen Gods liefde te zoeken en te vinden.

Hij was ervan overtuigd, dat deze gaven hem geschonken waren om door te geven. Zo begon hij mensen te begeleiden in hun gebed. Op zijn veertigste zette hij zich nog aan een theologiestudie te Parijs om beter onderlegd te zijn in het geven van de Geestelijke Oefeningen. Aan de universiteit probeerde hij met behulp van zijn gebedsmethode studenten te winnen voor Christus. Tenslotte vormde zich een groep van negen studenten rond de Geestelijke Oefeningen. De beroemdste van hen is wel Franciscus Xaverius, net als Ignatius een Bask.

In 1539 kwam het te Rome tot de oprichting van de Jezuïeten. In 1540 werd de orde officieel door de paus goedgekeurd. Het bijzondere was, dat de paus de onvoorwaardelijke volmacht kreeg om de leden ervan daarheen te sturen, waar hij, als plaatsbekleder van Christus, meende ze het meest nodig te hebben.

Tot aan zijn dood op 31 juli 1556 was hij het bezielende middelpunt van een snel groeiende en zich wereldwijd vertakkende organisatie. Hij bezwoer de paters om regelmatig brieven te schrijven, zodat hij op de hoogte kon blijven, en zich aan hun verhalen kon inspireren. Zelf schreef hij er duizenden.

Was de Orde in 1540 begonnen met tien man, zestien jaar later bij Ignatius' dood telde ze duizend paters en broeders, verspreid over vestigingen in heel Europa, Azië, Ethiopië en de beide Amerika's.

Zijn grafschrift luidt: "Voor hem was het kleinste niet te klein en het grootste niet te groot."

Hij werd in 1622 heilig verklaard door paus Gregorius XV.

Een van de meest bekende geschriften van de heilige Ignatius van Loyola is het volgende:

Gebed na ontvangst van de heilige Communie

Ziel van Christus, heilig mij.
Lichaam van Christus, red mij.
Bloed van Christus, verblijd mij.
Water uit de zijde van Christus, was mij.
Lijden van Christus, sterk mij.
O goede Jezus, verhoor mij.
In Uw wonden, verberg mij.
Laat mij niet van U gescheiden worden.
Tegen de boze vijand, bescherm mij.
In het uur van mijn dood, roep mij.
En laat mij tot U komen,
om met Uw heiligen U te loven
in de eeuwen der eeuwen. Amen.

29 juli 2018

Tiende zondag na Pinksteren

De farizeeër en de tollenaar.

Epistel
1 Kor. 12, 2-11
Broeders, gij weet het: toen gij nog heidenen waart, hebt gij u blindelings laten leiden naar de stomme afgoden. Daarom vestig ik er uw aandacht op, dat niemand, die spreekt door de Geest van God, zegt: Jezus zij vervloekt; evenzo kan niemand zeggen: Jezus is de Heer, tenzij door de Heilige Geest. Wel is er verschil van genadegaven, maar het is dezelfde Geest; en er is verschil van bediening, maar het is dezelfde Heer, en er bestaat verschil van werking, maar het is dezelfde God, Die alles in allen werkt. Aan een ieder wordt de zichtbare werking van de Geest gegeven, om er nut mee te stichten. Aan de een wordt door de Geest gegeven een woord van wijsheid; aan de ander een woord van kennis krachtens dezelfde Geest; aan een derde, in dezelfde Geest, geloof; aan een ander een gave van genezingen, in de éne Geest; aan een ander het werken van wonderen, aan een ander profetengave, aan een ander de onderscheiding der geesten; aan een ander het spreken van verschillende talen, aan een ander de vertolking van die talen. Maar dat alles bewerkt de éne en dezelfde Geest, Die aan een ieder toedeelt, zoals Hij wil.

Evangelie
Lc. 18, 9-14
In die tijd hield Jezus de volgende gelijkenis voor aan sommigen, die voor zichzelf de overtuiging hadden, dat zij rechtvaardig waren en daarom op de anderen met minachting neerzagen: Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de één was een farizeeër, de ander een tollenaar. De farizeeër stond daar, en bad bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet ben zoals de overige mensen: dieven, onrechtvaardigen, echtbrekers, of zoals die tollenaar ginds; ik vast tweemaal in de week, ik geef tienden van alles, wat ik in bezit krijg. Maar de tollenaar bleef op een afstand staan en durfde zelfs zijn ogen niet ten hemel opheffen; doch hij klopte op zijn borst en zei: O God, wees mij, zondaar, genadig! Ik verzeker u: deze laatste ging gerechtvaardigd naar huis, in tegenstelling met de ander; want al wie zich verheft, zal vernederd, maar wie zich vernedert, zal verheven worden.

Overweging
In de gelijkenis van deze zondag over de farizeeër en de tollenaar wordt ons door Jezus weer eens duidelijk het belang van ware nederigheid voorgehouden. Twee mensen gingen bidden, een farizeeër en een tollenaar. De farizeeër bad: “God, ik dank u dat ik niet ben zoals de anderen, rovers en onrechtvaardigen, of zoals die tollenaar.” Daarna vertelt de farizeeër aan God al het goede dat hij doet. De tollenaar bidt in zijn gebed tot God: “O God, wees mij, zondaar, genadig.”

Hier wordt door Jezus Zelf de grondslag van alle ware nederigheid aangegeven. Het is de erkenning van onze diepe ellende, armoede en zondigheid, van onze geringheid tegenover de oneindige volmaaktheid van God. Wij kunnen alleen voor Hem treden in een geest van diepe erkentenis van ons eigen onvolkomenheid. Alles wat wij verder over de nederigheid kunnen zeggen, steunt daar op en wordt daar van afgeleid. De heilige Bernardus zou de nederigheid bepalen als ‘de geringe dunk die iemand heeft van zichzelf’. En terecht is dit een kenmerk van wezenlijke en ware nederigheid.

Wij kunnen zeggen dat nederigheid altijd een gering en bescheiden denken over zichzelf betekent. Het is ook onszelf willen zien zoals wij werkelijk zijn, inclusief alle gebreken en fouten. Zichzelf zo te zien is de eerste stap op de weg naar volmaaktheid die God in degene bewerkt die zichzelf kent en daarom bereid is om met Zijn genade mee te werken. Het fundament van de ware nederigheid is daarom de juiste houding die men aanneemt tegenover God. De farizeeër meent God een dienst te bewijzen met het opzeggen van al zijn eigen goede werken. Hij verheft zich daardoor op een hoogmoedige wijze boven anderen en dankt God er zelfs voor dat hij niet is zoals de anderen. Hij acht zichzelf beter dan zijn omgeving. Door de gelijkenis van vandaag keurt Christus zijn gedrag en zijn gebed volkomen af. De farizeeër weet geen houding van liefdevolheid aan te nemen tegenover de mensen, omdat hij geen houding van bescheidenheid weet aan te nemen tegenover God.

De tollenaar is zich bewust van zijn zonden. Hij is verlegen, hij voelt zich als geslagen. Hij durft zelfs niet op te zien en stamelt alleen: “God, wees mij, zondaar, genadig”. Alles van de ‘übermensch’ is hier weg. Alleen berouw, deemoed en besef van eigen zondigheid blijven in hem over.

En dan volgt het onomwonden oordeel van de Meester: “Ik zeg u, deze ging gerechtvaardigd naar huis, in tegenstelling tot de ander.” De tollenaar wordt geprezen. Hij had besef van zijn zondigheid. Hij trachtte niet zijn eigen ellende op allerlei wijzen te camoufleren. Hij was een zondaar, maar door dat met berouw te erkennen werd hij een rechtwaardige. Zelfs zonder zonden blijft de mens op onmetelijke afstand van God verwijderd, en heeft hij daarom allerlei redenen om nederig over zichzelf te denken. De farizeeër beging de fout van eigen blindheid.

Laten wij het volgende woord van de heilige Augustinus ter harte nemen: “God, laat mij toch kennen wie Gij zijt en laat mij erkennen wie ik ben”. In deze woorden ligt de sleutel van nederigheid en dankbare Godbejegening.

27 juli 2018

27 juli: Heilige Pantaleon, martelaar

Pantaleon was het kind van een christelijke moeder en een heidense vader. Zijn vader bekeerde zich nadat Pantaleon een blinde genas door Jezus aan te roepen. Op basis van zijn genezende gave werd hij in dienst genomen als lijfarts door keizer Maximianus.

Toen Pantaleon de vrouw van de keizer tot het christendom trachtte te bekeren, werd hij gevangengenomen en aangeklaagd. Ondanks martelingen bleef hij standvastig. Bij een poging hem te onthoofden werd zijn schedel gespleten maar vloeide er geen bloed maar melk uit de wond.

Pantaleon wordt als martelaar vereerd. Hij is een van de veertien helpers in nood. De anderen zijn Achatius, Barbara, Blasius, Catharina, Christoffel, Cyriacus, Dionysius, Egidius, Erasmus, Eustachius, Joris, Margaretha en Vitus.

Hij is patroon van de Duitse stad Keulen en de Portugese stad Oporto. Hij is beschermheilige van artsen, chirurgen en apothekers, van kraamverzorgsters, vroedvrouwen, bakers en minnen (waarschijnlijk vanwege de melk die vloeide bij zijn onthoofding), en ook van huisdieren. Zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen hoofdpijnen, tuberculose, vermagering en vereenzaming, tegen sprinkhanenplagen en allerlei veeziekten.

In het oosten, waar hij behoort tot de grote heiligen, wordt hij afgebeeld als jonge man zonder baard; vaak met het kruis van zijn martelaarschap in de hand. In het westen ziet men hem meestal in de houding van zijn martelaarschap: vastgebonden aan een olijf- of palmboom met beide handen boven op zijn hoofd vastgespijkerd, of met zijn definitieve martelwerktuig: de bijl.

26 juli 2018

26 juli: Heilige Anna, moeder van de heilige maagd Maria

Volgens de overlevering is Anna de moeder van Jezus' moeder, Maria. Zij was gehuwd met Joachim. Het waren vrome joden, die hun leven lieten leiden door de liefde tot God. Met alle grote feesten begaf Joachim zich naar de tempel om daar een offer aan God op te dragen. Verdrietig was alleen dat ze geen kinderen hadden. Herhaaldelijk hadden ze God erom gesmeekt, en ze beloofden erbij dat ze het kind aan God zouden toewijden, zodat Hij erover kon beschikken, maar zonder resultaat. Intussen waren ze al oud geworden.

Bij gelegenheid van het feest van de tempelwijding trok Joachim met een paar familieleden naar de tempel om een offer op te dragen. Anna bleef thuis. Maar toen de hogepriester hem tussen de andere joden in zag staan, sprak hij smalend: "Hoe durf jij, Joachim, tussen al die anderen te gaan staan? God heeft je immers gestraft door je geen kinderen te geven. En dacht je dan dat Hij je offer zou aannemen? Zorg eerst maar dat die schande van jou uit ons midden wordt weggenomen, dan mag je terugkomen om weer te offeren."

Beschaamd maakte Joachim zich uit de voeten. Hij durfde ook niet meer naar huis, bang dat hij daar met de vinger zou worden nagewezen. Hij verborg zich tussen de herders van Bethlehem. Daar verscheen hem een engel die hem aankondigde dat hij een kind zou krijgen: een meisje dat hij Maria moest noemen. En geef haar aan God, zoals je beloofd hebt. Ga naar Jeruzalem; daar zul je je vrouw Anna tegenkomen. Ze maakt zich erg bezorgd om je. Je zult haar treffen bij de Gouden Poort.

Zo ging de engel ook naar Anna. Haar verkondigde hij dezelfde vreugdevolle boodschap. Ook zij begaf zich op weg. Bij de Gouden Poort werd het een aandoenlijk weerzien. Die ontmoeting geldt als het moment, waarop Anna van Maria in verwachting raakte.

Zij is patrones van Sint-Anna, Sint-Annaland (Tholen) en Sint-Annaparochie (Het Bildt, Friesland). Er zijn nog Sint-Annakerken of -kapellen in Amstelveen, Amsterdam, Augsbuurt, Bergharen, Best (kapel), Boxtel (kapel), Breda (kapel), Gersloot, Hantumhuizen, Heerlen, Helmond, Herpen-Koolwijk (bedevaartkapel), 's-Hertogenbosch, Maastricht, Molenschot (bedevaartkerk: hier bidden meisjes die op bedevaart komen: 'Sinte-Anneke, geef me een manneke'), Nijmegen (tezamen met St-Antonius), Oudenbosch (kapel), Rosmalen, Rotterdam (kapel tezamen met Joachim), Sint-Annaparochie, Spaubeek (kapel), Tilburg, Yerseke.

Zij is beschermheilige van echtelieden, aanstaande moeders, zwangere vrouwen en vrouwen die moeilijk zwanger raken, bakers, voedsters, huismoeders (moeders en huisvrouwen) en weduwen; van onderwijzeressen (omdat zij haar dochter Maria bidden en lezen leerde); van huishoudelijke beroepen als wevers, borduursters, kantwerkmakers, kantwerksters, kleermakers, kousenmakers en naaisters; van dienstvaardige beroepen als huishoudsters, huishoudelijk personeel, dienstpersoneel, slippendragers van kardinalen, stalknechten, arbeidsters, thuisarbeidsters; en vandaar ook van arme standen; van beroepen die verwant zijn aan de huishoudelijke: hooiers, bezembinders, touwslagers; van kunstvaardige beroepen als timmerlieden, houtbewerkers, houtdraaiers, kastenmakers, schrijnwerkers en kunstschrijnwerkers; van goudsmeden; van molenaars, mijnwerkers en marskramers; van scheepslui, schippers en zeelieden (heeft waarschijnlijk te maken met de bretonners); en tenslotte van de brandweer.

Daarnaast wordt zij aangeroepen ook aangeroepen voor een goed huwelijk en echtelijke vruchtbaarheid en tegen onvruchtbaarheid; voor succes en geluk tijdens de zwangerschap en tegen een moeilijke zwangerschap; voor een voorspoedige bevalling; tegen bedplassen; verder tegen ziekten en kwalen als borstpijn, buikpijn, fijt, hoofdpijn, huiduitslag, kiespijn, koorts, koortsige ziekten, oogziekten, pest, en zweren; bovendien voor een rijke hooioogst; voor het terugvinden van verloren of gestolen goederen; ze beschermt de mijnbouw; aangeroepen tegen oorlog.

Sint Anna wordt afgebeeld met Maria en kleinkind Jezus (Anna te Drieën of Annatrits); soms met haar hele familie (tot achtentwintig personen); in groene (hoop) of rode mantel (liefde); met een of meer boeken; haar kind onderwijzend; de Bijbel lezend.

Gabriël Smit schreef een rijmpje over de ouders van de heilige Maagd:

Zie Joachim en Anna beiden
Maria’s ouders, vroom en wijs,
in liefde, door geen dood te scheiden
tot in Gods eeuwig Paradijs.
En leer hoe liefde samenbindt
wie door Maria wordt bemind.

25 juli 2018

25 juli: Heilige Christoforus, martelaar (commemoratie)


Al slaan de golven Christofoor,
Gij loopt er veilig en sterk door
Want op uw schouder zit het Kind
Dat Koning is van stroom en wind.
Bid, dat mijn hart Hem dragen mag,
Dan vrees ik storm noch tegenslag.


Gabriël Smit

25 juli: Heilige Jacobus, apostel

Jacobus was een van 'de twaalf', de kring van Jezus' meest intieme leerlingen. Om hem te onderscheiden van de andere Jacobus uit de twaalf, wordt hij ook wel 'de Meerdere' (dit is 'de oudere') genoemd. Ook zijn jongere broer Johannes, de latere evangelist, hoorde daartoe. Zij waren zonen van Zebedeus, een welvarende visser uit het plaatsje Bethsaïda aan het Meer van Gennesareth; hun moeder heette Maria Salome.

De evangelist Marcus vertelt hoe Jacobus en Johannes Jezus' leerlingen werden: Toen Jezus eens langs het Meer van Galilea liep, zag Hij Simon en de broer van Simon, Andreas, terwijl ze bezig waren het net uit te werpen in het meer; zij waren namelijk vissers. Jezus sprak tot hen: "Komt, volgt Mij; Ik zal maken, dat je vissers van mensen wordt." Terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden Hem. Iets verder gaande zag Hij Jacobus, de zoon van Zebedeus, en diens broer Johannes; ook zij waren in de boot bezig hun netten klaar te maken. Onmiddellijk riep Hij hen. Zij lieten hun vader Zebedeus achter en volgden Hem. (Mc. 1,16-20)

Volgens het Evangelie van Mattheüs kwamen de twee op een keer met hun moeder op Jezus af en wierpen zich aan Zijn voeten ten teken dat zij iets te vragen hadden. Hij vroeg aan hun moeder: "Wat verlangt u?", waarop zij antwoordde: "Laat deze twee jongens van mij in Uw koninkrijk zitten, een aan Uw rechterhand en een aan Uw linkerhand." Dit tot woede van de andere tien leerlingen. Voor Jezus was dit aanleiding om iets te zeggen over ware grootheid: "Wie onder jullie groot wil worden, moet dienaar van jullie zijn." (Mt. 20, 20-28)

Met Petrus en Johannes maakte Jacobus deel uit van het groepje van drie apostelen dat getuige was van een aantal grote momenten uit Jezus' leven. Ze mochten erbij zijn, toen Jezus het dochtertje van Jaïrus uit de dood deed opstaan (Mc. 5, 35-43); en ook bij de gedaanteverandering van Jezus op de berg (Mc. 9, 2-8), en op de vooravond van Zijn lijden en dood in de tuin van Gethsemané, waar Jezus Zich afzonderde om in doodsangst tot Zijn Vader te bidden (Mc. 14, 32-34).

Volgens de Handelingen van de Apostelen werd Jacobus op last van koning Herodes met het zwaard gedood (Hand. 12, 2). Dat moet omstreeks het jaar 44 gebeurd zijn. Hij is de eerste martelaar van de twaalf leerlingen.

Volgens een legende zou de apostel Jacobus na het eerste Pinksterfeest naar Spanje zijn getrokken om daar het Evangelie te verkondigen.

Sint Jacobus is patroon van de steden Den Haag, Leeuwarden en Sint Jacobiparochie. Verder is hij patroon van Spanje en van de stad Santiago de Compostela (Sant-Iago), waar zich ook de beroemde bedevaartskerk bevindt. Sinds de negende eeuw vormt deze plaats een van de beroemdste en drukst bezochte bedevaartsoorden van de westerse wereld. In de Middeleeuwen kwam het na Rome en Jeruzalem op de derde plaats. Langs de aanlooproutes ontstonden talloze kerken, kloosters, kapellen en gasthuizen.

Jacobus wordt afgebeeld als pelgrim met een lange mantel, een breedgerande hoed, staf, reistas en drinkfles. Op zijn hoed en op zijn borst is de pelgrimsschelp te zien. Deze Sint-Jacobsschelpen werden door de pelgrims aangetroffen op het strand bij Santiago en als souvenirs meegenomen, meestal vastgenaaid op de hoed of een andere opzichtige plek op de kleding. Het werd het pelgrimsinsigne bij uitstek. Wie zulke schelpen draagt, staat onder de persoonlijke bescherming van Sint Jacobus.

23 juli 2018

23 juli: Heilige Apollinaris, bisschop en martelaar

Apollinaris is waarschijnlijk nog in de Syrische stad Antiochië leerling geworden van de apostel Petrus. Zoals wij in de Handelingen van de Apostelen (11, 26) kunnen lezen, was Antiochië de stad waar Jezus’ volgelingen voor het eerst ‘christenen’ werden genoemd. Hij heeft Petrus vergezeld op zijn missiereis die hem uiteindelijk in Rome zou brengen. Vandaar heeft Petrus hem zelf aangesteld tot bisschop van de stad Ravenna met de opdracht in die omgeving het Evangelie te verkondigen.

Om te beginnen genas hij de zoon van zijn gastheer van blindheid. Van dat moment af werd hij steeds omringd door een kring luisteraars die benieuwd waren naar wat hij te vertellen had. Zo maakte hij bekeringen en doopte nieuwe gelovigen. Tenslotte ging dit alles keizer Vespasianus (69-79) te ver. Hij liet hem arresteren en martelen; uiteindelijk werd hij doodgeknuppeld.

In 549 werd zijn stoffelijk overschot verhoogd tot de eer der altaren, destijds een officiële heiligverklaring. Hij staat in biddende houding (armen gespreid: 'orante') in mozaïek afgebeeld in de apsis van de basiliek Sant’ Apollinare in Classe te Ravenna uit de zesde eeuw. Sinds de 13e eeuw heeft de Lambertikerk in de Duitse stad Düsseldorf een belangrijke Apollinarisreliek.

In het Romeinse Martyrologium wordt Apollinaris beschreven als 'een bisschop die, volgens de traditie, terwijl hij de diepe rijkdom van Christus verspreidde onder de volkeren, zijn kudde leidde als een goede herder en de Kerk van Classis, nabij Ravenna, vereerde met een glorierijk martelaarschap'.

22 juli 2018

Negende zondag na Pinksteren

Jezus weent over Jeruzalem.

Epistel
1 Kor. 10, 6-13
Broeders, laten wij geen begeerten koesteren naar het kwade, zoals zij (de Israëlieten) dat hebben gedaan. Wordt dus geen afgodendienaars, zoals sommigen van hen; er staat immers geschreven: “Het volk zette zich neer om te eten en te drinken, en zij stonden op om te spelen.” Laten wij ook geen onkuisheid bedrijven, zoals sommigen van hen zich overgaven aan ontucht; en op één dag vielen er drieëntwintigduizend. En laten wij Christus niet tergen, zoals sommigen van hen dat hebben gedaan; en zij kwamen om door de slangen. En wilt ook niet morren, zoals sommigen van hen dat deden; en zij kwamen om door de verderfengel. Dit alles nu is hun overkomen bij wijze van voorbeeld, en het werd opgeschreven als een waarschuwing voor ons, die het einde der tijden beleven. Daarom – wie meent, dat hij staat, laat hij toezien, dat hij niet valt. Geen beproeving moge u aangrijpen, die niet menselijk is; doch – God is getrouw, en Hij zal niet toelaten, dat gij beproefd wordt boven uw krachten; maar met de beproeving zal Hij ook uitkomst geven, om ze te kunnen doorstaan.

Evangelie
Lc. 19, 41-47
In die tijd, toen Jezus in de nabijheid van Jeruzalem kwam en de stad daar voor Zich zag liggen, weende Hij over haar en sprak: Ach, mocht ook gij, tenminste op deze uwe dag, nog inzien, wat u tot vrede strekt! Maar thans is dat voor uw ogen verborgen. Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden u met een stormwal zullen omringen, u zullen omsingelen en van alle kanten in het nauw brengen; en zij zullen u en uw kinderen binnen uw muren ter aarde neerslaan; en zij zullen bij u geen steen op de ander laten, omdat gij uw tijd van genade niet hebt erkend. En Hij ging de tempel binnen en begon de kopers en verkopers, die daar waren, uit te drijven met de woorden: Er staat geschreven: “Mijn huis is een huis van gebed”; maar gij hebt er een rovershol van gemaakt! En iedere dag gaf Hij onderricht in de tempel.

Overweging
In het Evangelie van vandaag beweent de Heer de stad Jeruzalem, hoofdstad van Zijn aardse vaderland, en zinnebeeld van ons hemelse Vaderland. De Heer beweent die prachtige stad met Gods tempel, omdat Hij het einde van die stad voorziet. Rond vijfendertig jaar na Zijn kruisdood zal Jeruzalem door het Romeinse leger worden verwoest. Het Romeinse leger zal inderdaad de stad omsingelen, de inwoners neerslaan, en geen steen op de andere laten. Gods aardse verblijfplaats van het oude verbond, de tempel, zal vernietigd worden en blijven tot het einde der tijden. Want een nieuwe godsdienst zal komen in plaats van de oude. Men zal niet meer in de joodse tempel met dieroffers God aanbidden, maar overal ter wereld zal men God aanbidden, in de geest en in de waarheid, dat wil zeggen in de genade van de Heilige Geest en in de Waarheid van Jezus Christus. Met de vernietiging van de joodse tempel zal een onherroepelijk einde aan de oude godsdienst komen, want op het Kruis zal het ware Lam Gods opgedragen worden, een Offer van eeuwige waarde, en zo zullen de menigvuldige tijdelijke offers van de joden en heidenen hun betekenis en zin voorgoed kwijtraken. De profeet Malachias voorzag dat er een dag zou komen, wanneer "ter ere van God een zuiver offer onder de volkeren opgedragen zal worden van zonsopgang tot zonsondergang" en dat zuiver Offer is onze heilige Mis, de onbloedige tegenwoordigstelling van het bloedige Kruisoffer.

Als mens heeft Christus Zijn aardse vaderland en Zijn volk lief. Als mens spijt het Hem dat de aardse staat waarvan hij onderdaan is, na één geslacht de laatste schijn van zijn onafhankelijkheid zal verliezen en voorgoed ten onder zal gaan. Als mens beweent Hij de val van het centrum van de godsdienst en cultuur van Zijn aardse volk. De gevoelens van onze Zaligmaker zijn oprecht en edel en een schitterend voorbeeld voor ons, dat ook wij ons aardse vaderland en volk beminnen zoals Hij. Maar tegelijkertijd als God kan Hij het einde van Zijn geliefde stad en tempel voorzien. Als God weet onze Heer dat aan iedere aardse stad, volk en tempel een einde zal komen. Alleen het hemelse Vaderland, alleen het hemelse volk, alleen de hemelse tempel zullen voor eeuwig blijven bestaan. Door het vergaande aardse vaderland te beminnen, leren wij naar het eeuwige hemelse Vaderland te verlangen.

In het slot van het Evangelie van vandaag wordt ons een kant getoond van onze Heer die wij zelden zien: woede. De woede van Christus is gerechtvaardigd, want die is de vrucht van heilige ijver voor Gods tempel en de juiste reactie op de heiligschennis die daarin gepleegd wordt. De kopers en verkopers hebben een geoorloofde reden om in de tempel te zijn. Zij zijn bezig met het kopen en verkopen van dieren voor de verplichte tempeloffers. Maar de handel moet niet in de tempel plaatsvinden, maar in de voorhof. En nog erger, de verkopers maken er een zwendel, een oplichterij van, door te veel te vragen voor de offerdieren. Niet voor niets noemt Christus hen 'rovers'. De Heer drijft de kopers en verkopers uit de tempel met de woorden: Mijn huis is een huis van gebed, maar gij hebt er een rovershol van gemaakt!

Als Christus zo'n heilige ijver had voor de tempel te Jeruzalem, hoe veel meer ijver zouden wij moeten voelen en tonen voor de kerk, voor het altaar, voor het tabernakel: de ware woonplaats van Jezus Christus op aarde!? De tempel te Jeruzalem was maar een voorafbeelding van ons kerkgebouw. De tempeldienst was maar een voorafbeelding van onze heilige Mis; het allerheiligste in de tempel was maar een voorafbeelding van ons tabernakel, dat het Ware Allerheiligste bevat: het Lichaam, het Bloed, de Ziel en de Godheid van onze Heer Jezus Christus, Die de tempel van Zijn menselijk lichaam binnen drie dagen waarlijk deed herrijzen.

Laten wij katholieken - die de ware godsdienst belijden - maar een klein beetje bezitten van die heilige ijver die onze Heer voor de tempel van het oude verbond toonde. Laten wij altijd met eerbied en bewondering Gods kerk binnentreden en de heilige geheimen van het altaar zo vereren dat wij de vrucht van de verlossing steeds in ons gevoelen. Laten wij zelf nooit vergeten - en anderen ook niet laten vergeten - dat het huis van God een huis van gebed is.

19 juli 2018

19 juli: Heilige Vincentius a Paulo, belijder

Vincentius werd op 24 april 1581 geboren als derde in het eenvoudige gezin Depaul te Pouy bij Dax, dat sinds 1828 is omgedoopt in St-Vincent-de-Paul. In 1595 verliet hij het ouderlijk huis en ging inwonen bij mijnheer Comet, advocaat en rechter te Dax om te kunnen studeren op het college van de Cordeliers. Twee jaar later schreef hij zich in aan de universiteit van Toulouse als student theologie. Na veel doorzettingsvermogen en intense studie werd hij op 23 september van het jaar 1600 tot priester gewijd door de bisschop van Périgueux.

Tijdens een zeereis werd hij door Turkse zeerovers gevangengenomen, waarna hij twee jaar lang slaaf was in Tunis. Na zijn ontsnapping was hij van 1609 tot 1617 in dienst van Philippe de Gondi, hertog van Joigny, als leermeester van diens kinderen en biechtvader van zijn vrouw. Intussen werkte hij sinds 1612 als pastoor in Clichy, Parijs en op het platteland te Gannes aan de Somme en later te Châtillon-les-Dombes. Daar leerde hij de ware armoede kennen, zowel materieel als geestelijk, en besloot zich het lot van de armen aan te trekken; in augustus 1617 stichtte hij zijn eerste Broederschap van de Liefde (Confrérie de la Charité). Op 8 september 1619 werd hem opgedragen aalmoezenier te worden van de galeislaven in Parijs.

Vanaf 1620 preekte hij volksmissies op het platteland en stichtte geleidelijk aan steeds meer Broederschappen van de Liefde. Zo deed hij in 1621 de Bourgondische plaats Mâcon aan en stichtte er prompt een Broederschap van Saint-Charles ter ondersteuning van zieken en armen. Na twee weken verliet hij de stad weer, ongemerkt, om alle loftuitingen te voorkomen. Maar zijn werk droeg vrucht, want lange tijd daarna verzamelde men elke zondag drie- tot vierhonderd noodlijdenden in de plaatselijke St-Nizierkerk. Daar woonde men eerst de druk bezochte heilige Mis bij. Na afloop werden er onder de armen geld en goederen verdeeld.

Vincentius groeide intussen onder leiding van zijn ascetische leermeester kardinaal Pierre de Bérulle († 1629) en van Franciscus van Sales († 1622) uit tot een man van de naastenliefde.

Op 17 april 1625 stichtte hij met behulp van mevrouw De Gondi de Congregatie van de Missie (Congregatio Missionis), waarvan de leden Lazaristen worden genoemd naar hun moederhuis St-Lazare te Parijs. Hun doel was ziekenverpleging en missie. Na een gepreekte retraite voor priesterkandidaten in 1628 te Beauvais begon hij zich ook uitdrukkelijk bezig te houden met de priesteropleiding. Daarnaast stichtte hij op 29 november 1633 met Louise de Marillac († 1660) de Congregatie van de Filles de la Charité (Dochters van Liefde), de grootste zusterscongregatie van de katholieke Kerk, bekend vanwege de uitzonderlijk wijd uitstaande kappen.

In 1638 trok hij zich het lot aan van wezen en vondelingen en een jaar later stuurde hij zusters van de congregatie naar het ziekenhuis van Angers alsmede naar Lotharingen dat op dat moment geteisterd werd door de oorlog. In 1640 wendde hij zich persoonlijk tot kardinaal Richelieu om hem tot vrede te bewegen. Zo komt het dat hij werd benoemd tot lid van de Raad van Geweten (Conseil de Conscience) en dat hij koning Lodewijk XIII bijstond in zijn stervensuur († 1643). Gedachtig zijn gevangenneming van zo'n veertig jaar terug stuurde hij in 1646 missionarissen naar Tunis om zich het lot aan te trekken van christenslaven in dienst van moslims. Twee jaar later stuurde hij de eerste missionarissen naar Madagscar.

In 1649 wendde hij zich andermaal tot de grote politieke leiders, nu koningin Anna van Oostenrijk († 1666) en haar minister-president Mazarin († 1661) om te pleiten voor vrede. In 1651 organiseerde hij grote hulpcampagnes in Picardië, Champagne en Ile-de-France, die alle ernstig onder de oorlog te lijden hadden gehad. In datzelfde jaar vestigde zijn congregatie zich in Polen. Was zijn rechterhand Louise de Marillac op 15 maart 1660 gestorven, hijzelf overleed in datzelfde jaar op 27 september.

Reeds tijdens zijn leven waren zijn erbarmen en betrokkenheid bij het lot van wezen, zieke kinderen, gevallen vrouwen, armen, blinden en geesteszieken legendarisch. Hij organiseerde liefdadigheidswerk, stichtte weeshuizen en zette in Parijs grote gaarkeukens op.

'Monsieur Vincent' rust in het Moederhuis (Maison-Mère) van de Lazaristen te Parijs. Ook de kapel aan de Rue du Bac aldaar, waar zijn hart wordt bewaard, is nog altijd een bedevaartsoord. Hij werd heilig verklaard in 1737. Op hem zijn de Vincentiusverenigingen van liefdadigheid geïnspireerd.

Hij is patroon van de lazaristen en de vincenterinnen, van de clerus, van gevangenen, verwaarloosde jongeren en wezen; van de liefdadigheid, caritatieve verenigingen, van alle liefdadigheidsinstellingen en liefdewerken, van weeshuizen en ziekenhuizen. Zijn voorspraak wordt ingeroepen voor spirituele hulp en het terugvinden van verloren voorwerpen.
Hij wordt afgebeeld omringd door kinderen, armen, hulpbehoevenden en/of gevangenen.

17 juli 2018

Verslag bedevaart Legioen Kleine Zielen naar Tancrémont, Banneux en Chevremont

Het graf van Marguerite in Chevremont.

Op zaterdag 30 juni was het zover. De afdeling Amsterdam van het Legioen Kleine Zielen hield de jaarlijkse bedevaart naar Tancrémont, Banneux en Chevremont. Om 8.30 uur vertrokken we vanuit Amsterdam met een volle bus met 44 volwassenen en vier kinderen. Onderweg naar Eindhoven baden we het reisgebed en het eerste rozenhoedje. In Eindhoven stapte Lia, de verkoopster van de rozenkranzen, in de bus en we reden door naar het eerstvolgende wegrestaurant. Om 12.15 uur kwamen we aan in Tancrémont, waar wij een heel mooie heilige Mis hadden. Vervolgens koersten wij naar Banneux, waar wij een mooie dag hebben beleefd. Het Lof was ook voor vele Kleine Zielen een hoogtepunt. Een zuster is tot diepe bezinning gekomen. Er waren ook velen die nog nooit aan een bedevaart hadden deelgenomen. Vanuit de bron zijn vele flessen water gevuld en meegenomen.

Ook zuster Eugenie Li A Ling is meegeweest, na een periode van ziekte, en mocht op die dag een jaartje bijtellen bij de vele die ze al had. En zo hadden we allen onze eigen nood om voor Maria neer te leggen. Ik ben zelf getroffen door een tijdelijke gezichtsverlamming; dat was ook de reden dat wij gedacht hadden dat de bedevaart niet kon doorgaan. Door genade is het ons toch gelukt.

Om 17.15 uur kwamen wij aan te Chevremont. De basiliek was gesloten, maar we konden wel het kapelletje bezichtigen. Het hoogtepunt van onze bedevaart was om bij het graf van Marguerite te bidden en te fotograferen. Wij hebben de Rozenkrans van de goddelijke Barmhartigheid gebeden. Ook kreeg iedereen een persoonlijke zegen van pater Marcel en tenslotte ook de chauffeur en de bus. Om 18.00 uur koersten wij terug naar Eindhoven om vervolgens om 21.00 uur in Amsterdam te arriveren. Wij mogen terugzien op een zeer geslaagde bedevaart, met veel gebed, zang en getuigenissen.

Dank aan de goede oude God (Tancrémont), Moeder van de armen - de H. maagd Maria (Banneux) en aan onze lieve Heer Jezus Christus (Chevremont).

Betsy Mac Nac

16 juli 2018

16 juli: Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel

Het feest van Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel werd ingesteld in het jaar 1726. Het gedenkt de dag waarop de heilige Simon Stock, de eerste generale overste van de Karmelietenorde, een verschijning kreeg van Onze Lieve Vrouw op 16 juli 1251. Maria beloofde bijzondere zegen voor allen die in de loop der eeuwen haar scapulier zouden dragen. De Kerk heeft plechtig en herhaaldelijk deze Mariadevotie, ontstaan in Engeland, goedgekeurd, zodat de pausen aan allen die het scapulier dragen talrijke geestelijke voorrechten hebben verleend.

Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel is de patrones van de zeelieden. Zij is de veilige haven, waarin wij onze toevlucht moeten nemen te midden van alle stormen van het leven.

De devotie en verering van de Maagd van de berg Karmel gaat terug tot de oorsprong van de orde der Karmelieten: de oudste traditie van deze orde brengt die in verband met die kleine wolk die uit zee opsteeg, zo groot als de palm van een hand en die zichtbaar was vanaf de top van de Berg Karmel, terwijl de profeet Elia de Heer smeekte een einde te maken aan een lange periode van droogte. De wolk bedekte spoedig de hemel en bracht overvloedige regen over het land, dat al zo lange tijd uitgedroogd was. In die wolk vol weldaden zag men een beeltenis van Maria, die als schenkster van de Heiland aan de wereld de draagster was van het levendmakende water waarnaar heel de mensheid dorstte. Zij brengt ons voortdurend ontelbare weldaden.

Op 16 juli 1251 verscheen de allerheiligste Maagd aan de heilige Simon Stock, de generale overste van de Orde der Karmelieten: zij beloofde bijzondere genade en zegen voor hen die het scapulier zouden dragen. Deze devotie stortte over de wereld een waterrijke rivier van geestelijke en tijdelijke genaden uit. De Kerk heeft deze verschijning herhaaldelijk goedgekeurd met talrijke geestelijke voorrechten. Eeuwenlang hebben de christenen zich onder deze bescherming van Onze Lieve Vrouw gesteld, onder meer door het dragen van het heilig scapulier van de berg Karmel op hun borst. Er zijn veel uitstekende manieren om Maria te vereren, maar weinige hebben zo diep wortel geschoten bij de gelovigen, en weinige werden zo vaak door de pausen gezegend. Hoe moederlijk is bovendien het hieraan verbonden zaterdags privilege!

De heilige Maagd beloofde aan hen die tijdens hun leven en bij hun dood het scapulier droegen -- ofwel de gezegende medaille met het Heilig Hart en de Maagd van de Berg Karmel, die dezelfde rol vervult -- de genade om de 'volharding ten einde toe' te verkrijgen; dat wil zeggen, een bijzondere bijstand opdat degenen die niet in staat van genade verkeren, berouw krijgen in de laatste ogenblikken van hun leven. Aan deze belofte moet het zogeheten 'zaterdags privilege' worden toegevoegd; dit bestaat in de bevrijding uit het vagevuur op de zaterdag na de dood en vele andere genadegaven en aflaten. Waarlijk draagt Maria met moederlijke liefde zorg voor de broeders van haar Zoon die nog op pelgrimstocht zijn en in gevaren en angsten verkeren, totdat zij het gezegend vaderland bereiken... Laten wij daarom dagelijks vele malen tot haar gaan, opdat zij ons mag helpen en beschermen. Juist het scapulier kan ons dikwijls eraan herinneren, dat wij toebehoren aan onze Moeder in de hemel en dat zij ons toebehoort, want wij zijn haar kinderen, voor wie zij zich zozeer heeft ingespannen.

In deze devotie brengen wij een bijzondere toewijding aan Onze Lieve Vrouw van onszelf en al het onze tot uiting, want in de verschijning van de allerheiligste Maagd en de overhandiging van het scapulier aan de heilige Simon Stock openbaart de Moeder van God zich als Vrouwe van de genade; en tegelijk als allerbeminnelijkste Moeder, die haar kinderen tijdens hun leven en bij de dood beschermt.

Het christenvolk heeft de Maagd van de Berg Karmel met name door het heilig scapulier vereerd als de Moeder van God en onze Moeder, die zich aan ons toont met deze geloofsbrieven: 'Tijdens het leven bescherm ik; bij de dood help ik; en na de dood red ik'. Zij is ons leven, onze zoetheid en onze hoop, zoals wij zo vaak tot haar zeggen bij het bidden van het Salve Regina.

De devotie tot het heilig scapulier van de Berg Karmel toont ons aan, dat wij zeker kunnen zijn van de moederlijke bijstand van de Maagd. Zoals men trofeeën en medailles gebruikt om betrekkingen van vriendschap, herinnering of zege aan te duiden, zo geven wij een innige betekenis aan het scapulier om ons heel vaak te herinneren aan onze liefde voor de Maagd en aan haar gezegende bescherming. Zij neemt ons bij de hand en leidt ons, alle dagen van ons leven hier op aarde, over een veilige weg, zij helpt ons moeilijkheden en bekoringen te overwinnen: zij laat ons nooit in de steek, want zij is gewoon hen te begunstigen die zich onder haar bescherming willen stellen.

Eens komt voor ons het uur van onze definitieve ontmoeting met de Heer. Dan zullen we meer dan ooit haar bescherming en bijstand nodig hebben. De devotie tot de Maagd van de Berg Karmel en tot haar heilig scapulier is een onderpand van hoop op de hemel, want de allerheiligste Maagd zet haar moederlijke bescherming voort tot over de dood heen. Dit voorrecht vervult ons van troost. Maria leidt ons naar die eeuwige toekomst; zij doet ons ernaar verlangen en deze ontdekken; zij schenkt ons haar hoop, haar zekerheid, haar verlangen. Bemoedigd door zulk een stralende werkelijkheid, met onuitsprekelijke vreugde, verandert onze nederige en vermoeiende pelgrimstocht op aarde, verlicht door Maria, in een veilige weg -- iter para tutum -- naar het paradijs. Daar zullen wij, met Gods genade, haar mogen zien.

In 1605 werd kardinaal De Medici tot paus gekozen; hij nam de naam van Leo XI aan. Toen men hem bekleedde met de pauselijke gewaden, wilde men hem een groot scapulier van de Berg Karmel afnemen, dat hij onder zijn kleding droeg. Toen sprak de paus tot hen die hem hielpen met kleden: "Laat mij Maria houden, opdat Maria mij niet in de steek laat." Ook wij willen haar niet in de steek laten, want wij hebben haar ten zeerste nodig. Daarom dragen wij altijd haar scapulier. En wij zeggen thans tot haar dat wij ons in haar armen leggen, wanneer ons laatste uur gekomen is. Zo dikwijls hebben wij haar gevraagd voor ons te bidden 'nu en in het uur van onze dood', dat zij dat niet zal vergeten!

Tijdens zijn bezoek aan Santiago de Compostela wenste paus Johannes Paulus II allen toe: "Dat de Maagd van de Berg Karmel [...] u altijd moge vergezellen. Moge zij de ster zijn die u leidt, die nooit uit uw horizon zal verdwijnen. Dat zij u tot God moge leiden, naar de veilige haven." Aan haar hand zullen wij voor het aanschijn van haar Zoon treden. En als er in ons nog iets gezuiverd zou moeten worden, dan zal zij het moment bespoedigen waarop wij, geheel en al gereinigd, God kunnen zien.

Oudtijds werd de Maagd van de berg Karmel afgebeeld met aan haar voeten een groep van zielen in de vlammen van het vagevuur, om haar bijzondere voorspraak aan te geven in dit oord van loutering. "De Maagd is goed voor hen die in het vagevuur verblijven, want door haar verkrijgen zij verlichting", predikte de heilige Vincentius Ferrer dikwijls. Haar liefde zal ons helpen ons in dit leven te zuiveren om direct na de dood bij haar Zoon te zijn.

Het scapulier is ook het teken van het bruidskleed, de goddelijke genade die de ziel altijd moet kleden. In een toespraak tot jongeren in een parochie te Rome, gewijd aan de Maagd van de berg Karmel, maakte paus Johannes Paulus II vertrouwelijk gewag van de bijzondere hulp en bijstand die hij had gekregen van zijn devotie tot de Maagd van de berg Karmel. "Ik moet jullie zeggen", legde hij hun uit, "dat zij mij heeft geholpen in mijn jeugdjaren, toen ik nog zo was als jullie nu. Ik zou niet kunnen zeggen in welke mate, maar ik denk in enorm grote mate. Zij heeft mij geholpen om de genade te vinden die bij mijn leeftijd hoorde, bij mijn roeping." En hij voegde eraan toe: "de opdracht van de Maagd, die voorafgebeeld is en zijn begin heeft op de Berg Karmel, in het Heilige Land, is verbonden aan een kleed. Dit kleed heet het heilig scapulier. Ik heb in mijn jeugdjaren veel aan dit scapulier van de Karmel te danken. Dat de moeder altijd bezorgd is, zich bekommert om de kleren van haar kinderen, dat ze er netjes opstaan, dat is iets moois. Maar als die kleren stuk gaan, probeert de moeder de kleren van haar kinderen te herstellen. De Maagd van de Karmel, de Moeder van het heilig scapulier, spreekt ons over deze moederlijke zorg, over haar bezorgdheid om ons te kleden. Ons te kleden in geestelijke zin. Ons te bekleden met de genade van God en ons te helpen dit kleed altijd smetteloos te houden." De paus maakte melding van het witte kleed dat de doopleerlingen uit de eerste eeuwen droegen, als symbool van de heiligmakende genade die zij bij het doopsel ontvingen. Daarna spoorde hij hen aan om de ziel altijd rein te houden en besloot: "Weest ook jullie bezorgd, in samenwerking met de goede Moeder die zich om jullie kleren bekommert, en heel bijzonder om het kleed van de genade, dat de ziel van haar zonen en dochters heiligt." Dat kleed waarin wij ooit op het bruiloftsmaal zullen verschijnen.

Het scapulier van de Karmel kan een machtige hulp zijn om onze Moeder in de hemel nog meer te beminnen, een bijzondere herinnering aan het feit, dat wij aan haar zijn toegewijd en in ogenblikken van nood, te midden van bekoringen, op haar hulp kunnen rekenen. Zij is ons zeer nabij en dat stelt ons in staat sterk te zijn. Met de woorden van het Graduale voor het feest van vandaag, bidden wij tot Onze Lieve Vrouw: Recordare Virgo Mater... ut loquaris pro nobis bona. Herinner u, Maagd en Moeder van God, wanneer gij voor het aanschijn van de Heer staat, dat gij dan goede dingen over ons tot Hem spreekt, ook in die dagen dat wij niet zo trouw geweest zijn als God van Zijn kinderen verwacht.