21 november 2014

21 november: Opdracht van Onze Lieve Vrouw

Vandaag viert de Kerk het feest van de Opdracht van Onze Lieve Vrouw in de tempel (Maria Presentatie). Maria, die vervuld was van de Heilige Geest, was vanaf haar onbevlekte ontvangenis toegewijd aan God.

Dit feest is gebaseerd op het proto-Evangelie van Jacobus, waarin wordt verteld dat de ouders van de heilige maagd Maria, Joachim en Anna, uit dankbaarheid om haar miraculeuze geboorte hun dochter aan God toewijden in de tempel.

In de kerken van het Oosten wordt het feest van de opdracht van de Moeder Gods in de tempel al gevierd sinds de achtste eeuw. Het behoort daar tot een van de twaalf grote feesten. Later werd het feest ook in de Westerse Kerk ingevoerd.

18 november 2014

18 november: Kerkwijding van de basilieken van de heiligen Petrus en Paulus

Sint-Pietersbasiliek te Rome
Basiliek van Sint Paulus te Rome

Op de plaats waar de apostel Petrus ligt begraven, nabij de muren van het circus Nero, werd al heel spoedig door paus Anacletus in het jaar 80 een marmeren herinneringstempel opgericht.
Keizer Constantijn begon met de bouw van een Petrus-basiliek, die in het jaar 326 door paus Silvester werd geconsacreerd. Toen er in de 16e eeuw de nodige restauraties verricht moesten worden, besloot paus Julius II tot de bouw van een geheel nieuwe Sint-Pieterskerk.

In plaats van het herdenkingstempeltje op het graf van Paulus, liet keizer Constantijn in 324 een basiliek bouwen, ongeveer gelijk aan die door hem gebouwd was op het graf van Petrus. Deze werd door paus Siricius in de 4e eeuw ingewijd. In de loop der tijd is deze basiliek dikwijls beschadigd door plundering, aardbeving en overstroming, maar telkens weer gerestaureerd en met kunstschatten verrijkt. Deze basiliek ligt aan de weg naar Ostia en wordt ook wel de Sint-Paulus-buiten-de-Muren genoemd.

16 november 2014

Drieëntwintigste zondag na Pinksteren

Epistel
Fil. 3, 17–21; 4, 1–3
Broeders, wees navolgers van mij, en ziet naar degenen, die leven naar het voorbeeld, dat gij van ons ontvangen hebt. Want velen zijn er, van wie ik u dikwijl heb gezegd en nu onder tranen weer herhaal, dat zij een leven leiden als vijanden van Christus’ kruis; hun einde is verderf, want hun buik is hun god en hun eer zoeken zij in hun schande en hun zinnen zijn gericht op het aardse. Onze levenswandel echter is gericht op de hemel, want vandaar ook verwachten wij als Zaligmaker onze Heer Jezus Christus, die ons nietig lichaam zal omvormen en gelijk maken aan zijn verheerlijkt lichaam krachtens de macht, die hij bezit, om ook al het andere aan zich te onderwerpen. Derhalve, mijn welbeminde en veelgeliefde broeders, mijn vreugde en mijn kroon, blijft aldus standhouden in de Heer, mijn welbeminden. Ik bid Evodia en smeek Syntyche toch eensgezind te zijn in de Heer. Ja, ook u bid ik, trouwe medewerker, wees voor haar een steun, omdat zij met mij hebben samengewerkt voor het Evangelie te samen met Clemens en mijn andere medewerkers, wier namen staan opgetekend in het boek des levens.

Evangelie
Mt. 9, 18–26
In die tijd was Jezus bezig te spreken tot de scharen, toen er een zekere overste tot Hem kwam, voor Hem neerviel en zeide: “Heer, zo juist is mijn dochter gestorven; maar kom, en leg haar de hand op; dan zal zij weer leven.” En Jezus stond op en ging mee; en ook zijn leerlingen. En zie – een vrouw, die reeds twaalf jaar lang aan bloedvloeiing leed, naderde Hem van achteren en raakte de zoom van zijn kleed aan; want zij dacht bij zich zelf: Als ik slechts zijn kleed aanraak, zal ik genezen! Maar Jezus keerde Zich om; en toen Hij haar bemerkte, zeide Hij: “Heb goede moed, mijn dochter, uw geloof heeft u gered!” En van dat ogenblik af was de vrouw genezen. Toen Jezus bij het huis van de overste kwam en fluitspelers en de weeklagende menigte zag, sprak Hij: “Gaat heen; want het meisje is niet dood, maar slaapt.” En zij lachten Hem uit. Nadat men nu de menigte verwijderd had, ging Hij naar binnen en nam haar bij de hand; en het meisje richtte zich weer op. En de faam hiervan verspreidde zich door geheel het land.

Overweging
Hoe moet de vrouw uit het Evangelie zich gevoeld hebben, toen zij Jezus had aangeraakt en zich genezen wist? Twaalf jaar is een lange tijd en al die tijd had zij zich diep ongelukkig gevoeld, een uitgestotene, afgesneden van de gemeenschap van haar volk. Dat zij de Heer naderde was voor haar een laatste en vertwijfelde poging, nadat alle menselijke middelen hadden gefaald. En nu opeens wist zij dat alle ellende geleden en voorgoed voorbij was. Twaalf jaar als een boze droom eindigen met de liefdevolle woorden van onze Heer: “Schep moed, dochter, uw geloof heeft u gered”.

Indien wij het vergeten zouden zijn, dan weten wij het nu opnieuw, namelijk dat door de genade van Jezus alles anders kan worden. Daarom is het ook niet waar dat wij niet kunnen opstaan uit de staat van geestelijke lauwheid, dat de idealen van geestelijk leven die ons, ja de gehele Kerk, vroeger bezielden, onmogelijk waren en onwerkelijk. Wij – en de Kerk van onze tijd – hebben, zoals die vrouw in het Evangelie, voorheen geprobeerd om ons heil bij de mensen te zoeken, wij zijn bij de menselijke berekening te rade gegaan. En welk een ellende is over ons gekomen! De ziekten van onze tijd, die zich openbaren in Kerk en maatschappij, en in de levens van vele mensen zijn net zo ernstig als het twaalfjarige lijden van de vrouw in het Evangelieverhaal.

De ziekten van onze tijd, die voorkomen in Kerk en maatschappij, en in ons persoonlijk leven, zijn een vrucht van de hoogmoed. Wij denken dat wij wijzer zijn geworden, dat wij het ons toevertrouwde geloofsgoed niet meer nodig hebben. Ja, het lijkt alsof de Kerk zich schaamt voor de edelmoedigheid die haar tot in de jaren van het concilie in het algemeen bezielde, en die zij wist te verdedigen in haar liefdevolle pastoraal aan haar gelovigen. En onder de staten wist zij de wetten van God te verdedigen, tot zegening van de volkeren.

Diep in onszelf verheugde onze gemakzucht zich erover dat wij verstandiger waren geworden en niet meer hoefden te luisteren, en dat ook de anderen, of bijna alle anderen, zich aanpasten aan het leven en aan de eisen van hetgeen de mensen ‘het leven’ noemen. Maar het is fout om het geestelijke leven en het leven van de Kerk, en het leven op zich te beschouwen als een menselijke onderneming of als een louter psychologisch proces. Het leven van de Kerk, ons leven in de Kerk, en het leven op zich is allereerst een leven dat God geeft en niet een leven dat wij moeten invullen of maken.

Wij hebben decennialang getobd met menselijke berekeningen en menselijk pogen, en wij ervaren nu eindelijk dat wij machteloos zijn. De Kerk is een chaos, onze samenleving is een barbarij geworden en midden in deze ellende staan wij als machteloze mensen, zonder oriëntatie, aangetast door ziekte, en zonder hoop op genezing van de wereld. Wij hebben dezelfde ervaring als de vrouw uit het Evangelie van vandaag. Maar zij had uiteindelijk begrepen dat zij zonder Jezus Christus niets vermocht. Nu is de tijd aangebroken waarin ons kan overkomen wat deze vrouw overkwam: uw geloof heeft u gered.

Het inzicht van onze volkomen machtloosheid en het blijde weten dat Hij alles kan liggen vlak naast elkaar, ja, zijn in elkaar vervat. Als wij dit inzicht omzetten in daden, dan pas worden wij genezen. Daarna kunnen wij, evenals die vrouw, terugkeren tot het leven, wetend dat God ons duidelijk heeft gemaakt dat Hij begin en einde is van alles. Deze weg is de weg van iedere mens die gered wil worden en is ook de weg van de Kerk in onze tijd. Dat is niet alleen de weg die ons naar God in het hiernamaals leidt, maar het is tevens de weg die de enige garantie is van een gezonde samenleving. Als wij het hoogste doel willen bereiken, dan sluit dat het juiste gebruik in van het tijdelijke, wel wetend dat deze tijdelijke zaken geen eigen zegening bevatten. Dat is de ervaring die wij kunnen leren van de vrouw uit het Evangelie van vandaag.

13 november 2014

Programma Sint-Nicolaasacademie op zaterdag 15 november 2014

De najaarslezingen voor de Sint-Nicolaasacademie hebben als centraal thema ‘De zin van het lijden’. Mevrouw Corry van Tol, een van de grondleggers van hospice Kuria, is intensief betrokken bij de ontwikkeling van de palliatieve zorg in Nederland. Op zaterdag 15 november vertelt zij over wat zij beoogde bij de start van het hospice en wat zij geleerd heeft van mensen, ziekte en lijden.

Programma
10.00 uur: Gelezen heilige Mis
10.45 uur: Koffie en thee in de pastorie
11.00 uur: Lezing in de zaal van de pastorie
12.30 uur: Einde

Zie: De website van de academie.

12 november 2014

12 november: Heilige Martinus, paus en martelaar

Paus Martinus, gevangen en in ballingschap.

Martinus was afkomstig uit Todi in Umbrië. Na een schitterende carrière werd hij deken bij de bisschop van Rome, paus Theodorus I († 649). Deze zond hem als speciale afgezant naar Constantinopel. In juli 649 werd hij zelf tot paus gekozen. Hij staat bekend om zijn liefde voor de armen en zijn zorg voor de gelovigen, maar meer nog om zijn ijver de geloofsschat te bewaren.

In zijn tijd bestonden er onder de gelovigen vele diepgaande meningsverschillen, waarin hij duidelijk stelling nam. Vooral met keizer Constans II van het Oost-Romeinse Rijk had hij het vaak aan de stok. Die steunde de patriarch van Constantinopel die de ketterse ideeën van het 'monotheletisme' verkondigde. Dat is de dwaalleer dat Christus alleen een goddelijke en geen menselijke wil had gehad. Paus Martinus I was van mening dat Christus pas serieus mens genoemd kon worden als Hij ook een menselijke wil had bezeten, die onderhevig was geweest aan alle menselijke begeerten en emoties, inclusief twijfel, terwijl je zoiets natuurlijk nooit van de goddelijke wil kon beweren.

Nog in het jaar van zijn benoeming hield paus Martinus in Lateranen een concilie waarop deze leer officieel werd veroordeeld. Hij werd in zijn overtuiging gesteund door de bisschoppen van Afrika, Spanje en Engeland. Maar tegelijk moest hij ervaren dat zijn leven meer dan eens bedreigd werd.

Tenslotte wisten zijn tegenstanders hem te pakken te krijgen en in 653 naar Constantinopel over te brengen. In zijn brieven doet hij verslag van de ziekten die onderweg aan boord uitbraken en die hem ernstig verzwakten. Eerst werd hij voor meer dan een half jaar verbannen naar het Griekse eiland Naxos in de Egeïsche Zee. Daar kreeg hij maar mondjesmaat te eten en het eten dat hij voorgezet kreeg, maakte hem nog zieker dan hij intussen al was. Het was hem verboden zich te verzorgen, zo mocht hij zich gedurende 47 dagen niet wassen, zelfs niet met koud water.

Na overgebracht te zijn naar Constantinopel werd er een schijnproces tegen hem gevoerd, waarbij hij ter dood veroordeeld werd wegens verraad, terwijl hij gevangen was genomen, op beschuldiging van het feit dat hij het niet met de leerstellingen van de keizer eens was. Hij werd in het openbaar voor schut gezet en afgetuigd. Op voorspraak van de patriarch van Constantinopel werd hij niet gedood, maar - bespot door het gepeupel en ontdaan van alle bisschopskleren - verbannen naar Chersonesus op de Krim. Er zijn brieven van hem bewaard waarin hij zich beklaagt over zijn onmenselijke behandeling en over het feit dat zijn gelovigen in Rome niets meer van zich lieten horen, terwijl hij dag aan dag bad voor hun zieleheil. Erger nog: ze hadden intussen een plaatsvervanger gekozen: Eugenius I. Uiteindelijk is Martinus in de Krim gestorven. Later werd zijn lichaam overgebracht naar Rome en bijgezet in de naar hem genoemde kerk.

Vanwege de vele ontberingen en vernederingen die hij te verduren had wordt hij vaak aangeduid als de laatste paus-martelaar, terwijl hij in de strikte zin geen martelaar is: hij is immers niet rechtstreeks gedood omwille van Christus, ofschoon hij smaad, gevangenschap, verbanning en de dood moest ondergaan.
Als leider van de Kerk week Martinus niet voor de opvattingen van de keizer.

11 november 2014

11 november: Heilige Martinus (van Tours), bisschop en belijder

Geboren in 316 te Sabria in Hongarije liet Martinus zich als jongen van 10 jaar in de Kerk opnemen als catechumeen (doopleerling). Vijf jaar later trad hij in het leger en diende onder keizer Constantius en keizer Julianus. Op 18-jarige leeftijd werd hij gedoopt en bleef nog twee jaar in dienst.

Als catechumeen ontmoette hij eens bij de stadspoorten een naakte bedelaar, die hem om Christus' wil een aalmoes vroeg. Omdat hij niets dan zijn wapen had, gaf hij hem een stuk van zijn soldatenmantel. In een droom verscheen hem de avond daarop Christus met de helft van zijn mantel om zich heen geslagen. Hij hoorde Jezus met heldere stem tegen de menigte engelen die om Hem heen stonden zeggen: "Martinus, die nog maar doopleerling is, heeft Mij met dit kleed bedekt. Wat je voor de geringste van Mijn broeders hebt gedaan, dat heb je aan Mij gedaan."

De heilige Hilarius, bisschop van Poitiers werd zijn leraar en voorbeeld. Onder zijn leiding leefde hij als monnik. Toen hij priester was begon hij als missionaris in zijn eigen geboortestreek. Zijn moeder zou als eerste zich bekeerd hebben. Woedende Arianen en heidenen verdreven Martinus uit zijn geboortestreek. Teneergeslagen begaf hij zich naar het eiland Gallinara voor de Italiaanse Riviera. Daar leefde hij enkele jaren als kluizenaar. In het jaar 360 werd hij door Hilarius, die reeds sinds 356 bisschop van Poitiers was, naar Gallia teruggeroepen. Hij bouwde er een kluizenaarscel en en verbleef daar vele jaren. Uit deze eenvoudige cel zou later het eerste klooster van Gallie groeien.

Hij werd in 372 door het volk en de clerus gekozen tot bisschop van Tours, waar hij een klooster bouwde en met tachtig monniken een buitengewoon heilig leven leidde. Hij wilde niet in het bisschopshuis wonen, maar verkoos de armoede. Zijn vriend en levensbeschrijver Sulpicius Severus was vaak ooggetuige van zijn wonderdaden.

Vol overgave verkondigde Martinus overal het Evangelie en bestreed het heersende heidendom. Hij was geliefd bij de gehele bevolking vanwege zijn gerechtigheid en voorbeeldig leven.

De heilige Martinus stierf op 11 november rond het jaar 398 op 80 jarige leeftijd te Candes, een parochie in zijn bisdom.

Martinus is patroon van soldaten, cavaleristen, militairen, ruiters, hoefsmeden, wapensmeden, leerlooiers, wevers, armen, bedelaars, molenaars, gordelmakers, hoteliers, kleermakers, handschoenmakers, hoedenmakers, reizigers, gevangenen, wijnboeren, borstelmakers, omroepers, geheelonthouders, en herders en voor een goede oogst; en patroon tegen uitslag en slangenbeten.

10 november 2014

10 november: Heilige Andreas Avellinus, belijder

Andreas Avellinus is geboren in 1521 in Castronuovo di Sant'Andrea in Zuid-Italië. Bij het doopsel ontvangt hij de naam Lancelotto.

Als jonge priester was hij verbonden aan een kerkelijke rechtbank. Tijdens een verdediging kwam er een keer een klein leugentje over zijn lippen. Vlak daarna las hij bij toeval in de heilige Schrift “Een mond die liegt vermoordt de ziel.” (Wijsheid 1, 11) Diep getroffen door deze woorden legde hij zijn positie bij de rechtbank neer en wijdde zich uitsluitend aan de dienst aan God en het welzijn van de zielen.

In 1566 trad hij in in de orde van de Theatijnen. Toen koos hij de naam Andreas, uit liefde voor het kruis van Christus. Hij werkte zeer ijverig als zielenherder. Met vaderlijke liefde en voorzichtigheid bracht hij als biechtvader ontelbare uren door in de biechtstoel. Hij reisde langs de steden en dorpen in de buurt van Napels om de verlossende boodschap van het Evangelie te verkondigen.

Door de bisschop van Napels werd hij belast met de hervorming van een Napolitaans klooster waar de discipline was zoekgeraakt. Door zijn eigen voorbeeldige levenshouding slaagde hij erin zijn opdracht tot een goed einde te brengen, maar niet zonder kleerscheuren. Hij werd door zijn tegenstanders belaagd en zwaar verwond. Men bracht hem voor verzorging en revalidatie naar het klooster van de Theatijnen. Vanwege zijn intelligentie, zelfdiscipline, onderdanigheid en zuiverheid werd hij uitgezonden om nieuwe vestigingen voor de orde uit te bouwen, zoals in Milaan en Piacenza.

De heilige Carolus Borromeus was een intieme vriend van Andreas Avellinus die hem voor zeer belangrijke kerkelijke aangelegenheden raadpleegde.

In het leven van deze heilige priester komen verschillende wonderen voor. Toen hij een keer samen met een metgezel in slecht weer op weg was naar huis, werd zijn lantaarn gedoofd door de regen en de wind. Zij werden echter niet doorweekt door de regen. Zijn lichaam straalde van licht en zo konden zij in de dichte duisternis toch de weg naar huis vinden.

Velen kwamen bij Andreas om raad vragen. Hij heeft duizenden brieven geschreven. Vermoeid door zijn vele werkzaamheden en verzwakt door zijn leeftijd werd hij op 10 november 1608 getroffen door een beroerte aan de voet van het altaar toen hij de heilige Mis wilde gaan opdragen. Toen hij voor de derde keer sprak “Introibo ad altare Dei” (Ik zal opgaan naar het altaar van God), stierf hij.

In 1712 verklaarde paus Clemens XI hem heilig. Andreas Avellinus wordt vereerd als patroonheilige van Napels en Sicilië. Hij ligt begraven in de Sint-Pauluskerk in Napels.

Andreas Avellinus is patroon tegen een onvoorziene dood en tegen beroertes.

9 november 2014

9 november: Kerkwijding van de Aartsbasiliek van de Allerheiligste Verlosser, feest

De Aartsbasiliek van de Allerheiligste Verlosser in Rome is beter bekend als de Sint Jan van Lateranen. Volgens een inscriptie op de voorgevel is zij ‘De Moeder en het Hoofd van alle Kerken in de Stad en van de hele Wereld’. Zij gaat terug op een geschenk van keizer Constantijn en zijn familie.

In de 2e eeuw vóór Christus behoorde het terrein waar de huidige kerk op staat toe aan de senatorenfamilie van de Plautii. Een vooraanstaand lid van deze familie, Plautus Lateranus, was in 65 door keizer Nero terechtgesteld vanwege diens vermeende aandeel in de samenzwering van Gaius Calpurnius Piso tegen de keizer. Het paleis werd geconfisqueerd en tot keizerlijk domein verklaard. Septimius Severus gaf het weer terug aan de nabestaanden van de Plautii.

Toen in de 4e eeuw een verre afstammelinge, Fausta, huwde met keizer Constantijn, behoorde het tot haar bruidschat. Zo kwam het terrein in het bezit van Constantijn. Hij schonk het aan de toenmalige paus Silvester († 335) met de bedoeling dat er de eerste christelijke basiliek zou verrijzen. Met de bouw ervan werd begonnen in 323; het jaar daarop kon de kerk worden ingewijd. Zij was toegewijd aan Jezus Zelf: de Allerheiligste Verlosser. In de 12e eeuw kwamen daar Johannes de Doper en Johannes de Evangelist bij. Sindsdien staat de kerk bekend onder de naam Sint-Jan-van-Lateranen.

De eerste kerk had de vorm van een basiliek. Het moet een imposant gebouw geweest zijn. Het was in ieder geval zo mooi en rijk versierd dat het de bijnaam 'Gouden Basiliek' (basilica aurea) kreeg. In de loop der eeuwen is de kerk herhaaldelijk verwoest, geplunderd en weer opgebouwd. Het huidige gebouw gaat terug op 11e en 12e eeuw, met restanten uit vroeger tijden.

De basiliek is de belangrijkste kerk ter wereld. Daar staat immers de Stoel van Sint Petrus, die zoals de H. Ignatius van Antiochië schreef 'het hoofd is van de gehele liefdesgemeenschap'. Om die reden wordt haar wijdingsdag in de gehele Kerk als feest gevierd.

8 november 2014

8 november: H.H. Vier gekroonde martelaren

De geschiedenis van deze heilige martelaren is erg verwarrend. In het Martyrologium Romanum staat het volgende over hen opgetekend: "Te Rome aan de Via Lavicana op de dag van het overlijden van vier heilige martelaren, de broers Severus, Severianus, Carpophorus en Victorinus. Onder keizer Diocletianus werden ze met loden staven doodgegeseld. Hun namen werden pas vele jaren later bekendgemaakt door een goddelijke openbaring. Aangezien daarvoor niemand hun namen kende werd de jaarlijkse feestdag te hunner ere gevierd onder de titel: De vier gekroonde broers. Ook na de openbaring van hun namen bleef deze titel bestaan."

De basiliek van de H.H. Vier gekroonde martelaren bevat ook de relikwieën van vijf beeldhouwers die onder Diocletianus weigerden om afgoden te maken of om afbeeldingen van de zonnegod te vereren. Uit verslagen blijkt dat zij rond het jaar 300 werden gegeseld, geplaatst in loden doodskisten en ondergedompeld in water.

Diverse historici hebben geprobeerd om de tegenstrijdige verklaringen over de relatie tussen deze twee groepen heiligen te ontwarren; zij hebben onderzocht of deze twee groepen daadwerkelijk hebben bestaan, of het ging om Romeinen, soldaten, steenhouwers enzovoorts.