25 november 2014

25 november: Heilige Catharina van Alexandrië, maagd en martelares

Catharina werd in de derde eeuw geboren in Alexandrië (Egypte) als dochter van koning Costus. Er is niet veel van haar bekend, het meeste is gebaseerd op legenden. We weten wel dat ze heel mooi was, en rijk en hoogbegaafd. Vooral haar onovertroffen trots wordt vermeld. Geen enkele vrijer was goed genoeg voor haar. Altijd was er wel iets dat niet deugde. Op een dag trof Catharina een oude kluizenaar die haar vertelde dat Jezus Christus haar bruidegom zou worden. Deze uitspraak maakte een diepe indruk op het meisje en ze besloot gemaakte fouten voorgoed te vereffenen en een nieuw leven te beginnen. Ze ging naar een priester en liet zich dopen.

Kort daarop werd er in de stad een feest gevierd ter ere van de goden en iedereen die iets betekende werd uitgenodigd aan dit feest deel te nemen. Ook Catharina ontving deze uitnodiging en werd verzocht iets mee te nemen om aan de goden te offeren. Ze besloot naar Alexandrië te gaan met de bedoeling om de keizer te vertellen dat zijn goden afgoden waren en niet vereerd mochten worden.

Door haar geweldige redenaarstalent wist zij de heersers in verlegenheid te brengen. De keizer riep daarop de 50 beste filosofen en retoren bij elkaar met de bedoeling om haar met haar uitspraken door de mand te laten vallen. Maar toen het moment daar was werden alle argumenten die zij allen aanvoerden met de grond gelijk gemaakt. En alle aanwezigen bekeerden zich tot het christendom. De woedende keizer veroordeelde daarop de 50 geleerden tot de brandstapel. Tot het laatste moment stond Catharina de 50 mannen terzijde. Daarop werd zij zelf gevangen genomen en in de kerker geworpen. Vreselijke folteringen moest zij ondergaan. Zo werd ze met nagels op raderen gebonden.

Wekenlang liet men haar hierop liggen zonder voedsel. Steeds weer stond zij gezond en wel voor de keizer en vertelde hem zijn dwalingen. Tenslotte liet de keizer haar in het jaar 306 onthoofden, zodat hij van haar verlost zou zijn.

Catharina behoort tot een van de veertien helpers in nood. Zij is patrones van leraren, studenten, scholieren, meisjes, maagden, gehuwde vrouwen, theologen, filosofen, universiteiten, bibliotheken, ziekenhuizen, redenaars, molenaars, schippers, kappers, boekdrukkers, schoenmakers, naaisters, notarissen, advocaten, drenkelingen en van veldvruchten, en patrones tegen migraine en tongaandoeningen.

24 november 2014

24 november: Heilige Johannes van het Kruis, belijder en Kerkleraar

Johannes werd geboren op 24 juni 1542 te Fontiveros, nabij Avila, in Spanje. Zijn vader was vanwege zijn huwelijk met een burgerlijk meisje uit de familie verstoten. Hij verdiende de kost als wever. Hij wilde dat Johannes ook wever zou worden, maar zijn weg liep anders: Johannes werd op jeugdige leeftijd ziekenoppasser. Door zijn onafzienbare inzet en naastenliefde voor de zieken was hij een graag geziene persoon in het ziekenhuis van Medina del Campo. Tevens volgde hij een cursus filosofie bij het plaatselijke Jezuïetencollege. In het jaar 1563 trad hij in Medina in bij de orde van de karmelieten. Na zijn professie werd hij naar Salamanca gestuurd. Daar volgde de begaafde Johannes de studies theologie en filosofie.

In 1568 werd hij tot priester gewijd. Door een verzwakkende houding en ‘falende’ leefgewoonten in de karmelietenorde, overwoog hij zijn orde te verlaten en in te treden bij de strengere kartuizers. Toen ontmoette hij de heilige Teresia van Avila en begon hij met de hervorming van zijn orde: de ongeschoeide karmelieten. Hij bleef zijn orde trouw en werd door de karmelieten die de hervormingen niet wilde doorvoeren en zich aangevallen voelden, vastgenomen en zwaar mishandeld. Johannes bleef echter trouw aan de visie van Teresia en in 1578 wist hij te vluchten naar het klooster Calvario. Daarmee was de scheiding tussen de geschoeide en de ongeschoeide karmelieten definitief.

Toen de heilige Teresia in 1582 stierf moest Johannes het gemeenschappelijk werk alleen voortzetten. Vanaf 1588 was hij prior van het Vaderhuis van de ongeschoeide karmelieten in Segovia.

In zijn laatste levensjaren heeft hij veel lichamelijk lijden te verduren gehad. Hij is op 14 december 1591, slechts negenenveertig jaar oud, in het klooster van Ubeda gestorven. Twee jaar later werd zijn lichaam overgebracht naar Segovia.

Op 26 december 1726 werd Johannes van het Kruis door paus Benedictus XIII heilig verklaard. Hij behoort tot de grootste leraren van de mystiek. Paus Pius Xl heeft hem vooral vanwege een aantal van zijn mystieke geschriften in 1926 verheven tot Kerkleraar. Enkele fundamentele uitspraken van het Tweede Vaticaans Concilie zijn letterlijke vertalingen uit de werken van Johannes van het Kruis.

23 november 2014

Laatste (vierentwintigste) zondag na Pinksteren

Laatste zondag van het kerkelijk jaar

Christus als Rechter van levenden en doden.

Epistel
Kol. 1, 9-14
Broeders, wij houden niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij vervuld moogt worden met de kennis van Gods wil, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, om aldus een leven te leiden, dat God waardig is en in alles Hem behaagt, doordat gij vruchten voortbrengt in allerlei goede werken en toeneemt in de kennis van God; ook doordat gij met alle kracht u versterkt door zijn glorievolle macht tot geduld en lijdzaamheid met blij gemoed, vol dankbaarheid jegens God, onze Vader. Hij heeft ons immers de waardigheid verleend, dat wij deel mogen hebben aan het lot der heiligen in het volle licht; en Hij heeft ons ontrukt aan de macht der duisternis en overgebracht naar het rijk van zijn beminde Zoon, in wie wij de verlossing bezitten, de vergiffenis der zonden, door de kracht van zijn bloed.

Evangelie
Mt. 24, 15-35
In die tijd sprak Jezus tot Zijn leerlingen: “Wanneer gij de gruwel der verwoesting, waarvan de profeet Daniël heeft gesproken, zult zien heersen op heilige bodem – hij, die dit leest, trachte het te begrijpen! – laten dan zij, die in Judea zijn, vluchten naar de bergen; en hij, die op het dak is, kome dan niet naar beneden, om iets uit zijn huis te halen; en die zich op het land bevindt, moet niet eerst teruggaan om zijn kleed mee te nemen. Ongelukkig de vrouwen, die in die dagen in verwachting zijn of een kind te voeden hebben! En bidt toch, dat uw vlucht niet valt in de winter of op een sabbatdag. Want dan zal er een ellende komen zo groot, als er nooit geweest is van het begin der wereld af tot nu toe, noch ooit weer zal zijn. En als die dagen niet bekort werden, zou er niemand behouden blijven; maar omwille van de uitverkorenen zullen die dagen bekort worden. Als men u dan zegt: Ziet, hier is de Christus! of: daar is Hij! gelooft het niet. Want valse christussen en valse profeten zullen er opstaan, en zij zullen grote tekenen en wonderen verrichten, zodat, als het mogelijk was, zelfs de uitverkorenen in dwaling gebracht zouden worden. Ziet, Ik heb het u voorspeld! Als men u dus zegt: Ziet, Hij is in de woestijn! gaat er niet heen; ziet, Hij is daar binnen in huis! gelooft het niet. Want gelijk de bliksem uitschiet van het oosten en straalt tot in het westen, zo zal ook de komst van de Mensenzoon zijn. Waar het aas ook ligt, daar verzamelen zich de gieren. En terstond na de ellende van die dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar licht niet meer geven; de sterren zullen van de hemel vallen en de krachten der hemelen zullen geschokt worden. Dan zal het teken van de Mensenzoon verschijnen aan de hemel, en weeklagen zullen alle volkstammen der aarde. en zij zullen de Mensenzoon zien komen op de wolken des hemels met grote macht en majesteit. Dan zal Hij zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen van de vier windstreken, van het ene uiteinde van de hemel tot aan het andere. Leert van de vijgenboom deze gelijkenis: Als zijn takken zacht worden en de bladeren uitschieten, dan weet gij, dat de zomer nabij is: zo ook, als gij dit alles ziet, weet dan, dat het vlak voor de deur staat. Voorwaar Ik zeg u, dit geslacht zal niet vergaan, voordat al deze dingen geschieden. Hemel en aarde zullen vergaan, maar Mijn woorden zullen niet vergaan.”

Overweging
Op deze laatste zondag van het kerkelijk jaar, ook wel de ‘zondag van het oordeel’ genoemd, spreekt Jezus in het Evangelie over het teken van de Mensenzoon, Die met macht en majesteit aan de hemel zal verschijnen. Dit teken zal de inleiding zijn tot de dag des oordeels. Het teken van de Mensenzoon is – zoals de Kerkvaders reeds opmerkten in hun commentaar op dit stuk Evangelie – het Kruis.

Het Kruis kent in de geschiedenis van het heil meerdere functies. Allereerst was het het instrument om Christus mee te doden. Maar daardoor werd aan het kruis een geheel nieuwe werkelijkheid gegeven; het werd de toegangsweg van het aardse naar het hemelse. Door het vrijwillig vergieten van het goddelijk Bloed werd het kruis verheven tot instrument van de genade en tot een teken van hoop. Ook in het Evangelie van vandaag wordt het als zodanig voorgesteld, als einde van de verschrikkingen en als overgang tot het leven voor de uitverkorenen kinderen Gods.

In de geschiedenis van onze civilisatie kent het kruis ook verschillende tijden. Als centrum van ons handelen en denken en als fundamentele drager van de Westerse beschaving, maar ook tijden van hevige bestrijding en minachting. Maar door alle veranderingen heen blijft het kruis een teken waarvan de mens zich niet los kan maken. Zowel voor- als tegenstanders zijn gericht op de werkelijkheid van het kruis, in positieve of negatieve zin. Het kruis laat niemand neutraal. Door Christus is dit teken een teken van strijd geworden, die fundamenteel gaat over de aanwezigheid van God of het verdringen van de goddelijke werkelijkheid uit het leven en de geschiedenis van de mensen.

21 november 2014

21 november: Opdracht van Onze Lieve Vrouw

Vandaag viert de Kerk het feest van de Opdracht van Onze Lieve Vrouw in de tempel (Maria Presentatie). Maria, die vervuld was van de Heilige Geest, was vanaf haar onbevlekte ontvangenis toegewijd aan God.

Dit feest is gebaseerd op het proto-Evangelie van Jacobus, waarin wordt verteld dat de ouders van de heilige maagd Maria, Joachim en Anna, uit dankbaarheid om haar miraculeuze geboorte hun dochter aan God toewijden in de tempel.

In de kerken van het Oosten wordt het feest van de opdracht van de Moeder Gods in de tempel al gevierd sinds de achtste eeuw. Het behoort daar tot een van de twaalf grote feesten. Later werd het feest ook in de Westerse Kerk ingevoerd.

18 november 2014

18 november: Kerkwijding van de basilieken van de heiligen Petrus en Paulus

Sint-Pietersbasiliek te Rome
Basiliek van Sint Paulus te Rome

Op de plaats waar de apostel Petrus ligt begraven, nabij de muren van het circus Nero, werd al heel spoedig door paus Anacletus in het jaar 80 een marmeren herinneringstempel opgericht.
Keizer Constantijn begon met de bouw van een Petrus-basiliek, die in het jaar 326 door paus Silvester werd geconsacreerd. Toen er in de 16e eeuw de nodige restauraties verricht moesten worden, besloot paus Julius II tot de bouw van een geheel nieuwe Sint-Pieterskerk.

In plaats van het herdenkingstempeltje op het graf van Paulus, liet keizer Constantijn in 324 een basiliek bouwen, ongeveer gelijk aan die door hem gebouwd was op het graf van Petrus. Deze werd door paus Siricius in de 4e eeuw ingewijd. In de loop der tijd is deze basiliek dikwijls beschadigd door plundering, aardbeving en overstroming, maar telkens weer gerestaureerd en met kunstschatten verrijkt. Deze basiliek ligt aan de weg naar Ostia en wordt ook wel de Sint-Paulus-buiten-de-Muren genoemd.

16 november 2014

Drieëntwintigste zondag na Pinksteren

Epistel
Fil. 3, 17–21; 4, 1–3
Broeders, wees navolgers van mij, en ziet naar degenen, die leven naar het voorbeeld, dat gij van ons ontvangen hebt. Want velen zijn er, van wie ik u dikwijl heb gezegd en nu onder tranen weer herhaal, dat zij een leven leiden als vijanden van Christus’ kruis; hun einde is verderf, want hun buik is hun god en hun eer zoeken zij in hun schande en hun zinnen zijn gericht op het aardse. Onze levenswandel echter is gericht op de hemel, want vandaar ook verwachten wij als Zaligmaker onze Heer Jezus Christus, die ons nietig lichaam zal omvormen en gelijk maken aan zijn verheerlijkt lichaam krachtens de macht, die hij bezit, om ook al het andere aan zich te onderwerpen. Derhalve, mijn welbeminde en veelgeliefde broeders, mijn vreugde en mijn kroon, blijft aldus standhouden in de Heer, mijn welbeminden. Ik bid Evodia en smeek Syntyche toch eensgezind te zijn in de Heer. Ja, ook u bid ik, trouwe medewerker, wees voor haar een steun, omdat zij met mij hebben samengewerkt voor het Evangelie te samen met Clemens en mijn andere medewerkers, wier namen staan opgetekend in het boek des levens.

Evangelie
Mt. 9, 18–26
In die tijd was Jezus bezig te spreken tot de scharen, toen er een zekere overste tot Hem kwam, voor Hem neerviel en zeide: “Heer, zo juist is mijn dochter gestorven; maar kom, en leg haar de hand op; dan zal zij weer leven.” En Jezus stond op en ging mee; en ook zijn leerlingen. En zie – een vrouw, die reeds twaalf jaar lang aan bloedvloeiing leed, naderde Hem van achteren en raakte de zoom van zijn kleed aan; want zij dacht bij zich zelf: Als ik slechts zijn kleed aanraak, zal ik genezen! Maar Jezus keerde Zich om; en toen Hij haar bemerkte, zeide Hij: “Heb goede moed, mijn dochter, uw geloof heeft u gered!” En van dat ogenblik af was de vrouw genezen. Toen Jezus bij het huis van de overste kwam en fluitspelers en de weeklagende menigte zag, sprak Hij: “Gaat heen; want het meisje is niet dood, maar slaapt.” En zij lachten Hem uit. Nadat men nu de menigte verwijderd had, ging Hij naar binnen en nam haar bij de hand; en het meisje richtte zich weer op. En de faam hiervan verspreidde zich door geheel het land.

Overweging
Hoe moet de vrouw uit het Evangelie zich gevoeld hebben, toen zij Jezus had aangeraakt en zich genezen wist? Twaalf jaar is een lange tijd en al die tijd had zij zich diep ongelukkig gevoeld, een uitgestotene, afgesneden van de gemeenschap van haar volk. Dat zij de Heer naderde was voor haar een laatste en vertwijfelde poging, nadat alle menselijke middelen hadden gefaald. En nu opeens wist zij dat alle ellende geleden en voorgoed voorbij was. Twaalf jaar als een boze droom eindigen met de liefdevolle woorden van onze Heer: “Schep moed, dochter, uw geloof heeft u gered”.

Indien wij het vergeten zouden zijn, dan weten wij het nu opnieuw, namelijk dat door de genade van Jezus alles anders kan worden. Daarom is het ook niet waar dat wij niet kunnen opstaan uit de staat van geestelijke lauwheid, dat de idealen van geestelijk leven die ons, ja de gehele Kerk, vroeger bezielden, onmogelijk waren en onwerkelijk. Wij – en de Kerk van onze tijd – hebben, zoals die vrouw in het Evangelie, voorheen geprobeerd om ons heil bij de mensen te zoeken, wij zijn bij de menselijke berekening te rade gegaan. En welk een ellende is over ons gekomen! De ziekten van onze tijd, die zich openbaren in Kerk en maatschappij, en in de levens van vele mensen zijn net zo ernstig als het twaalfjarige lijden van de vrouw in het Evangelieverhaal.

De ziekten van onze tijd, die voorkomen in Kerk en maatschappij, en in ons persoonlijk leven, zijn een vrucht van de hoogmoed. Wij denken dat wij wijzer zijn geworden, dat wij het ons toevertrouwde geloofsgoed niet meer nodig hebben. Ja, het lijkt alsof de Kerk zich schaamt voor de edelmoedigheid die haar tot in de jaren van het concilie in het algemeen bezielde, en die zij wist te verdedigen in haar liefdevolle pastoraal aan haar gelovigen. En onder de staten wist zij de wetten van God te verdedigen, tot zegening van de volkeren.

Diep in onszelf verheugde onze gemakzucht zich erover dat wij verstandiger waren geworden en niet meer hoefden te luisteren, en dat ook de anderen, of bijna alle anderen, zich aanpasten aan het leven en aan de eisen van hetgeen de mensen ‘het leven’ noemen. Maar het is fout om het geestelijke leven en het leven van de Kerk, en het leven op zich te beschouwen als een menselijke onderneming of als een louter psychologisch proces. Het leven van de Kerk, ons leven in de Kerk, en het leven op zich is allereerst een leven dat God geeft en niet een leven dat wij moeten invullen of maken.

Wij hebben decennialang getobd met menselijke berekeningen en menselijk pogen, en wij ervaren nu eindelijk dat wij machteloos zijn. De Kerk is een chaos, onze samenleving is een barbarij geworden en midden in deze ellende staan wij als machteloze mensen, zonder oriëntatie, aangetast door ziekte, en zonder hoop op genezing van de wereld. Wij hebben dezelfde ervaring als de vrouw uit het Evangelie van vandaag. Maar zij had uiteindelijk begrepen dat zij zonder Jezus Christus niets vermocht. Nu is de tijd aangebroken waarin ons kan overkomen wat deze vrouw overkwam: uw geloof heeft u gered.

Het inzicht van onze volkomen machtloosheid en het blijde weten dat Hij alles kan liggen vlak naast elkaar, ja, zijn in elkaar vervat. Als wij dit inzicht omzetten in daden, dan pas worden wij genezen. Daarna kunnen wij, evenals die vrouw, terugkeren tot het leven, wetend dat God ons duidelijk heeft gemaakt dat Hij begin en einde is van alles. Deze weg is de weg van iedere mens die gered wil worden en is ook de weg van de Kerk in onze tijd. Dat is niet alleen de weg die ons naar God in het hiernamaals leidt, maar het is tevens de weg die de enige garantie is van een gezonde samenleving. Als wij het hoogste doel willen bereiken, dan sluit dat het juiste gebruik in van het tijdelijke, wel wetend dat deze tijdelijke zaken geen eigen zegening bevatten. Dat is de ervaring die wij kunnen leren van de vrouw uit het Evangelie van vandaag.

13 november 2014

Programma Sint-Nicolaasacademie op zaterdag 15 november 2014

De najaarslezingen voor de Sint-Nicolaasacademie hebben als centraal thema ‘De zin van het lijden’. Mevrouw Corry van Tol, een van de grondleggers van hospice Kuria, is intensief betrokken bij de ontwikkeling van de palliatieve zorg in Nederland. Op zaterdag 15 november vertelt zij over wat zij beoogde bij de start van het hospice en wat zij geleerd heeft van mensen, ziekte en lijden.

Programma
10.00 uur: Gelezen heilige Mis
10.45 uur: Koffie en thee in de pastorie
11.00 uur: Lezing in de zaal van de pastorie
12.30 uur: Einde

Zie: De website van de academie.

12 november 2014

12 november: Heilige Martinus, paus en martelaar

Paus Martinus, gevangen en in ballingschap.

Martinus was afkomstig uit Todi in Umbrië. Na een schitterende carrière werd hij deken bij de bisschop van Rome, paus Theodorus I († 649). Deze zond hem als speciale afgezant naar Constantinopel. In juli 649 werd hij zelf tot paus gekozen. Hij staat bekend om zijn liefde voor de armen en zijn zorg voor de gelovigen, maar meer nog om zijn ijver de geloofsschat te bewaren.

In zijn tijd bestonden er onder de gelovigen vele diepgaande meningsverschillen, waarin hij duidelijk stelling nam. Vooral met keizer Constans II van het Oost-Romeinse Rijk had hij het vaak aan de stok. Die steunde de patriarch van Constantinopel die de ketterse ideeën van het 'monotheletisme' verkondigde. Dat is de dwaalleer dat Christus alleen een goddelijke en geen menselijke wil had gehad. Paus Martinus I was van mening dat Christus pas serieus mens genoemd kon worden als Hij ook een menselijke wil had bezeten, die onderhevig was geweest aan alle menselijke begeerten en emoties, inclusief twijfel, terwijl je zoiets natuurlijk nooit van de goddelijke wil kon beweren.

Nog in het jaar van zijn benoeming hield paus Martinus in Lateranen een concilie waarop deze leer officieel werd veroordeeld. Hij werd in zijn overtuiging gesteund door de bisschoppen van Afrika, Spanje en Engeland. Maar tegelijk moest hij ervaren dat zijn leven meer dan eens bedreigd werd.

Tenslotte wisten zijn tegenstanders hem te pakken te krijgen en in 653 naar Constantinopel over te brengen. In zijn brieven doet hij verslag van de ziekten die onderweg aan boord uitbraken en die hem ernstig verzwakten. Eerst werd hij voor meer dan een half jaar verbannen naar het Griekse eiland Naxos in de Egeïsche Zee. Daar kreeg hij maar mondjesmaat te eten en het eten dat hij voorgezet kreeg, maakte hem nog zieker dan hij intussen al was. Het was hem verboden zich te verzorgen, zo mocht hij zich gedurende 47 dagen niet wassen, zelfs niet met koud water.

Na overgebracht te zijn naar Constantinopel werd er een schijnproces tegen hem gevoerd, waarbij hij ter dood veroordeeld werd wegens verraad, terwijl hij gevangen was genomen, op beschuldiging van het feit dat hij het niet met de leerstellingen van de keizer eens was. Hij werd in het openbaar voor schut gezet en afgetuigd. Op voorspraak van de patriarch van Constantinopel werd hij niet gedood, maar - bespot door het gepeupel en ontdaan van alle bisschopskleren - verbannen naar Chersonesus op de Krim. Er zijn brieven van hem bewaard waarin hij zich beklaagt over zijn onmenselijke behandeling en over het feit dat zijn gelovigen in Rome niets meer van zich lieten horen, terwijl hij dag aan dag bad voor hun zieleheil. Erger nog: ze hadden intussen een plaatsvervanger gekozen: Eugenius I. Uiteindelijk is Martinus in de Krim gestorven. Later werd zijn lichaam overgebracht naar Rome en bijgezet in de naar hem genoemde kerk.

Vanwege de vele ontberingen en vernederingen die hij te verduren had wordt hij vaak aangeduid als de laatste paus-martelaar, terwijl hij in de strikte zin geen martelaar is: hij is immers niet rechtstreeks gedood omwille van Christus, ofschoon hij smaad, gevangenschap, verbanning en de dood moest ondergaan.
Als leider van de Kerk week Martinus niet voor de opvattingen van de keizer.

11 november 2014

11 november: Heilige Martinus (van Tours), bisschop en belijder

Geboren in 316 te Sabria in Hongarije liet Martinus zich als jongen van 10 jaar in de Kerk opnemen als catechumeen (doopleerling). Vijf jaar later trad hij in het leger en diende onder keizer Constantius en keizer Julianus. Op 18-jarige leeftijd werd hij gedoopt en bleef nog twee jaar in dienst.

Als catechumeen ontmoette hij eens bij de stadspoorten een naakte bedelaar, die hem om Christus' wil een aalmoes vroeg. Omdat hij niets dan zijn wapen had, gaf hij hem een stuk van zijn soldatenmantel. In een droom verscheen hem de avond daarop Christus met de helft van zijn mantel om zich heen geslagen. Hij hoorde Jezus met heldere stem tegen de menigte engelen die om Hem heen stonden zeggen: "Martinus, die nog maar doopleerling is, heeft Mij met dit kleed bedekt. Wat je voor de geringste van Mijn broeders hebt gedaan, dat heb je aan Mij gedaan."

De heilige Hilarius, bisschop van Poitiers werd zijn leraar en voorbeeld. Onder zijn leiding leefde hij als monnik. Toen hij priester was begon hij als missionaris in zijn eigen geboortestreek. Zijn moeder zou als eerste zich bekeerd hebben. Woedende Arianen en heidenen verdreven Martinus uit zijn geboortestreek. Teneergeslagen begaf hij zich naar het eiland Gallinara voor de Italiaanse Riviera. Daar leefde hij enkele jaren als kluizenaar. In het jaar 360 werd hij door Hilarius, die reeds sinds 356 bisschop van Poitiers was, naar Gallia teruggeroepen. Hij bouwde er een kluizenaarscel en en verbleef daar vele jaren. Uit deze eenvoudige cel zou later het eerste klooster van Gallie groeien.

Hij werd in 372 door het volk en de clerus gekozen tot bisschop van Tours, waar hij een klooster bouwde en met tachtig monniken een buitengewoon heilig leven leidde. Hij wilde niet in het bisschopshuis wonen, maar verkoos de armoede. Zijn vriend en levensbeschrijver Sulpicius Severus was vaak ooggetuige van zijn wonderdaden.

Vol overgave verkondigde Martinus overal het Evangelie en bestreed het heersende heidendom. Hij was geliefd bij de gehele bevolking vanwege zijn gerechtigheid en voorbeeldig leven.

De heilige Martinus stierf op 11 november rond het jaar 398 op 80 jarige leeftijd te Candes, een parochie in zijn bisdom.

Martinus is patroon van soldaten, cavaleristen, militairen, ruiters, hoefsmeden, wapensmeden, leerlooiers, wevers, armen, bedelaars, molenaars, gordelmakers, hoteliers, kleermakers, handschoenmakers, hoedenmakers, reizigers, gevangenen, wijnboeren, borstelmakers, omroepers, geheelonthouders, en herders en voor een goede oogst; en patroon tegen uitslag en slangenbeten.