20 augustus 2014

20 augustus: Heilige Bernardus, abt en Kerkleraar

Bernardus van Clairvaux wordt in 1090 geboren in Fontaine-lès-Dijon (bij Dijon). Hij was een Franse abt en de belangrijkste promotor van de hervormende kloosterorde van de Cisterciënzers. Na de dood van zijn moeder in 1113 trad Bernardus toe tot de Cisterciënzer orde. Reeds drie jaar later kreeg hij opdracht om een dochterklooster te stichten, dat hij op 25 juni 1115 de naam Claire Vallée, 'Clairvaux' gaf.

Bernardus had een bijzondere devotie tot de heilige maagd Maria. Veel van zijn preken gaan over haar rol als voorspreekster. Hij wordt dan ook herdacht als groot marioloog, niet omdat hij uitvoerig schreef over Onze Lieve Vrouw, maar omdat hij haar essentiële rol in de Kerk begreep, en haar als het perfecte model presenteerde van het monastieke leven en van elke andere vorm van christelijk leven.

In het jaar 1128 speelde Bernardus een rol in het Concilie van Troyes, waarin hij de contouren van de Regels van de Tempeliers schetste, die al snel het ideaal van de christelijke adel werden.

Bij de dood van paus Honorius II op 14 februari 1130, brak er een schisma uit in de kerk. Koning Louis VI riep een nationaal concilie van de Franse bisschoppen bijeen in Étampes, waar Bernardus werd gekozen om te oordelen over de rivaliserende pausen. In 1139 woonde Bernardus het Tweede Concilie van Lateranen bij. Hij hekelde de leer van Pierre Abélard bij de paus, die vervolgens in 1141 het Concilie van Sens bijeenriep om deze zaak verder af te wikkelen. Bernardus zag een van zijn leerlingen, Bernard van Pisa, tot paus gekozen worden.

Na eerder geholpen te hebben het schisma binnen de Kerk te beëindigen, kreeg Bernardus nu de opdracht om de ketterij te bestrijden. In juni 1145 reisde hij naar het zuiden van Frankrijk en in zijn prediking bestreed hij de ketterij. Na de christelijke nederlaag bij het Beleg van Edessa droeg de paus hem op om in zijn predikingen op te roepen tot een Tweede Kruistocht.

De laatste jaren van het leven van Bernardus werden bezwaard door de mislukking van deze Tweede kruistocht, waarvoor hij de gehele verantwoordelijkheid kreeg toebedeeld. Bernardus overleed op 20 augustus 1153 op drieënzestig-jarige leeftijd in Clairvaux, na 40 jaar doorgebracht te hebben in het klooster.

Op 18 januari 1174 werd hij door paus Alexander III heilig verklaard. Hij was de eerste Cisterciënzer monnik die werd opgenomen in de heiligenkalender. Paus Pius VIII riep hem in 1830 uit tot Kerkleraar. Deze paus noemde Bernardus de 'honingzoete' vanwege zijn welsprekendheid.

De tekst van de hymne ‘Ave Maris Stella’ zou door Sint Bernardus zijn geschreven. In onderstaande video hoort u hiervan een uitvoering gezongen door de Daughters of Mary, een jonge Amerikaanse congregatie van zusters.



Latijn

Ave Maris stella,
Dei Mater alma,
Atque semper Virgo,
Felix caeli porta.

Sumens illud Ave
Gabrielis ore,
Funda nos in pace,
Mutans Hevae nomen.

Solve vincla reis,
Profer lumen caecis,
Mala nostra pelle,
Bona cuncta posce.

Monstra te esse matrem,
Sumat per te preces,
Qui pro nobis natus
Tulit esse tuus.

Virgo singularis,
Inter omnes mitis
Nos, culpis solutos,
Mites fac et castos.

Vitam praesta puram,
Iter para tutum,
Ut, videntes Iesum,
Semper collaetemur.

Sit laus Deo Patri,
Summo Christo decus,
Spiritui Sancto,
Tribus honor unus. Amen.
Nederlands

Wees gegroet, sterre der zee,
voedende Moeder Gods,
en altijd Maagd,
zalige poort des hemels.

Gij die dit AVE uit de mond
van Gabriel mocht vernemen,
grondvest ons in de vrede
door de naam van EVA om te keren.

Slaak de boeien van de zondaars,
schenk het licht aan de blinden,
verdrijf onze kwalen
en verwerf ons alle goeds.

Toon dat Gij moeder zijt;
moge Hij, Die voor ons geboren is
en Zich verwaardigd heeft uw Zoon te zijn,
door U onze gebeden aanvaarden.

Maagd zonder weerga,
boven allen zachtmoedig,
verlos ons van onze schuld
en maak ons zachtmoedig en kuis.

Geef ons een rein leven,
bereid ons een veilige weg,
opdat wij Jezus aanschouwend
ons eeuwig samen mogen verblijden.

Lof zij aan God de Vader,
roem aan Christus de Allerhoogste,
en aan de Heilige Geest;
aan alle Drie gelijke eer. Amen.

19 augustus 2014

19 augustus: Heilige Johannes Eudes, belijder

Jean Eudes wordt geboren op 14 november 1601 geboren in het Normandische plaatsje Ri bij Argentan (in het bisdom Bayeux). Als jong kind legde hij reeds een grote vroomheid aan de dag. Op vierentwintigjarige leeftijd ontving hij de priesterwijding bij de Oratorianen in Parijs.

Als parochiepriester waagt hij tot twee keer toe zijn leven door lijders aan de pest op te zoeken en te verplegen. Hij is een beroemd volksmissionaris. Als bekend wordt dat hij ergens zal preken, stromen de mensen met duizenden toe.

In 1639 wordt hij benoemd tot overste van de Oratorianen, maar in 1643 verlaat hij de congregatie en sticht met vijf anderen de Congregatie van de Priesters van Jezus en Maria (CJM, ook eudisten genoemd). Zij legt zich met name toe op de devotie tot het Heilig Hart van Jezus en het Onbevlekt Hart van Maria en op een zorgvuldige priesteropleiding in de geest van de besluiten van Concilie van Trente (1570). Paus Clemens X geeft zijn officiële goedkering aan de statuten. Eudes blijft tot aan zijn dood algemeen overste.

Hij wordt beschouwd als een van de grootste religieuze vernieuwers van Frankrijk. In 1925 werd Johannes Eudes door paus Pius X heilig verklaard.

18 augustus 2014

18 augustus: Heilige Agapitus, martelaar

In het jaar 275 was Agapitus slechts 15 jaar oud toen hij door keizer Aurelianus werd gearresteerd, omdat hij christen was. Zonder schroom getuigde hij van zijn geloof in Christus. Daarom werd hij gegeseld en in een kerker geworpen, zonder voedsel, in de verwachting dat hij zijn christelijk geloof wel zou loslaten. Toen de prefect Antiochus hem na vijf dagen bezocht, trof hij hem nog vastberader aan dan tevoren. Hij werd gefolterd met gloeiende kolen op zijn hoofd. De jonge Agapitus onderging zijn marteling uiterst moedig en prees God met de woorden: “Een hoofd dat voor eeuwig een kroon zal dragen in de hemel, mag niet aarzelen als het onder lijden en pijn gebukt gaat op aarde. Verbranding en verwondingen maken mijn hoofd waardiger om de kroon te dragen in eeuwige glorie.”

In woede ontstoken liet Antiochus Agapitus geselen totdat zijn lichaam tot een grote wond was verworden, daarna werd hij aan zijn voeten boven een vuur gehangen met de bedoeling dat hij zou stikken. Dat lukte echter niet. Na een lange stilte sprak Agapitus opnieuw tot Antiochus: “Antiochus, de mensen zullen zeggen dat uw vernuft, uw verstand, in rook opgaat.” Opnieuw werd hij gegeseld, waarna kokend water in zijn wonden werd gegoten. Vervolgens werden alle tanden uit zijn mond geslagen en zijn kaken gebroken.

God strafte de tiran vanwege zijn wreedheden; hij viel van zijn zetel en brak zijn nek. Toen keizer Aurelianus dit hoorde, liet hij Agapitus voor de wilde leeuwen werpen. Maar deze weigerden hem aan te raken. Daarop besloot de keizer hem te laten onthoofden.

Agapitus is patroon van de stad Palestrina. Hij is beschermheilige van zieke kinderen en zwangere vrouwen; zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen buikpijn en kolieken. Hij wordt afgebeeld opgehangen boven een brandstapel met het hoofd naar beneden, met een of meerdere leeuwen, met gloeiende kolen of met een kroon.

17 augustus 2014

Tiende zondag na Pinksteren

De farizeeër en de tollenaar

Epistel
1 Kor. 12, 2-11
Broeders, gij weet het: toen gij nog heidenen waart, hebt gij u blindelings laten leiden naar de stomme afgoden. Daarom vestig ik er uw aandacht op, dat niemand, die spreekt door de Geest van God, zegt: Jezus zij vervloekt; evenzo kan niemand zeggen: Jezus is de Heer, tenzij door de Heilige Geest. Wel is er verschil van genadegaven, maar het is dezelfde Geest; en er is verschil van bediening, maar het is dezelfde Heer, en er bestaat verschil van werking, maar het is dezelfde God, Die alles in allen werkt. Aan een ieder wordt de zichtbare werking van de Geest gegeven, om er nut mee te stichten. Aan de een wordt door de Geest gegeven een woord van wijsheid; aan de ander een woord van kennis krachtens dezelfde Geest; aan een derde, in dezelfde Geest, geloof; aan een ander een gave van genezingen, in de éne Geest; aan een ander het werken van wonderen, aan een ander profetengave, aan een ander de onderscheiding der geesten; aan een ander het spreken van verschillende talen, aan een ander de vertolking van die talen. Maar dat alles bewerkt de éne en dezelfde Geest, Die aan een ieder toedeelt, zoals Hij wil.

Evangelie
Lc. 18, 9-14
In die tijd hield Jezus de volgende gelijkenis voor aan sommigen, die voor zichzelf de overtuiging hadden, dat zij rechtvaardig waren en daarom op de anderen met minachting neerzagen: Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de één was een farizeeër, de ander een tollenaar. De farizeeër stond daar, en bad bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet ben zoals de overige mensen: dieven, onrechtvaardigen, echtbrekers, of zoals die tollenaar ginds; ik vast tweemaal in de week, ik geef tienden van alles, wat ik in bezit krijg. Maar de tollenaar bleef op een afstand staan en durfde zelfs zijn ogen niet ten hemel opheffen; doch hij klopte op zijn borst en zei: O God, wees mij, zondaar, genadig! Ik verzeker u: deze laatste ging gerechtvaardigd naar huis, in tegenstelling met de ander; want al wie zich verheft, zal vernederd, maar wie zich vernedert, zal verheven worden.

Overweging
In de gelijkenis van deze zondag over de farizeeër en de tollenaar wordt ons door Jezus weer eens duidelijk het belang van ware nederigheid voorgehouden. Twee mensen gingen bidden, een farizeeër en een tollenaar. De farizeeër bad: “God, ik dank u dat ik niet ben zoals de anderen, rovers en onrechtvaardigen, of zoals die tollenaar.” Daarna vertelt de farizeeër aan God al het goede dat hij doet. De tollenaar bidt in zijn gebed tot God: “O God, wees mij, zondaar, genadig.”

Hier wordt door Jezus Zelf de grondslag van alle ware nederigheid aangegeven. Het is de erkenning van onze diepe ellende, armoede en zondigheid, van onze geringheid tegenover de oneindige volmaaktheid van God. Wij kunnen alleen voor Hem treden in een geest van diepe erkentenis van ons eigen onvolkomenheid. Alles wat wij verder over de nederigheid kunnen zeggen, steunt daar op en wordt daar van afgeleid. De heilige Bernardus zou de nederigheid bepalen als ‘de geringe dunk die iemand heeft van zichzelf’. En terecht is dit een kenmerk van wezenlijke en ware nederigheid.

Wij kunnen zeggen dat nederigheid altijd een gering en bescheiden denken over zichzelf betekent. Het is ook onszelf willen zien zoals wij werkelijk zijn, inclusief alle gebreken en fouten. Zichzelf zo te zien is de eerste stap op de weg naar volmaaktheid die God in degene bewerkt die zichzelf kent en daarom bereid is om met Zijn genade mee te werken. Het fundament van de ware nederigheid is daarom de juiste houding die men aanneemt tegenover God. De farizeeër meent God een dienst te bewijzen met het opzeggen van al zijn eigen goede werken. Hij verheft zich daardoor op een hoogmoedige wijze boven anderen en dankt God er zelfs voor dat hij niet is zoals de anderen. Hij acht zichzelf beter dan zijn omgeving. Door de gelijkenis van vandaag keurt Christus zijn gedrag en zijn gebed volkomen af. De farizeeër weet geen houding van liefdevolheid aan te nemen tegenover de mensen, omdat hij geen houding van bescheidenheid weet aan te nemen tegenover God.

De tollenaar is zich bewust van zijn zonden. Hij is verlegen, hij voelt zich als geslagen. Hij durft zelfs niet op te zien en stamelt alleen: “God, wees mij, zondaar, genadig”. Alles van de ‘übermensch’ is hier weg. Alleen berouw, deemoed en besef van eigen zondigheid blijven in hem over.

En dan volgt het onomwonden oordeel van de Meester: “Ik zeg u, deze ging gerechtvaardigd naar huis, in tegenstelling tot de ander.” De tollenaar wordt geprezen. Hij had besef van zijn zondigheid. Hij trachtte niet zijn eigen ellende op allerlei wijzen te camoufleren. Hij was een zondaar, maar door dat met berouw te erkennen werd hij een rechtwaardige. Zelfs zonder zonden blijft de mens op onmetelijke afstand van God verwijderd, en heeft hij daarom allerlei redenen om nederig over zichzelf te denken. De farizeeër beging de fout van eigen blindheid.

Laten wij het volgende woord van de heilige Augustinus ter harte nemen: “God, laat mij toch kennen wie Gij zijt en laat mij erkennen wie ik ben”. In deze woorden ligt de sleutel van nederigheid en dankbare Godbejegening.

16 augustus 2014

Beeldverslag van de processie op Maria Tenhemelopneming (15 augustus 2014)

video

16 augustus: Heilige Joachim, belijder, vader van de H. maagd Maria

Joachim (links) en Anna (rechts) met hun dochter Maria (midden).

De heilige Joachim is volgens de christelijke traditie de vader van Maria, de moeder van onze Heer Jezus Christus. Hij was getrouwd met Anna, de moeder van Maria. Joachim wordt ons voorgesteld als een godvrezende, welgestelde en vrijgevige man. Zijn huwelijk was kinderloos.

Joachim wordt vanwege zijn kinderloosheid uit de tempel verwijderd en vlucht voor die schande met zijn kudde naar de bergen. Daar krijgt hij van een engel te horen dat zijn vrouw Anna zwanger is. Joachim keert naar huis terug en ontmoet zijn vrouw bij de (Gouden) Poort in Jeruzalem. Anna geeft het leven aan een meisje en noemt haar Maria.

De ontmoeting bij de Gouden Poort is later een beroemd thema in de beeldende kunst geworden. Joachim wordt soms afgebeeld als herder met een staf in de hand en een schaap aan zijn voeten. Op schilderijen staat hij dikwijls op de achtergrond in voorstellingen van Anna met Maria en Jezus.

15 augustus 2014

Maria Tenhemelopneming, hoogfeest

Epistel
Judit 13, 22-25; 15, 10
De Heer heeft u gezegend met Zijn kracht; want door u heeft Hij onze vijanden vernietigd. Gezegend zijt gij, dochter, door de Heer, de allerhoogste God, meer dan de andere vrouwen op aarde. Gezegend zij de Heer, de Schepper van hemel en aarde, Die u heeft gezonden, om de vorst van onze vijanden de kop te verwonden; heden heeft Hij uw naam zo hoog verheven, dat uw lof nooit zal wijken uit de mond van de mensen, die de macht van de Heer voor immer blijven gedenken. Om hunnentwil hebt gij uw leven niet gespaard, vanwege de nood en de ellende van uw volk. Maar gij hebt redding gebracht in hun ongeluk voor het aangezicht van onze God. Gij zijt de glorie van Jeruzalem - de vreugde van Israël - het pronkjuweel van ons volk.

Evangelie
Lc. 1, 41-50
In die tijd werd Elisabet vervuld van de Heilige Geest en zij riep met luide stem en zei: Gezegend zijt gij onder de vrouwen en gezegend is de Vrucht van uw schoot. En waarom valt mij dit te beurt, dat de Moeder van de Heer tot mij komt? Want werkelijk, zodra uw begroeting mij in de oren klonk, sprong het kind van blijdschap op in mijn schoot. En zalig zijt gij, dat gij geloofd hebt, want hetgeen u door de Heer is aangekondigd, zal in vervulling gaan. Toen sprak Maria: Mijn ziel verheft de Heer en mijn geest is verblijd in God, mijn heil. Want Hij heeft genadig neergezien op Zijn geringe dienstmaagd; zie van nu af zullen alle geslachten mij zalig prijzen. Want groots is het wat de Almachtige met mij deed, Hij Wiens Naam heilig is, Wiens barmhartigheid duurt van geslacht tot geslacht, voor degenen die Hem vrezen.

Overweging
Vandaag viert de Kerk een heel groot feest, namelijk de tenhemelopneming van Maria. De Kerk gelooft en leert dat het lichaam van Maria na haar dood het bederf niet heeft gezien, maar dat zij na haar ontslapen direct in de hemel is opgenomen. Maria werd met ziel en lichaam in de hemel opgenomen. Dat is het bijzondere van Maria’s verheerlijking: dat haar lichaam, evenals dat van Jezus, aanstonds deelde in de glorie van de ziel. Er zijn andere heiligen van wie wij mogen aannemen dat zij onmiddellijk na hun sterven tot de aanschouwing Gods werden toegelaten, maar zij allen hebben het bederf van het graf gekend. Het zuivere lichaam van de Maagd, uit wie Christus is geboren, was niet aangetast door de gevolgen van de erfzonde. Wel was het sterfelijk, maar door Gods wonder niet bederfelijk.

Vandaag, bij haar opneming ten hemel, wordt haar heilig lichaam, die tempel van de Heilige Geest, de schoot die het Woord ontving, verheerlijkt, met goddelijk licht omstraald, en ten hemel gevoerd. Assumpta est Maria in coelum: gaudent angeli! – Maria is met ziel en lichaam door God in de hemel opgenomen: en de Engelen juichen! Zo zingt de Kerk in een van de antifonen op dit feest.

Onze verlossing is niet volkomen voordat het lichaam deelt in de glorie. Zolang wij op aarde zijn, is ons lichaam aan het lijden onderworpen, aan vergankelijkheid en tijdelijke dood met het bederf van het graf. Het feest van de tenhemelopneming van onze Lieve Vrouw moet in onze harten een blijde hoop storten. Wij zijn nog pelgrims, maar onze Moeder is ons voorgegaan en toont ons reeds het einde van de weg. Zij zegt ons opnieuw dat het mogelijk is er te komen, en dat wij er komen als we trouw zijn. En wat staat ons op het einde van onze pelgrimstocht te wachten? De hemelse vreugde van de aanschouwing Gods.

Voor Maria betekende de aanschouwing Gods de aanschouwing van haar Zoon, haar Jezus, zoals Hij werkelijk was en is. Wat een ongekende vreugde voor het moederhart! Zij kende Hem eerst in de intimiteit van haar moederschap, daarna in de smarten van Zijn verlossing, toen in de omhelzing van de Verrezene, en nu in Zijn hemelse glorie. Maria wordt voor ons in haar glorievolle verheerlijking een teken van God. Telkens opnieuw richt zij onze gedachten op de uiteindelijke bestemming van ons leven hier op aarde: eeuwig met God te zijn, tot Zijn glorie en ons geluk.

Maria is als eerste geheel opgenomen in de orde van de verheerlijking, volmaakt gelukkig naar heel haar wezen. Deze dag moet voor ons, die nog in de wereld verblijven, een dag van vreugde zijn, met haar en om haar. Het feest van de Moeder is het feest van de kinderen. Laten wij vandaag de ellende van deze tijd opzij zetten en verwijlen in het hemelse dat voor ons het enig noodzakelijke is. Ons heil is in de hemel vanwaar wij onze Verlosser verwachten, Die ons vergankelijk lichaam zal omvormen en gelijkmaken aan Zijn verheerlijkt lichaam. Ons heil is in de hemel waar onze Moeder ons is voorgegaan.

15 augustus: Maria Tenhemelopneming, hoogfeest

Op 15 augustus viert de Kerk het hoogfeest van de tenhemelopneming van de Moeder Gods. Dit feest werd eind zesde eeuw door keizer Mauritius in Byzantium ingevoerd. In de zevende eeuw nam Rome, onder paus Sergius I, dit feest uit het Oosten over.

Paus Pius XII kondigde op 1 november 1950 (Allerheiligen) het dogma van de tenhemelopneming van Maria af. Dit dogma houdt de gelovigen voor dat "de Moedermaagd, na het beëindigen van haar aardse leven, met lichaam en geest is opgenomen in de hemelse glorie, om er in alle schittering te stralen als Koningin aan de rechterhand van haar Zoon, de onsterfelijke Koning van alle tijden."

De naam van het feest verwijst allereerst naar de bijzonder hechte band tussen Jezus en Zijn moeder. Die is zo hecht dat deze niet door de dood doorbroken kan worden. Maria’s lichaam wordt in plaats van te ontbinden "opgenomen bij Christus in het paradijs". Dit is niet zo zeer een uniek voorrecht voor Jezus’ moeder, maar wel een zo goed als noodzakelijk gevolg van haar intieme verbondenheid met Christus: wat aan het Godsvolk als geheel beloofd is - volheid van geluk, overwinning op de dood en het delen in de heerlijkheid van de Heer - is al vervuld in de vrouw van Gods welbehagen, gezegend boven alle vrouwen, uit wier schoot Gods Zoon een lichaam aannam tot verlossing van de mensheid.

Op deze dag is de Maagd, de Moeder van God, ten hemel opgenomen.
Zij is het begin, het beeld van de Kerk der voleinding.
Zij houdt de hoop in ons levend en is een troost voor Gods volk onderweg.
Terecht heeft God haar het bederf van de dood niet laten zien, omdat zij op wonderbare wijze de Moeder is geworden van Zijn Zoon, de Gever van alle leven.

Bij uw baren hebt gij uw maagdelijkheid behouden, bij uw tenhemelopneming hebt gij de wereld niet verlaten, Moeder van God: gij zijt teruggekeerd naar de bron des levens, gij die de levende God ontving en die door uw gebeden onze zielen van de dood zult bevrijden.

14 augustus 2014

Heilige Maximiliaan Kolbe, priester en martelaar

De Poolse franciscaner pater Maximiliaan Kolbe stichtte in 1927 bij Warschau 'Mariastad' of 'Niepokalanow'. Hij begint daar een drukkerij en een radiozender. Er komt een spoorbaan en zelfs een brandweercorps. En er wordt begonnen met de aanleg van een vliegveld.

Het klooster geeft vier tijdschriften uit; de totale oplage is meer dan een miljoen. Het dagblad dat het klooster uitgeeft, heeft een oplage van meer dan 150.000 exemplaren. Op het hoogtepunt wonen er 762 broeders die de armoede van Sint-Franciscus naleven.

Op 1 september 1939 vallen de Duitsers Polen binnen. Mariastad is een doorn in het oog van de bezetter. In de bladen wordt veel kritiek geleverd en in 1939 wordt pater Maximiliaan, met vier medebroeders, opgepakt. Ze laten hem op 8 december (Onbevlekte Ontvangenis) weer vrij.
Pater Maximiliaan stuurt zijn broeders naar huis, het klooster biedt onderdak aan Polen en joden. In februari 1941 wordt hij weer gearresteerd en naar Auschwitz gebracht.

De Duitsers proberen zijn leven tot een hel te maken. Hij moet zware lichamelijke arbeid verrichten. Wanneer hij uitgeput neervalt, slaat de commandant hem met een stok bijna dood en laat hem in het bos achter. Terug in het kamp blijft pater Maximiliaan aan iedereen de liefde voorhouden, alleen de liefde bouwt op. Hoewel het verboden is, hoort hij van gevangenen de biecht.

Als op een dag een man wordt vermist, dan wijst de kampbeul tien mannen aan. Een van hen smeekt om genade, hij is vader van vier kinderen. Dan stapt pater Maximiliaan op de leider af en zegt: "Ik ben priester, ik wil zijn plaats innemen." En tot ieders verbazing schreeuwt de kampbeul: "Raus!" en stuurt hij de vader terug de rijen in.

De hongerbunker ligt onder de grond en is door een hoge muur van het kamp afgescheiden. Wie daar ingaat, wordt niet meer levend teruggezien. In het kamp spraken de kampcommandanten over de pater. Ze hadden zoiets nog nooit meegemaakt. Iemand die zijn leven offert voor zijn naaste. Uit de bunker klinkt gezang en gebed, maar met de dag wordt het geluid zwakker. Altijd zagen de bewakers de pater op de knieën, of staan tussen de stervende mannen. Na bijna drie weken zijn de Duitsers het zat. De laatste vier levenden worden doodgespoten.

De euthanasiearts ziet hoe de lippen van pater Maximiliaan biddend sterven. De mannen liggen dood op de grond, hun gezichten zijn getekend door het lijden. Rechtop tegen de muur zit het dode lichaam van pater Maximiliaan, zijn gezicht is een en al vrede.

Op 10 oktober 1982 verklaart paus Johannes Paulus II zijn landgenoot heilig. De gedachtenis van Maximiliaan Kolbe wordt gevierd op 14 augustus (Novus Ordo).

12 augustus 2014

12 augustus: Heilige Clara, maagd

Clara werd geboren rond het jaar 1195 in een adelijke familie in Assisi, Italië. Ze was een jaar of achttien op het moment dat Franciscus met zijn beweging begon. Onder zijn invloed gaf ze haar maatschappelijke positie op, brak met haar familie en trad, net als Franciscus, in het klooster. Zij legde zich toe op de navolging van Christus in radicale armoede.

Spoedig voegden zich andere vrouwen bij haar, onder wie haar zus Agnes die zij had helpen ontsnappen uit het ouderlijk huis. Zij stichtte de orde der clarissen. Veertig jaar lang stond zij aan het hoofd van het klooster van San Damiano, even buiten Assisi. Intussen groeide er tussen Franciscus en Clara een hechte en diepe geestelijke vriendschap. Als hij niet zeker was van een bepaalde beslissing of niet wist hoe te handelen, liet hij zuster Clara om raad vragen, ook in zaken van gebed, boete, geestelijke leiding en apostolaat.

Franciscus stierf in 1226. Clara en haar medezusters gingen voort in zijn geest van gebed en armoede. Zo wist zij rond 1240 door het innige gebed dat ze deed geknield voor een monstrans met de heilige Hostie erin, een dreigende inval van de Saracenen in Assisi te verhinderen. Vanaf dat moment wordt zij beschouwd als de redster van Assisi en van San Damiano.

Tot haar dood op 11 augustus 1253 verbleef Clara in San Damiano en leefde er volgens de kloosterregel die zij zelf, als eerste vrouw in de geschiedenis, had geschreven. Deze regel werd pas op haar sterfbed door paus Innocentius IV goedgekeurd.

Twee jaar na haar dood werd zij door paus Alexander IV heilig verklaard. Haar lichaam is nog altijd te zien in een glazen schrijn in haar basiliek te Assisi.

Zij is medepatrones van Assisi. Zij wordt afgebeeld als claris (met bruin- of zwartwollen habijt, dat om het middel enigszins is opgebonden), met de staf van de abdis, met een kruis, een lelie (symbool van maagdelijkheid), regelboek, en zeer vaak met een monstrans en soms met een brandende lamp (verwijzing naar haar naam en naar Jezus' verhaal over de wijze maagden).

Zij is patrones van de wasvrouwen, naaisters en borduursters, en van de vergulders. Zij wordt ook aangeroepen tegen oogkwalen en koorts (zelf had zij daar 27 jaar last van). In 1958 werd zij door paus Pius XII uitgeroepen tot patrones van de televisie: in het jaar voor haar dood was zij al zo verzwakt dat zij zelfs met Kerstmis haar cel niet kon verlaten om in Assisi de Nachtmis bij te wonen. Zij zou toen vanaf haar ziekbed in haar cel voor haar ogen de Kerstplechtigheden in de kerk van Assisi hebben zien gebeuren. Mede op grond van deze legende wordt haar voorspraak ingeroepen tegen oogkwalen; daar wordt ook de betekenis van haar naam (klaar, helder) mee in verband gebracht.

In 1946 dichtte Gabriël Smit een rijmpje over de heilige Clara:

Sint Clara, gij hebt dag en nacht
uw liefde blij en fier getoond
aan Hem, Die door Zijn wondermacht
in simpel brood nu bij ons woont.
Geef dat mijn hart Hem steeds herkent
in Zijn hoogheilig Sacrament.