23 juli 2014

23 juli: Heilige Apollinaris, bisschop en martelaar

Apollinaris is waarschijnlijk nog in de Syrische stad Antiochië leerling geworden van de apostel Petrus. Zoals wij in de Handelingen van de Apostelen (11, 26) kunnen lezen, was Antiochië de stad waar Jezus’ volgelingen voor het eerst ‘christenen’ werden genoemd. Hij heeft Petrus vergezeld op zijn missiereis die hem uiteindelijk in Rome zou brengen. Vandaar heeft Petrus hem zelf aangesteld tot bisschop van de stad Ravenna met de opdracht in die omgeving het Evangelie te verkondigen.

Om te beginnen genas hij de zoon van zijn gastheer van blindheid. Van dat moment af werd hij steeds omringd door een kring luisteraars die benieuwd waren naar wat hij te vertellen had. Zo maakte hij bekeringen en doopte nieuwe gelovigen. Tenslotte ging dit alles keizer Vespasianus (69-79) te ver. Hij liet hem arresteren en martelen; uiteindelijk werd hij doodgeknuppeld.

In 549 werd zijn stoffelijk overschot verhoogd tot de eer der altaren, destijds een officiële heiligverklaring. Hij staat in biddende houding (armen gespreid: 'orante') in mozaïek afgebeeld in de apsis van de basiliek Sant’ Apollinare in Classe te Ravenna uit de zesde eeuw. Sinds de 13e eeuw heeft de Lambertikerk in de Duitse stad Düsseldorf een belangrijke Apollinarisreliek.

In het Romeinse Martyrologium wordt Apollinaris beschreven als 'een bisschop die, volgens de traditie, terwijl hij de diepe rijkdom van Christus verspreidde onder de volkeren, zijn kudde leidde als een goede herder en de Kerk van Classis, nabij Ravenna, vereerde met een glorierijk martelaarschap'.

22 juli 2014

22 juli: Heilige Maria Magdalena, boetelinge

Volgens de evangelist Lucas was Maria Magdalena een van de vrouwen in het gevolg van Jezus, die van boze geesten en ziekten verlost waren; uit haar waren zeven duivels weggegaan (Lc. 8,2-3; vgl. Mc. 16, 9). Zij behoort tot de twee of drie Maria's die toezagen hoe Jezus gekruisigd en begraven werd (Mt. 27, 55-56; Mc. 15,40-47). Jezus' dood en begrafenis waren vanwege de naderende sabbat zo snel verlopen, dat men geen tijd meer had gehad Hem door balseming de laatste eer te bewijzen. Vandaar dat op de vroege ochtend na de sabbat een aantal vrouwen terugging naar het graf om dat alsnog te doen. Onder hen bevond zich ook weer Maria Magdalena (Mt. 28, 1; Mc. 16, 1-9; Lc. 24, 10). Zij ontdekten dat het graf leeg was; er waren een of twee mannen, engelen van God, die hun zeiden, dat Jezus uit de doden was opgestaan en dat Hij hun voorging naar Galilea; daar zouden zij Hem zien. Dat moesten zij aan Zijn leerlingen doorgeven.

Johannes' versie van deze gebeurtenis wijkt enigszins af. De twee in het wit geklede engelen vroegen aan Maria, die zich voorover gebogen had om een blik in het graf te kunnen werpen: "Vrouw, waarom huilt u?"
Zij antwoordde: "Ze hebben mijn Heer weggenomen en ik weet niet, waar ze Hem hebben neergelegd." Toen zij dit gezegd had, keerde zij zich om en zag Jezus staan, maar zonder te weten dat het Jezus was. Jezus zei tot haar: "Vrouw, waarom huilt u? Wie zoekt u?" In de mening dat het de tuinman was, vroeg zij: "Heer, mocht u Hem hebben weggenomen, zeg mij dan waar u Hem hebt neergelegd, zodat ik Hem kan weghalen." Zij herkende Hem, toen Hij haar op Zijn karakteristieke manier bij haar naam noemde: "Maria!" (Joh. 20, 1-18).

In de Kerk wordt Maria Magdalena vereerd als een boetelinge wier radicaal veranderde leven de liefde en kracht van Jezus laat zien.

Zij is patrones van de vrouwen in het algemeen, van scholieren en studenten, van ieder die in verleiding gebracht wordt, boetvaardige en berouwvolle zondaressen, penitenten en boetelingen, van kappers, kapsters en kammenmakers, van drogisten en zalfhandelaren, parfum- en poederfabrikanten, van kleermakers, schoen- en handschoenmakers en foedraalmakers, witleerlooiers en wolwevers, van hoveniers en tuinlieden, van pottenbakkers, van kuipers, wijnhandelaren en wijnbouwers, van waterdragers, van bergbewoners, van loodgieters, van kinderen die moeilijk leren lopen en van vele anderen.

20 juli 2014

Zesde zondag na Pinksteren

Epistel
Rom. 6, 3-11
Broeders, wij allen, die gedoopt zijn tot vereniging met Christus Jezus, wij zijn gedoopt tot vereniging met Zijn dood. Immers door dat doopsel ten dode zijn wij met Hem begraven, opdat - zoals Christus uit de doden is opgewekt door de glorie van de Vader - aldus ook wij in nieuwheid van leven zouden wandelen. Want als wij met Zijn dood in gelijkvormigheid zijn samengegroeid, dan zullen wij dat ook zo zijn met Zijn verrijzenis. Dit toch weten wij, dat onze oude mens mede aan het kruis is geslagen, opdat het lichaam der zonde zou worden vernietigd en wij geen slaaf meer zouden zijn van de zonde. Want wie gestorven is, is vrij geworden van de zonde. Indien wij dan met Christus zijn gestorven, wij geloven, dat wij ook met Christus zullen leven; want wij weten, dat Christus - eenmaal van de doden opgestaan - niet meer sterft; de dood zal over Hem geen macht meer hebben. Want Hij stierf door de zonde, één enkele maal; maar nu Hij weer leeft, leeft Hij voor God. Zo moet ook gij uzelf beschouwen als dood voor de zonde, maar als levend voor God in Christus Jezus, onze Heer.

Evangelie
Mc. 8, 1-9
In die tijd, toen er eens een grote menigte bij Jezus was, en zij niets meer te eten hadden, riep Hij Zijn leerlingen bij Zich, en sprak tot hen: Ik heb medelijden met deze mensen; want zij zijn nu al drie dagen bij Mij, en zij hebben niets meer te eten; en als Ik hen zo naar huis laat gaan, zonder dat zij gegeten hebben, zullen zij onderweg bezwijken, want sommigen van hen zijn van verre gekomen. En Zijn leerlingen gaven Hem ten antwoord: Hoe zou men hun hier in de eenzaamheid voldoende brood te eten kunnen geven? En Hij vroeg hun: Hoeveel broden hebt gij? En zij antwoordden: Zeven. Toen liet Hij het volk zeggen, dat zij zich op de grond zouden neerzetten. Dan nam Hij de zeven broden, sprak een dankgebed uit, brak ze, en gaf ze aan Zijn leerlingen om ze rond te delen. En deze deelden ze uit aan het volk. Ook hadden zij enige visjes; en Hij sprak er de zegen over uit, en liet ze ronddelen. En zij aten, tot zij verzadigd waren; dan verzamelden zij de overgeschoten brokken, zeven manden vol. Het waren er ongeveer vierduizend, die gegeten hadden. Toen liet Hij hen heengaan.

19 juli 2014

19 juli: Heilige Vincentius a Paulo, belijder

Vincentius werd op 24 april 1581 geboren als derde in het eenvoudige gezin Depaul te Pouy bij Dax, dat sinds 1828 is omgedoopt in St-Vincent-de-Paul. In 1595 verliet hij het ouderlijk huis en ging inwonen bij mijnheer Comet, advocaat en rechter te Dax om te kunnen studeren op het college van de Cordeliers. Twee jaar later schreef hij zich in aan de universiteit van Toulouse als student theologie. Na veel doorzettingsvermogen en intense studie werd hij op 23 september van het jaar 1600 tot priester gewijd door de bisschop van Périgueux.

Tijdens een zeereis werd hij door Turkse zeerovers gevangengenomen, waarna hij twee jaar lang slaaf was in Tunis. Na zijn ontsnapping was hij van 1609 tot 1617 in dienst van Philippe de Gondi, hertog van Joigny, als leermeester van diens kinderen en biechtvader van zijn vrouw. Intussen werkte hij sinds 1612 als pastoor in Clichy, Parijs en op het platteland te Gannes aan de Somme en later te Châtillon-les-Dombes. Daar leerde hij de ware armoede kennen, zowel materieel als geestelijk, en besloot zich het lot van de armen aan te trekken; in augustus 1617 stichtte hij zijn eerste Broederschap van de Liefde (Confrérie de la Charité). Op 8 september 1619 werd hem opgedragen aalmoezenier te worden van de galeislaven in Parijs.

Vanaf 1620 preekte hij volksmissies op het platteland en stichtte geleidelijk aan steeds meer Broederschappen van de Liefde. Zo deed hij in 1621 de Bourgondische plaats Mâcon aan en stichtte er prompt een Broederschap van Saint-Charles ter ondersteuning van zieken en armen. Na twee weken verliet hij de stad weer, ongemerkt, om alle loftuitingen te voorkomen. Maar zijn werk droeg vrucht, want lange tijd daarna verzamelde men elke zondag drie- tot vierhonderd noodlijdenden in de plaatselijke St-Nizierkerk. Daar woonde men eerst de druk bezochte heilige Mis bij. Na afloop werden er onder de armen geld en goederen verdeeld.

Vincentius groeide intussen onder leiding van zijn ascetische leermeester kardinaal Pierre de Bérulle († 1629) en van Franciscus van Sales († 1622) uit tot een man van de naastenliefde.

Op 17 april 1625 stichtte hij met behulp van mevrouw De Gondi de Congregatie van de Missie (Congregatio Missionis), waarvan de leden Lazaristen worden genoemd naar hun moederhuis St-Lazare te Parijs. Hun doel was ziekenverpleging en missie. Na een gepreekte retraite voor priesterkandidaten in 1628 te Beauvais begon hij zich ook uitdrukkelijk bezig te houden met de priesteropleiding. Daarnaast stichtte hij op 29 november 1633 met Louise de Marillac († 1660) de Congregatie van de Filles de la Charité (Dochters van Liefde), de grootste zusterscongregatie van de katholieke Kerk, bekend vanwege de uitzonderlijk wijd uitstaande kappen.

In 1638 trok hij zich het lot aan van wezen en vondelingen en een jaar later stuurde hij zusters van de congregatie naar het ziekenhuis van Angers alsmede naar Lotharingen dat op dat moment geteisterd werd door de oorlog. In 1640 wendde hij zich persoonlijk tot kardinaal Richelieu om hem tot vrede te bewegen. Zo komt het dat hij werd benoemd tot lid van de Raad van Geweten (Conseil de Conscience) en dat hij koning Lodewijk XIII bijstond in zijn stervensuur († 1643). Gedachtig zijn gevangenneming van zo'n veertig jaar terug stuurde hij in 1646 missionarissen naar Tunis om zich het lot aan te trekken van christenslaven in dienst van moslims. Twee jaar later stuurde hij de eerste missionarissen naar Madagscar.

In 1649 wendde hij zich andermaal tot de grote politieke leiders, nu koningin Anna van Oostenrijk († 1666) en haar minister-president Mazarin († 1661) om te pleiten voor vrede. In 1651 organiseerde hij grote hulpcampagnes in Picardië, Champagne en Ile-de-France, die alle ernstig onder de oorlog te lijden hadden gehad. In datzelfde jaar vestigde zijn congregatie zich in Polen. Was zijn rechterhand Louise de Marillac op 15 maart 1660 gestorven, hijzelf overleed in datzelfde jaar op 27 september.

Reeds tijdens zijn leven waren zijn erbarmen en betrokkenheid bij het lot van wezen, zieke kinderen, gevallen vrouwen, armen, blinden en geesteszieken legendarisch. Hij organiseerde liefdadigheidswerk, stichtte weeshuizen en zette in Parijs grote gaarkeukens op.

'Monsieur Vincent' rust in het Moederhuis (Maison-Mère) van de Lazaristen te Parijs. Ook de kapel aan de Rue du Bac aldaar, waar zijn hart wordt bewaard, is nog altijd een bedevaartsoord. Hij werd heilig verklaard in 1737. Op hem zijn de Vincentiusverenigingen van liefdadigheid geïnspireerd.

Hij is patroon van de lazaristen en de vincenterinnen, van de clerus, van gevangenen, verwaarloosde jongeren en wezen; van de liefdadigheid, caritatieve verenigingen, van alle liefdadigheidsinstellingen en liefdewerken, van weeshuizen en ziekenhuizen. Zijn voorspraak wordt ingeroepen voor spirituele hulp en het terugvinden van verloren voorwerpen.
Hij wordt afgebeeld omringd door kinderen, armen, hulpbehoevenden en/of gevangenen.

16 juli 2014

16 juli: Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel

Het feest van Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel werd ingesteld in het jaar 1726. Het gedenkt de dag waarop de heilige Simon Stock, de eerste generale overste van de Karmelietenorde, een verschijning kreeg van Onze Lieve Vrouw op 16 juli 1251. Maria beloofde bijzondere zegen voor allen die in de loop der eeuwen haar scapulier zouden dragen. De Kerk heeft plechtig en herhaaldelijk deze Mariadevotie, ontstaan in Engeland, goedgekeurd, zodat de pausen aan allen die het scapulier dragen talrijke geestelijke voorrechten hebben verleend.

Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel is de patrones van de zeelieden. Zij is de veilige haven, waarin wij onze toevlucht moeten nemen te midden van alle stormen van het leven.

De devotie en verering van de Maagd van de berg Karmel gaat terug tot de oorsprong van de orde der Karmelieten: de oudste traditie van deze orde brengt die in verband met die kleine wolk die uit zee opsteeg, zo groot als de palm van een hand en die zichtbaar was vanaf de top van de Berg Karmel, terwijl de profeet Elia de Heer smeekte een einde te maken aan een lange periode van droogte. De wolk bedekte spoedig de hemel en bracht overvloedige regen over het land, dat al zo lange tijd uitgedroogd was. In die wolk vol weldaden zag men een beeltenis van Maria, die als schenkster van de Heiland aan de wereld de draagster was van het levendmakende water waarnaar heel de mensheid dorstte. Zij brengt ons voortdurend ontelbare weldaden.

Op 16 juli 1251 verscheen de allerheiligste Maagd aan de heilige Simon Stock, de generale overste van de Orde der Karmelieten: zij beloofde bijzondere genade en zegen voor hen die het scapulier zouden dragen. Deze devotie stortte over de wereld een waterrijke rivier van geestelijke en tijdelijke genaden uit. De Kerk heeft deze verschijning herhaaldelijk goedgekeurd met talrijke geestelijke voorrechten. Eeuwenlang hebben de christenen zich onder deze bescherming van Onze Lieve Vrouw gesteld, onder meer door het dragen van het heilig scapulier van de berg Karmel op hun borst. Er zijn veel uitstekende manieren om Maria te vereren, maar weinige hebben zo diep wortel geschoten bij de gelovigen, en weinige werden zo vaak door de pausen gezegend. Hoe moederlijk is bovendien het hieraan verbonden zaterdags privilege!

De heilige Maagd beloofde aan hen die tijdens hun leven en bij hun dood het scapulier droegen -- ofwel de gezegende medaille met het Heilig Hart en de Maagd van de Berg Karmel, die dezelfde rol vervult -- de genade om de 'volharding ten einde toe' te verkrijgen; dat wil zeggen, een bijzondere bijstand opdat degenen die niet in staat van genade verkeren, berouw krijgen in de laatste ogenblikken van hun leven. Aan deze belofte moet het zogeheten 'zaterdags privilege' worden toegevoegd; dit bestaat in de bevrijding uit het vagevuur op de zaterdag na de dood en vele andere genadegaven en aflaten. Waarlijk draagt Maria met moederlijke liefde zorg voor de broeders van haar Zoon die nog op pelgrimstocht zijn en in gevaren en angsten verkeren, totdat zij het gezegend vaderland bereiken... Laten wij daarom dagelijks vele malen tot haar gaan, opdat zij ons mag helpen en beschermen. Juist het scapulier kan ons dikwijls eraan herinneren, dat wij toebehoren aan onze Moeder in de hemel en dat zij ons toebehoort, want wij zijn haar kinderen, voor wie zij zich zozeer heeft ingespannen.

In deze devotie brengen wij een bijzondere toewijding aan Onze Lieve Vrouw van onszelf en al het onze tot uiting, want in de verschijning van de allerheiligste Maagd en de overhandiging van het scapulier aan de heilige Simon Stock openbaart de Moeder van God zich als Vrouwe van de genade; en tegelijk als allerbeminnelijkste Moeder, die haar kinderen tijdens hun leven en bij de dood beschermt.

Het christenvolk heeft de Maagd van de Berg Karmel met name door het heilig scapulier vereerd als de Moeder van God en onze Moeder, die zich aan ons toont met deze geloofsbrieven: 'Tijdens het leven bescherm ik; bij de dood help ik; en na de dood red ik'. Zij is ons leven, onze zoetheid en onze hoop, zoals wij zo vaak tot haar zeggen bij het bidden van het Salve Regina.

De devotie tot het heilig scapulier van de Berg Karmel toont ons aan, dat wij zeker kunnen zijn van de moederlijke bijstand van de Maagd. Zoals men trofeeën en medailles gebruikt om betrekkingen van vriendschap, herinnering of zege aan te duiden, zo geven wij een innige betekenis aan het scapulier om ons heel vaak te herinneren aan onze liefde voor de Maagd en aan haar gezegende bescherming. Zij neemt ons bij de hand en leidt ons, alle dagen van ons leven hier op aarde, over een veilige weg, zij helpt ons moeilijkheden en bekoringen te overwinnen: zij laat ons nooit in de steek, want zij is gewoon hen te begunstigen die zich onder haar bescherming willen stellen.

Eens komt voor ons het uur van onze definitieve ontmoeting met de Heer. Dan zullen we meer dan ooit haar bescherming en bijstand nodig hebben. De devotie tot de Maagd van de Berg Karmel en tot haar heilig scapulier is een onderpand van hoop op de hemel, want de allerheiligste Maagd zet haar moederlijke bescherming voort tot over de dood heen. Dit voorrecht vervult ons van troost. Maria leidt ons naar die eeuwige toekomst; zij doet ons ernaar verlangen en deze ontdekken; zij schenkt ons haar hoop, haar zekerheid, haar verlangen. Bemoedigd door zulk een stralende werkelijkheid, met onuitsprekelijke vreugde, verandert onze nederige en vermoeiende pelgrimstocht op aarde, verlicht door Maria, in een veilige weg -- iter para tutum -- naar het paradijs. Daar zullen wij, met Gods genade, haar mogen zien.

In 1605 werd kardinaal De Medici tot paus gekozen; hij nam de naam van Leo XI aan. Toen men hem bekleedde met de pauselijke gewaden, wilde men hem een groot scapulier van de Berg Karmel afnemen, dat hij onder zijn kleding droeg. Toen sprak de paus tot hen die hem hielpen met kleden: "Laat mij Maria houden, opdat Maria mij niet in de steek laat." Ook wij willen haar niet in de steek laten, want wij hebben haar ten zeerste nodig. Daarom dragen wij altijd haar scapulier. En wij zeggen thans tot haar dat wij ons in haar armen leggen, wanneer ons laatste uur gekomen is. Zo dikwijls hebben wij haar gevraagd voor ons te bidden 'nu en in het uur van onze dood', dat zij dat niet zal vergeten!

Tijdens zijn bezoek aan Santiago de Compostela wenste paus Johannes Paulus II allen toe: "Dat de Maagd van de Berg Karmel [...] u altijd moge vergezellen. Moge zij de ster zijn die u leidt, die nooit uit uw horizon zal verdwijnen. Dat zij u tot God moge leiden, naar de veilige haven." Aan haar hand zullen wij voor het aanschijn van haar Zoon treden. En als er in ons nog iets gezuiverd zou moeten worden, dan zal zij het moment bespoedigen waarop wij, geheel en al gereinigd, God kunnen zien.

Oudtijds werd de Maagd van de berg Karmel afgebeeld met aan haar voeten een groep van zielen in de vlammen van het vagevuur, om haar bijzondere voorspraak aan te geven in dit oord van loutering. "De Maagd is goed voor hen die in het vagevuur verblijven, want door haar verkrijgen zij verlichting", predikte de heilige Vincentius Ferrer dikwijls. Haar liefde zal ons helpen ons in dit leven te zuiveren om direct na de dood bij haar Zoon te zijn.

Het scapulier is ook het teken van het bruidskleed, de goddelijke genade die de ziel altijd moet kleden. In een toespraak tot jongeren in een parochie te Rome, gewijd aan de Maagd van de berg Karmel, maakte paus Johannes Paulus II vertrouwelijk gewag van de bijzondere hulp en bijstand die hij had gekregen van zijn devotie tot de Maagd van de berg Karmel. "Ik moet jullie zeggen", legde hij hun uit, "dat zij mij heeft geholpen in mijn jeugdjaren, toen ik nog zo was als jullie nu. Ik zou niet kunnen zeggen in welke mate, maar ik denk in enorm grote mate. Zij heeft mij geholpen om de genade te vinden die bij mijn leeftijd hoorde, bij mijn roeping." En hij voegde eraan toe: "de opdracht van de Maagd, die voorafgebeeld is en zijn begin heeft op de Berg Karmel, in het Heilige Land, is verbonden aan een kleed. Dit kleed heet het heilig scapulier. Ik heb in mijn jeugdjaren veel aan dit scapulier van de Karmel te danken. Dat de moeder altijd bezorgd is, zich bekommert om de kleren van haar kinderen, dat ze er netjes opstaan, dat is iets moois. Maar als die kleren stuk gaan, probeert de moeder de kleren van haar kinderen te herstellen. De Maagd van de Karmel, de Moeder van het heilig scapulier, spreekt ons over deze moederlijke zorg, over haar bezorgdheid om ons te kleden. Ons te kleden in geestelijke zin. Ons te bekleden met de genade van God en ons te helpen dit kleed altijd smetteloos te houden." De paus maakte melding van het witte kleed dat de doopleerlingen uit de eerste eeuwen droegen, als symbool van de heiligmakende genade die zij bij het doopsel ontvingen. Daarna spoorde hij hen aan om de ziel altijd rein te houden en besloot: "Weest ook jullie bezorgd, in samenwerking met de goede Moeder die zich om jullie kleren bekommert, en heel bijzonder om het kleed van de genade, dat de ziel van haar zonen en dochters heiligt." Dat kleed waarin wij ooit op het bruiloftsmaal zullen verschijnen.

Het scapulier van de Karmel kan een machtige hulp zijn om onze Moeder in de hemel nog meer te beminnen, een bijzondere herinnering aan het feit, dat wij aan haar zijn toegewijd en in ogenblikken van nood, te midden van bekoringen, op haar hulp kunnen rekenen. Zij is ons zeer nabij en dat stelt ons in staat sterk te zijn. Met de woorden van het Graduale voor het feest van vandaag, bidden wij tot Onze Lieve Vrouw: Recordare Virgo Mater... ut loquaris pro nobis bona. Herinner u, Maagd en Moeder van God, wanneer gij voor het aanschijn van de Heer staat, dat gij dan goede dingen over ons tot Hem spreekt, ook in die dagen dat wij niet zo trouw geweest zijn als God van Zijn kinderen verwacht.

15 juli 2014

15 juli: Heilige Henricus, keizer en belijder

Hendrik de Goede werd in 973 in het Zuid-Duitse Beieren geboren. Zijn opleiding kreeg hij bij Wolfgang van Regensburg. In 1002 beklom hij de troon en in 1014 werd hij door de paus in Rome tot keizer gekroond.

Zijn huwelijk met keizerin Cunigonde bleef kinderloos. Mede daardoor besteedde hij veel aandacht aan het geloofsleven van zijn onderdanen, aan de levenswandel van de geestelijken en aan de bevordering van het kloosterleven. Hij stichtte het bisdom Bamberg en liet er op zijn kosten de beroemde domkerk bouwen. Daar werd hij ook begraven. Het beroemde grafmonument, waarin hij en zijn vrouw Cunegonde, zijn bijgezet, trekt tot op de dag van vandaag duizenden bezoekers.

Hij werd in 1146 heilig verklaard. Paus Pius X riep hem uit tot patroon van de oblaten der benedictijnen.

14 juli 2014

14 juli: Heilige Bonaventura, bisschop, belijder en Kerkleraar

De heilige Bonaventura werd in 1217 als Johannes Fidanza geboren in Bagnoregio bij Orvieto, Italië. Op vierjarige leeftijd werd hij door Franciscus van Assisi op wonderbare wijze genezen van een ziekte. De heilige had uitgeroepen: "O buona ventura!" (= "Wat een gelukkige gebeurtenis!"). Sindsdien droeg hij die uitroep als bijnaam.

Op zijn twintigste trad hij in bij de franciscanen; hij deed zijn studies aan de universiteit van Parijs. Vanaf 1253 fungeerde hijzelf als docent theologie; een van zijn collega's was de beroemde dominicaner theoloog Thomas van Aquino († 1274). In 1257 werd hij niet alleen hoofddocent aan de faculteit, maar vrijwel tegelijkertijd werd hij benoemd tot 36e generale overste van zijn orde. In zijn tijd waren de ongeveer 30.000 franciscanen diepgaand verdeeld over de te volgen koers van de orde. Het ene deel wilde een strenge, contemplatieve levenswijze naar het voorbeeld van de benedictijnen; een ander deel zag het liefst dat men zo letterlijk mogelijk de regel van Vader Faranciscus volgde. Bonaventura vond een middenweg tussen een Godverbonden gemeenschappelijk gebedsleven en de apostolische ijver naar de mensen toe. Door zijn hervormingen van de franciscanenorde wordt hij ook wel de tweede stichter van de orde genoemd.

Een benoeming tot aartsbisschop van York wees hij af, maar paus Gregorius X († 1276) wees hem in 1273 aan als kardinaal-bisschop van Albano. Hij overleed tijdens het mede door hem voorbereide concilie van Lyon (1274), en werd begraven in de huidige Sint-Bonaventurekerk in die stad. Zijn lijfspreuk was 'Solo Deo honor et gloria' (alleen aan God komt eer en glorie toe).

Bonaventura werd in 1482 door paus Sixtus IV († 1484) heilig verklaard. Paus Sixtus V († 1590) riep hem uit tot 'serafijns (= engelachtige) kerkleraar' naar het voorbeeld van zijn collega in de scholastieke theologie, Thomas van Aquino, die sinds 1567 was uitgeroepen tot 'doctor angelicus' (engelachtige leraar).

Hij is patroon van de franciscanen, van theologen, zijdefabrikanten, arbeiders, in het bijzonder van sjouwers, en ook van kinderen.

Hij wordt afgebeeld in de grijze of bruine pij van de franciscanen, als bisschop (tabberd, staf en mijter) of kardinaal (met breedgerande rode kardinaalshoed), met kruis en/of boek.

13 juli 2014

Vijfde zondag na Pinksteren

Triomf van de Kerk over woede, verdeeldheid en haat (schilderij van Rubens, 1628)

Epistel
1 Petr. 3, 8-15
Veelgeliefden, blijft allen één in het gebed; weest medelijdend, vol liefde voor uw broeders; weest barmhartig, welwillend en bescheiden. Vergeldt geen kwaad met kwaad, of verwensing met verwensing; maar wenst daarentegen elkander zegen toe; want daartoe zijt gij geroepen, om aldus zelf zegen te beërven. Want: "wie een gelukkig leven wil hebben en goede dagen wil zien, hij moet zijn tong afhouden van het kwade, en zijn lippen geen bedrog laten spreken. Laat hij het kwaad vermijden, en het goede doen; de vrede moet hij zoeken en daarnaar streven. Want de ogen des Heren rusten op de rechtvaardigen, en Zijn oor is gericht op hun smeken; maar het aanschijn des Heren is tegen degenen, die kwaad doen." Bovendien, wie kan u kwaad doen, als gij ijverig streeft naar het goede? - Maar al hebt gij ook iets te lijden om wille van de gerechtigheid, gelukkig zijt gij dan! Maakt u echter niet bevreesd voor hen, en laat u niet verontrusten; maar heiligt in uw hart Christus de Heer.

Evangelie
Mt. 5, 20-24
In die tijd sprak Jezus tot Zijn leerlingen: Als uw gerechtigheid niet groter is dan die van de schriftgeleerden en farizeën, zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan! Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: "Gij zult niet doodslaan"; en wie doodslag begaat, is strafbaar voor het gerecht. Maar Ik zeg u: ieder die toornig wordt op zijn broeder, is strafbaar voor het gerecht; en wie tot zijn broeder zegt: Gij dwaas, hij is strafbaar voor de hoge raad; en wie zegt: Gij goddeloze, hij is strafbaar met het vuur van de hel. Als gij dus uw offergave naar het altaar brengt, en u daar herinnert, dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw offergave daar bij het altaar achter, en ga u eerst met uw broeder verzoenen; en kom dan terug om uw gave te offeren.

Overweging
Waarom is de gerechtigheid van de farizeeën niet groot genoeg om het rijk der hemelen te mogen binnengaan? Waarom eist Christus meer van Zijn leerlingen? De woorden van het Evangelie van deze zondag klinken hard. Zij zijn gericht tegen de schriftgeleerden en farizeeën, maar zij zijn ook toepasbaar op ons eigen leven. Onze Heer stelt hoge eisen waaraan wij moeten voldoen als wij de hemel willen binnengaan. De geboden van het Oude Testament worden niet alleen behouden, maar zelfs verscherpt. Niet alleen hij die iemand vermoordt is strafbaar met het vuur van de hel, maar zelfs hij die toornig wordt en zijn medemens dwaas noemt. Christus geeft aan gerechtigheid en naastenliefde de ware, oorspronkelijke, betekenis terug.

De rechtvaardigheid en de vroomheid van de schriftgeleerden en farizeeën waren vals, omdat zij uit een verkeerd motief voortkwamen. Het was meer eigenliefde dan liefde tot God. Zeker, zij beoefenden verschillende deugden en zij zochten de volmaaktheid, maar zij deden het niet voor God. Zij hoopten eer voor zichzelf te ontvangen en niet voor God, Die de bron van alle goedheid is. Ook hun gerechtigheid was vals, want deze was slechts schijn. De nauwkeurige vervulling van alle voorschriften en regels was er alleen om gezien te worden. Zij wilden beschouwd worden als voorbeeld voor anderen. En precies dat zochten zij: hun eigen eer, en niet de glorie van God. Daarom werden zij zo hard door Christus beoordeeld. Zij deden alle uitwendige oefeningen van het geloof uit liefde tot zichzelf en niet uit liefde tot God. Een dergelijke oppervlakkigheid schept de mentaliteit die altijd vraagt: ben ik verplicht dit of dat te doen? En hoe zwaar weegt deze verplichting? Met andere woorden: hoe ver kan ik nog gaan in mijn zelfzucht en toch niet de wet overtreden? Deze mentaliteit plaatst niet de liefde in het middelpunt van het leven, van alles wat de mensen doen, maar – integendeel – zij wil een grens stellen aan deze liefde, die naar Jezus’ gebod en uit haar aard geen beperkingen verdraagt.

Van de leerlingen van Christus wordt meer verlangd. Niet alleen onze daden moeten met de wet van het Evangelie overeenstemmen, maar ook de gedachten en de houding van onze ziel. Zo wordt de wet niet afgeschaft, maar tot vervulling gebracht. Het is niet genoeg uiterlijk ons geloof te tonen, maar het innerlijk leven moet door de liefde tot God bezield worden. En de ware liefde verdraagt niet alleen geen misdaad, zij eist van ons dat wij zelfs de eerste bewegingen van de toorn trachten te bedwingen. Zij moet het motief zijn dat geheel ons leven beweegt. Geestelijke hoogmoed verblindt vaak ons hart. Zo zijn velen van ons, christenen, van buiten vroom en rechtvaardig, van binnen ver van God verwijderd en op zichzelf gericht. In plaats van anderen tot God te brengen, worden wij voor hen soms een argument om buiten de Kerk te blijven.

De liefde maakt het verschil tussen de rechtvaardigheid van de farizeeën en die van de volgelingen van Christus. En deze liefde is nieuw. Zij mag zich niet uitsluitend beperken tot onze vrienden en degenen die ons het goede wensen; zij moet verder gaan en zich uitstrekken tot alle mensen, zelfs tot onze vijanden. Zij moet niet alleen onze uiterlijke daden beheersen, maar ook ons innerlijk leven doordringen. Deze eisen van onze Heer zijn niet slechts een optie, ze zijn niet vrijblijvend. De ware liefde is de voorwaarde van ons toekomstig geluk.

12 juli 2014

12 juli: Heilige Johannes Gualbertus, abt

Johannes Gualbertus werd geboren in Florence rond het jaar 1000. Hij leidde een frivool leven totdat hij op een Goede Vrijdag de moordenaar van zijn broer ontmoette en aan hem vergiffenis schonk. Er verscheen hem toen een crucifix dat het hoofd goedkeurend naar hem toe boog. Daarna trad hij in in het benedictijnenklooster San Miniato del Monte in Florence. Hij dreigde hier abt te worden en vertrok naar Camaldoli, het centrale klooster van de camaldulenzers, waar Sint Romualdus van Ravenna aan kloosterhervormingen werkte. In 1039 stichtte hij op een rustiger plek het klooster van Vallombrosa bij Florence en werd zo stichter van de congregatie van benedictijnen van Vallombrosa, een tak van de camaldulenzers.

Hij gold als een bestrijder van simonie en concubinaat van de geestelijkheid

Op 12 juli 1073 stierf hij in het door hemzelf gestichte klooster San Michele Arcangelo in Paasignano (bij Florence). Hij werd heiligverklaard in 1193.

Johannes Gualbertus is patroon van de houtvesters en wordt aangeroepen tegen bezetenheid.

10 juli 2014

10 juli: De zeven heilige broers, martelaren, en heilige Rufina en Secunda, maagden en martelaressen

Felicitas was een christenweduwe op het moment dat zij tijdens de christenvervolgingen onder keizer Marcus Aurelius (161-180) met haar zeven zonen werd gearresteerd. Zij had haar jongens opgevoed in de liefde tot Christus. Een rechter dreigde haar met folteringen, als zij haar geloof niet verloochende. Omdat zij geen krimp gaf, probeerde men haar hart te vermurwen door voor haar ogen haar kinderen te martelen. Maar zij spoorde ze aan standvastig en trouw te blijven in hun geloof. Met als gevolg dat ze een voor een een gruwelijke dood stierven. 'Haar geloof in de waarde van het geestelijke won het van haar natuurlijke moederliefde', aldus een oud verslag.

Misschien heeft zij haar zoons wel op dezelfde manier bemoedigd als de Makkabeese moeder van wie het tweede boek der Makkabeeën vertelt. Ook daar wordt verteld hoe een moeder moet toezien dat haar zeven zoons stuk voor stuk worden omgebracht, omdat zij trouw zijn aan hun joodse geloof. Daar zegt moeder tot een van haar kinderen: "Mijn jongen, God, onze Heer, heeft jou op wonderbaarlijke wijze een lichaam geweven in mijn schoot. Zal Hij dan ook niet in staat zijn om voor jou een lichaam te bereiden na de dood?"

Van de zeven jongens werd Januarius gegeseld, Felix en Filippus werden doodgeknuppeld, Alexander, Vitalis en Martialis werden onthoofd, terwijl Sylvanus van de rotsen werd geworpen. Net zoals de moeder in het bijbelverhaal moest tenslotte ook Felicitas zelf de marteldood ondergaan; ze werd onthoofd door het zwaard.

De heiligen Rufina en Secunda (rechts) waren zussen van elkaar. Zij waren ieder verloofd met een christelijke man, maar deze mannen verloochenden hun geloof toen zij vervolgd werden. De beide zussen bleven het christelijk geloof trouw. Om die reden ondergingen zij de marteldood tijdens de vervolgingen onder de keizers Valerianus (253-260) en Gallienus (260-269).

Paus Damasus I liet op hun graf in de buurt van Rome een basiliek bouwen.