Vandaag in de Agneskerk

De kalender is bijgewerkt tot en met 31 juli 2016, onder voorbehoud van wijzigingen.

29 juli 2016

29 juli: Heilige Martha, maagd

Martha was de zuster van Lazarus en Maria. Zij was de gastvrouw, die zich over van alles zorgen maakte, zoals van haar wordt verteld in Lucas 10, 38-42 en Johannes 11.

Martha zei tot Jezus: 'Heer, als Gij hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar zelfs nu weet ik, dat wat Gij ook aan God vraagt, God het U zal geven.' Jezus zei tot haar: 'Uw broer zal verrijzen.' Martha antwoordde: 'Ik weet dat hij zal verrijzen op de laatste dag.' Jezus zei haar: 'Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven. Gelooft gij dit?' Zij zei tot Hem: 'Ja Heer, ik geloof vast dat Gij de Messias zijt, de Zoon Gods, Die in de wereld komt.' (Joh. 11, 21-27)

De wandschildering door Fra Angelico.

Op een wandschildering uit 1450 van de Italiaanse schilder Fra Angelico zien we hoe Jezus bidt in Gethsemane, terwijl de drie leerlingen, die Hij meegenomen had, in slaap gevallen zijn. Het huisje van Martha en haar zuster Maria grenst onmiddellijk aan de Hof van Olijven en neemt de helft van de schildering in beslag. Buiten het zicht van Jezus en Zijn leerlingen, maar precies recht voor het oog van de toeschouwer, zitten om de hoek van het huis Martha en Maria naast elkaar op de grond met een gebedenboek. Anders dan Jezus' meest intieme vrienden doen deze beide vrouwen wél wat Hij aan Zijn vrienden had gevraagd: "Kunt Gij niet één uur met Mij waken?" Zij zijn in liefde, in gebed met Jezus verbonden.

27 juli 2016

27 juli: Heilige Pantaleon, martelaar

Pantaleon was het kind van een christelijke moeder en een heidense vader. Zijn vader bekeerde zich nadat Pantaleon een blinde genas door Jezus aan te roepen. Op basis van zijn genezende gave werd hij in dienst genomen als lijfarts door keizer Maximianus.

Toen Pantaleon de vrouw van de keizer tot het christendom trachtte te bekeren, werd hij gevangengenomen en aangeklaagd. Ondanks martelingen bleef hij standvastig. Bij een poging hem te onthoofden werd zijn schedel gespleten maar vloeide er geen bloed maar melk uit de wond.

Pantaleon wordt als martelaar vereerd. Hij is een van de veertien helpers in nood. De anderen zijn Achatius, Barbara, Blasius, Catharina, Christoffel, Cyriacus, Dionysius, Egidius, Erasmus, Eustachius, Joris, Margaretha en Vitus.

Hij is patroon van de Duitse stad Keulen en de Portugese stad Oporto. Hij is beschermheilige van artsen, chirurgen en apothekers, van kraamverzorgsters, vroedvrouwen, bakers en minnen (waarschijnlijk vanwege de melk die vloeide bij zijn onthoofding), en ook van huisdieren. Zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen hoofdpijnen, tuberculose, vermagering en vereenzaming, tegen sprinkhanenplagen en allerlei veeziekten.

In het oosten, waar hij behoort tot de grote heiligen, wordt hij afgebeeld als jonge man zonder baard; vaak met het kruis van zijn martelaarschap in de hand. In het westen ziet men hem meestal in de houding van zijn martelaarschap: vastgebonden aan een olijf- of palmboom met beide handen boven op zijn hoofd vastgespijkerd, of met zijn definitieve martelwerktuig: de bijl.

26 juli 2016

Abbé Jacques Hamel, priestermartelaar

Vanmorgen werd de eerste Franse priestermartelaar
van de 21-ste eeuw met de palm van het martelaarschap gekroond.
De 86-jarige priester abbé Jacques Hamel werd
tijdens de ochtendmis in de parochiekerk
van Saint-Etienne-du-Rouvray op lafhartige wijze vermoord
door islamisten die door een achterdeur
de kerk zijn binnengedrongen.
Zij verstoorden de heilige Mis
en sneden de priester de keel door.
Een van de mensen die de Mis bijwoonden
raakte zwaargewond.

God, ontferm U over Uw volk,
en verhoor ons smeekgebed
om ware vrede en gerechtigheid in Christus.

26 juli: Heilige Anna, moeder van de heilige maagd Maria

Volgens de overlevering is Anna de moeder van Jezus' moeder, Maria. Zij was gehuwd met Joachim. Het waren vrome joden, die hun leven lieten leiden door de liefde tot God. Met alle grote feesten begaf Joachim zich naar de tempel om daar een offer aan God op te dragen. Verdrietig was alleen dat ze geen kinderen hadden. Herhaaldelijk hadden ze God erom gesmeekt, en ze beloofden erbij dat ze het kind aan God zouden toewijden, zodat Hij erover kon beschikken, maar zonder resultaat. Intussen waren ze al oud geworden.

Bij gelegenheid van het feest van de tempelwijding trok Joachim met een paar familieleden naar de tempel om een offer op te dragen. Anna bleef thuis. Maar toen de hogepriester hem tussen de andere joden in zag staan, sprak hij smalend: "Hoe durf jij, Joachim, tussen al die anderen te gaan staan? God heeft je immers gestraft door je geen kinderen te geven. En dacht je dan dat Hij je offer zou aannemen? Zorg eerst maar dat die schande van jou uit ons midden wordt weggenomen, dan mag je terugkomen om weer te offeren."

Beschaamd maakte Joachim zich uit de voeten. Hij durfde ook niet meer naar huis, bang dat hij daar met de vinger zou worden nagewezen. Hij verborg zich tussen de herders van Bethlehem. Daar verscheen hem een engel die hem aankondigde dat hij een kind zou krijgen: een meisje dat hij Maria moest noemen. En geef haar aan God, zoals je beloofd hebt. Ga naar Jeruzalem; daar zul je je vrouw Anna tegenkomen. Ze maakt zich erg bezorgd om je. Je zult haar treffen bij de Gouden Poort.

Zo ging de engel ook naar Anna. Haar verkondigde hij dezelfde vreugdevolle boodschap. Ook zij begaf zich op weg. Bij de Gouden Poort werd het een aandoenlijk weerzien. Die ontmoeting geldt als het moment, waarop Anna van Maria in verwachting raakte.

Zij is patrones van Sint-Anna, Sint-Annaland (Tholen) en Sint-Annaparochie (Het Bildt, Friesland). Er zijn nog Sint-Annakerken of -kapellen in Amstelveen, Amsterdam, Augsbuurt, Bergharen, Best (kapel), Boxtel (kapel), Breda (kapel), Gersloot, Hantumhuizen, Heerlen, Helmond, Herpen-Koolwijk (bedevaartkapel), 's-Hertogenbosch, Maastricht, Molenschot (bedevaartkerk: hier bidden meisjes die op bedevaart komen: 'Sinte-Anneke, geef me een manneke'), Nijmegen (tezamen met St-Antonius), Oudenbosch (kapel), Rosmalen, Rotterdam (kapel tezamen met Joachim), Sint-Annaparochie, Spaubeek (kapel), Tilburg, Yerseke.

Zij is beschermheilige van echtelieden, aanstaande moeders, zwangere vrouwen en vrouwen die moeilijk zwanger raken, bakers, voedsters, huismoeders (moeders en huisvrouwen) en weduwen; van onderwijzeressen (omdat zij haar dochter Maria bidden en lezen leerde); van huishoudelijke beroepen als wevers, borduursters, kantwerkmakers, kantwerksters, kleermakers, kousenmakers en naaisters; van dienstvaardige beroepen als huishoudsters, huishoudelijk personeel, dienstpersoneel, slippendragers van kardinalen, stalknechten, arbeidsters, thuisarbeidsters; en vandaar ook van arme standen; van beroepen die verwant zijn aan de huishoudelijke: hooiers, bezembinders, touwslagers; van kunstvaardige beroepen als timmerlieden, houtbewerkers, houtdraaiers, kastenmakers, schrijnwerkers en kunstschrijnwerkers; van goudsmeden; van molenaars, mijnwerkers en marskramers; van scheepslui, schippers en zeelieden (heeft waarschijnlijk te maken met de bretonners); en tenslotte van de brandweer.

Daarnaast wordt zij aangeroepen ook aangeroepen voor een goed huwelijk en echtelijke vruchtbaarheid en tegen onvruchtbaarheid; voor succes en geluk tijdens de zwangerschap en tegen een moeilijke zwangerschap; voor een voorspoedige bevalling; tegen bedplassen; verder tegen ziekten en kwalen als borstpijn, buikpijn, fijt, hoofdpijn, huiduitslag, kiespijn, koorts, koortsige ziekten, oogziekten, pest, en zweren; bovendien voor een rijke hooioogst; voor het terugvinden van verloren of gestolen goederen; ze beschermt de mijnbouw; aangeroepen tegen oorlog.

Sint Anna wordt afgebeeld met Maria en kleinkind Jezus (Anna te Drieën of Annatrits); soms met haar hele familie (tot achtentwintig personen); in groene (hoop) of rode mantel (liefde); met een of meer boeken; haar kind onderwijzend; de Bijbel lezend.

Gabriël Smit schreef een rijmpje over de ouders van de heilige Maagd:

Zie Joachim en Anna beiden
Maria’s ouders, vroom en wijs,
in liefde, door geen dood te scheiden
tot in Gods eeuwig Paradijs.
En leer hoe liefde samenbindt
wie door Maria wordt bemind.

25 juli 2016

25 juli: Heilige Christoforus, martelaar (commemoratie)

Al slaan de golven Christofoor,
Gij loopt er veilig en sterk door
Want op uw schouder zit het Kind
Dat Koning is van stroom en wind.
Bid, dat mijn hart Hem dragen mag,
Dan vrees ik storm noch tegenslag.

Gabriël Smit

25 juli: Heilige Jacobus, apostel

Jacobus was een van 'de twaalf', de kring van Jezus' meest intieme leerlingen. Om hem te onderscheiden van de andere Jacobus uit de twaalf, wordt hij ook wel 'de Meerdere' (dit is 'de oudere') genoemd. Ook zijn jongere broer Johannes, de latere evangelist, hoorde daartoe. Zij waren zonen van Zebedeus, een welvarende visser uit het plaatsje Bethsaïda aan het Meer van Gennesareth; hun moeder heette Maria Salome.

De evangelist Marcus vertelt hoe Jacobus en Johannes Jezus' leerlingen werden: Toen Jezus eens langs het Meer van Galilea liep, zag Hij Simon en de broer van Simon, Andreas, terwijl ze bezig waren het net uit te werpen in het meer; zij waren namelijk vissers. Jezus sprak tot hen: "Komt, volgt Mij; Ik zal maken, dat je vissers van mensen wordt." Terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden Hem. Iets verder gaande zag Hij Jacobus, de zoon van Zebedeus, en diens broer Johannes; ook zij waren in de boot bezig hun netten klaar te maken. Onmiddellijk riep Hij hen. Zij lieten hun vader Zebedeus achter en volgden Hem. (Mc. 1,16-20)

Volgens het Evangelie van Mattheüs kwamen de twee op een keer met hun moeder op Jezus af en wierpen zich aan Zijn voeten ten teken dat zij iets te vragen hadden. Hij vroeg aan hun moeder: "Wat verlangt u?", waarop zij antwoordde: "Laat deze twee jongens van mij in Uw koninkrijk zitten, een aan Uw rechterhand en een aan Uw linkerhand." Dit tot woede van de andere tien leerlingen. Voor Jezus was dit aanleiding om iets te zeggen over ware grootheid: "Wie onder jullie groot wil worden, moet dienaar van jullie zijn." (Mt. 20, 20-28)

Met Petrus en Johannes maakte Jacobus deel uit van het groepje van drie apostelen dat getuige was van een aantal grote momenten uit Jezus' leven. Ze mochten erbij zijn, toen Jezus het dochtertje van Jaïrus uit de dood deed opstaan (Mc. 5, 35-43); en ook bij de gedaanteverandering van Jezus op de berg (Mc. 9, 2-8), en op de vooravond van Zijn lijden en dood in de tuin van Gethsemané, waar Jezus Zich afzonderde om in doodsangst tot Zijn Vader te bidden (Mc. 14, 32-34).

Volgens de Handelingen van de Apostelen werd Jacobus op last van koning Herodes met het zwaard gedood (Hand. 12, 2). Dat moet omstreeks het jaar 44 gebeurd zijn. Hij is de eerste martelaar van de twaalf leerlingen.

Volgens een legende zou de apostel Jacobus na het eerste Pinksterfeest naar Spanje zijn getrokken om daar het Evangelie te verkondigen.

Sint Jacobus is patroon van de steden Den Haag, Leeuwarden en Sint Jacobiparochie. Verder is hij patroon van Spanje en van de stad Santiago de Compostela (Sant-Iago), waar zich ook de beroemde bedevaartskerk bevindt. Sinds de negende eeuw vormt deze plaats een van de beroemdste en drukst bezochte bedevaartsoorden van de westerse wereld. In de Middeleeuwen kwam het na Rome en Jeruzalem op de derde plaats. Langs de aanlooproutes ontstonden talloze kerken, kloosters, kapellen en gasthuizen.

Jacobus wordt afgebeeld als pelgrim met een lange mantel, een breedgerande hoed, staf, reistas en drinkfles. Op zijn hoed en op zijn borst is de pelgrimsschelp te zien. Deze Sint-Jacobsschelpen werden door de pelgrims aangetroffen op het strand bij Santiago en als souvenirs meegenomen, meestal vastgenaaid op de hoed of een andere opzichtige plek op de kleding. Het werd het pelgrimsinsigne bij uitstek. Wie zulke schelpen draagt, staat onder de persoonlijke bescherming van Sint Jacobus.

24 juli 2016

Tiende zondag na Pinksteren

De farizeeër en de tollenaar

Epistel
1 Kor. 12, 2-11
Broeders, gij weet het: toen gij nog heidenen waart, hebt gij u blindelings laten leiden naar de stomme afgoden. Daarom vestig ik er uw aandacht op, dat niemand, die spreekt door de Geest van God, zegt: Jezus zij vervloekt; evenzo kan niemand zeggen: Jezus is de Heer, tenzij door de Heilige Geest. Wel is er verschil van genadegaven, maar het is dezelfde Geest; en er is verschil van bediening, maar het is dezelfde Heer, en er bestaat verschil van werking, maar het is dezelfde God, Die alles in allen werkt. Aan een ieder wordt de zichtbare werking van de Geest gegeven, om er nut mee te stichten. Aan de een wordt door de Geest gegeven een woord van wijsheid; aan de ander een woord van kennis krachtens dezelfde Geest; aan een derde, in dezelfde Geest, geloof; aan een ander een gave van genezingen, in de éne Geest; aan een ander het werken van wonderen, aan een ander profetengave, aan een ander de onderscheiding der geesten; aan een ander het spreken van verschillende talen, aan een ander de vertolking van die talen. Maar dat alles bewerkt de éne en dezelfde Geest, Die aan een ieder toedeelt, zoals Hij wil.

Evangelie
Lc. 18, 9-14
In die tijd hield Jezus de volgende gelijkenis voor aan sommigen, die voor zichzelf de overtuiging hadden, dat zij rechtvaardig waren en daarom op de anderen met minachting neerzagen: Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de één was een farizeeër, de ander een tollenaar. De farizeeër stond daar, en bad bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet ben zoals de overige mensen: dieven, onrechtvaardigen, echtbrekers, of zoals die tollenaar ginds; ik vast tweemaal in de week, ik geef tienden van alles, wat ik in bezit krijg. Maar de tollenaar bleef op een afstand staan en durfde zelfs zijn ogen niet ten hemel opheffen; doch hij klopte op zijn borst en zei: O God, wees mij, zondaar, genadig! Ik verzeker u: deze laatste ging gerechtvaardigd naar huis, in tegenstelling met de ander; want al wie zich verheft, zal vernederd, maar wie zich vernedert, zal verheven worden.

Overweging
In de gelijkenis van deze zondag over de farizeeër en de tollenaar wordt ons door Jezus weer eens duidelijk het belang van ware nederigheid voorgehouden. Twee mensen gingen bidden, een farizeeër en een tollenaar. De farizeeër bad: “God, ik dank u dat ik niet ben zoals de anderen, rovers en onrechtvaardigen, of zoals die tollenaar.” Daarna vertelt de farizeeër aan God al het goede dat hij doet. De tollenaar bidt in zijn gebed tot God: “O God, wees mij, zondaar, genadig.”

Hier wordt door Jezus Zelf de grondslag van alle ware nederigheid aangegeven. Het is de erkenning van onze diepe ellende, armoede en zondigheid, van onze geringheid tegenover de oneindige volmaaktheid van God. Wij kunnen alleen voor Hem treden in een geest van diepe erkentenis van ons eigen onvolkomenheid. Alles wat wij verder over de nederigheid kunnen zeggen, steunt daar op en wordt daar van afgeleid. De heilige Bernardus zou de nederigheid bepalen als ‘de geringe dunk die iemand heeft van zichzelf’. En terecht is dit een kenmerk van wezenlijke en ware nederigheid.

Wij kunnen zeggen dat nederigheid altijd een gering en bescheiden denken over zichzelf betekent. Het is ook onszelf willen zien zoals wij werkelijk zijn, inclusief alle gebreken en fouten. Zichzelf zo te zien is de eerste stap op de weg naar volmaaktheid die God in degene bewerkt die zichzelf kent en daarom bereid is om met Zijn genade mee te werken. Het fundament van de ware nederigheid is daarom de juiste houding die men aanneemt tegenover God. De farizeeër meent God een dienst te bewijzen met het opzeggen van al zijn eigen goede werken. Hij verheft zich daardoor op een hoogmoedige wijze boven anderen en dankt God er zelfs voor dat hij niet is zoals de anderen. Hij acht zichzelf beter dan zijn omgeving. Door de gelijkenis van vandaag keurt Christus zijn gedrag en zijn gebed volkomen af. De farizeeër weet geen houding van liefdevolheid aan te nemen tegenover de mensen, omdat hij geen houding van bescheidenheid weet aan te nemen tegenover God.

De tollenaar is zich bewust van zijn zonden. Hij is verlegen, hij voelt zich als geslagen. Hij durft zelfs niet op te zien en stamelt alleen: “God, wees mij, zondaar, genadig”. Alles van de ‘übermensch’ is hier weg. Alleen berouw, deemoed en besef van eigen zondigheid blijven in hem over.

En dan volgt het onomwonden oordeel van de Meester: “Ik zeg u, deze ging gerechtvaardigd naar huis, in tegenstelling tot de ander.” De tollenaar wordt geprezen. Hij had besef van zijn zondigheid. Hij trachtte niet zijn eigen ellende op allerlei wijzen te camoufleren. Hij was een zondaar, maar door dat met berouw te erkennen werd hij een rechtwaardige. Zelfs zonder zonden blijft de mens op onmetelijke afstand van God verwijderd, en heeft hij daarom allerlei redenen om nederig over zichzelf te denken. De farizeeër beging de fout van eigen blindheid.

Laten wij het volgende woord van de heilige Augustinus ter harte nemen: “God, laat mij toch kennen wie Gij zijt en laat mij erkennen wie ik ben”. In deze woorden ligt de sleutel van nederigheid en dankbare Godbejegening.

23 juli 2016

23 juli: Heilige Apollinaris, bisschop en martelaar

Apollinaris is waarschijnlijk nog in de Syrische stad Antiochië leerling geworden van de apostel Petrus. Zoals wij in de Handelingen van de Apostelen (11, 26) kunnen lezen, was Antiochië de stad waar Jezus’ volgelingen voor het eerst ‘christenen’ werden genoemd. Hij heeft Petrus vergezeld op zijn missiereis die hem uiteindelijk in Rome zou brengen. Vandaar heeft Petrus hem zelf aangesteld tot bisschop van de stad Ravenna met de opdracht in die omgeving het Evangelie te verkondigen.

Om te beginnen genas hij de zoon van zijn gastheer van blindheid. Van dat moment af werd hij steeds omringd door een kring luisteraars die benieuwd waren naar wat hij te vertellen had. Zo maakte hij bekeringen en doopte nieuwe gelovigen. Tenslotte ging dit alles keizer Vespasianus (69-79) te ver. Hij liet hem arresteren en martelen; uiteindelijk werd hij doodgeknuppeld.

In 549 werd zijn stoffelijk overschot verhoogd tot de eer der altaren, destijds een officiële heiligverklaring. Hij staat in biddende houding (armen gespreid: 'orante') in mozaïek afgebeeld in de apsis van de basiliek Sant’ Apollinare in Classe te Ravenna uit de zesde eeuw. Sinds de 13e eeuw heeft de Lambertikerk in de Duitse stad Düsseldorf een belangrijke Apollinarisreliek.

In het Romeinse Martyrologium wordt Apollinaris beschreven als 'een bisschop die, volgens de traditie, terwijl hij de diepe rijkdom van Christus verspreidde onder de volkeren, zijn kudde leidde als een goede herder en de Kerk van Classis, nabij Ravenna, vereerde met een glorierijk martelaarschap'.

22 juli 2016

22 juli: Heilige Maria Magdalena, boetelinge

Volgens de evangelist Lucas was Maria Magdalena een van de vrouwen in het gevolg van Jezus, die van boze geesten en ziekten verlost waren; uit haar waren zeven duivels weggegaan (Lc. 8,2-3; vgl. Mc. 16, 9). Zij behoort tot de twee of drie Maria's die toezagen hoe Jezus gekruisigd en begraven werd (Mt. 27, 55-56; Mc. 15,40-47). Jezus' dood en begrafenis waren vanwege de naderende sabbat zo snel verlopen, dat men geen tijd meer had gehad Hem door balseming de laatste eer te bewijzen. Vandaar dat op de vroege ochtend na de sabbat een aantal vrouwen terugging naar het graf om dat alsnog te doen. Onder hen bevond zich ook weer Maria Magdalena (Mt. 28, 1; Mc. 16, 1-9; Lc. 24, 10). Zij ontdekten dat het graf leeg was; er waren een of twee mannen, engelen van God, die hun zeiden, dat Jezus uit de doden was opgestaan en dat Hij hun voorging naar Galilea; daar zouden zij Hem zien. Dat moesten zij aan Zijn leerlingen doorgeven.

Johannes' versie van deze gebeurtenis wijkt enigszins af. De twee in het wit geklede engelen vroegen aan Maria, die zich voorover gebogen had om een blik in het graf te kunnen werpen: "Vrouw, waarom huilt u?"
Zij antwoordde: "Ze hebben mijn Heer weggenomen en ik weet niet, waar ze Hem hebben neergelegd." Toen zij dit gezegd had, keerde zij zich om en zag Jezus staan, maar zonder te weten dat het Jezus was. Jezus zei tot haar: "Vrouw, waarom huilt u? Wie zoekt u?" In de mening dat het de tuinman was, vroeg zij: "Heer, mocht u Hem hebben weggenomen, zeg mij dan waar u Hem hebt neergelegd, zodat ik Hem kan weghalen." Zij herkende Hem, toen Hij haar op Zijn karakteristieke manier bij haar naam noemde: "Maria!" (Joh. 20, 1-18).

In de Kerk wordt Maria Magdalena vereerd als een boetelinge wier radicaal veranderde leven de liefde en kracht van Jezus laat zien.

Zij is patrones van de vrouwen in het algemeen, van scholieren en studenten, van ieder die in verleiding gebracht wordt, boetvaardige en berouwvolle zondaressen, penitenten en boetelingen, van kappers, kapsters en kammenmakers, van drogisten en zalfhandelaren, parfum- en poederfabrikanten, van kleermakers, schoen- en handschoenmakers en foedraalmakers, witleerlooiers en wolwevers, van hoveniers en tuinlieden, van pottenbakkers, van kuipers, wijnhandelaren en wijnbouwers, van waterdragers, van bergbewoners, van loodgieters, van kinderen die moeilijk leren lopen en van vele anderen.

19 juli 2016

19 juli: Heilige Vincentius a Paulo, belijder

Vincentius werd op 24 april 1581 geboren als derde in het eenvoudige gezin Depaul te Pouy bij Dax, dat sinds 1828 is omgedoopt in St-Vincent-de-Paul. In 1595 verliet hij het ouderlijk huis en ging inwonen bij mijnheer Comet, advocaat en rechter te Dax om te kunnen studeren op het college van de Cordeliers. Twee jaar later schreef hij zich in aan de universiteit van Toulouse als student theologie. Na veel doorzettingsvermogen en intense studie werd hij op 23 september van het jaar 1600 tot priester gewijd door de bisschop van Périgueux.

Tijdens een zeereis werd hij door Turkse zeerovers gevangengenomen, waarna hij twee jaar lang slaaf was in Tunis. Na zijn ontsnapping was hij van 1609 tot 1617 in dienst van Philippe de Gondi, hertog van Joigny, als leermeester van diens kinderen en biechtvader van zijn vrouw. Intussen werkte hij sinds 1612 als pastoor in Clichy, Parijs en op het platteland te Gannes aan de Somme en later te Châtillon-les-Dombes. Daar leerde hij de ware armoede kennen, zowel materieel als geestelijk, en besloot zich het lot van de armen aan te trekken; in augustus 1617 stichtte hij zijn eerste Broederschap van de Liefde (Confrérie de la Charité). Op 8 september 1619 werd hem opgedragen aalmoezenier te worden van de galeislaven in Parijs.

Vanaf 1620 preekte hij volksmissies op het platteland en stichtte geleidelijk aan steeds meer Broederschappen van de Liefde. Zo deed hij in 1621 de Bourgondische plaats Mâcon aan en stichtte er prompt een Broederschap van Saint-Charles ter ondersteuning van zieken en armen. Na twee weken verliet hij de stad weer, ongemerkt, om alle loftuitingen te voorkomen. Maar zijn werk droeg vrucht, want lange tijd daarna verzamelde men elke zondag drie- tot vierhonderd noodlijdenden in de plaatselijke St-Nizierkerk. Daar woonde men eerst de druk bezochte heilige Mis bij. Na afloop werden er onder de armen geld en goederen verdeeld.

Vincentius groeide intussen onder leiding van zijn ascetische leermeester kardinaal Pierre de Bérulle († 1629) en van Franciscus van Sales († 1622) uit tot een man van de naastenliefde.

Op 17 april 1625 stichtte hij met behulp van mevrouw De Gondi de Congregatie van de Missie (Congregatio Missionis), waarvan de leden Lazaristen worden genoemd naar hun moederhuis St-Lazare te Parijs. Hun doel was ziekenverpleging en missie. Na een gepreekte retraite voor priesterkandidaten in 1628 te Beauvais begon hij zich ook uitdrukkelijk bezig te houden met de priesteropleiding. Daarnaast stichtte hij op 29 november 1633 met Louise de Marillac († 1660) de Congregatie van de Filles de la Charité (Dochters van Liefde), de grootste zusterscongregatie van de katholieke Kerk, bekend vanwege de uitzonderlijk wijd uitstaande kappen.

In 1638 trok hij zich het lot aan van wezen en vondelingen en een jaar later stuurde hij zusters van de congregatie naar het ziekenhuis van Angers alsmede naar Lotharingen dat op dat moment geteisterd werd door de oorlog. In 1640 wendde hij zich persoonlijk tot kardinaal Richelieu om hem tot vrede te bewegen. Zo komt het dat hij werd benoemd tot lid van de Raad van Geweten (Conseil de Conscience) en dat hij koning Lodewijk XIII bijstond in zijn stervensuur († 1643). Gedachtig zijn gevangenneming van zo'n veertig jaar terug stuurde hij in 1646 missionarissen naar Tunis om zich het lot aan te trekken van christenslaven in dienst van moslims. Twee jaar later stuurde hij de eerste missionarissen naar Madagscar.

In 1649 wendde hij zich andermaal tot de grote politieke leiders, nu koningin Anna van Oostenrijk († 1666) en haar minister-president Mazarin († 1661) om te pleiten voor vrede. In 1651 organiseerde hij grote hulpcampagnes in Picardië, Champagne en Ile-de-France, die alle ernstig onder de oorlog te lijden hadden gehad. In datzelfde jaar vestigde zijn congregatie zich in Polen. Was zijn rechterhand Louise de Marillac op 15 maart 1660 gestorven, hijzelf overleed in datzelfde jaar op 27 september.

Reeds tijdens zijn leven waren zijn erbarmen en betrokkenheid bij het lot van wezen, zieke kinderen, gevallen vrouwen, armen, blinden en geesteszieken legendarisch. Hij organiseerde liefdadigheidswerk, stichtte weeshuizen en zette in Parijs grote gaarkeukens op.

'Monsieur Vincent' rust in het Moederhuis (Maison-Mère) van de Lazaristen te Parijs. Ook de kapel aan de Rue du Bac aldaar, waar zijn hart wordt bewaard, is nog altijd een bedevaartsoord. Hij werd heilig verklaard in 1737. Op hem zijn de Vincentiusverenigingen van liefdadigheid geïnspireerd.

Hij is patroon van de lazaristen en de vincenterinnen, van de clerus, van gevangenen, verwaarloosde jongeren en wezen; van de liefdadigheid, caritatieve verenigingen, van alle liefdadigheidsinstellingen en liefdewerken, van weeshuizen en ziekenhuizen. Zijn voorspraak wordt ingeroepen voor spirituele hulp en het terugvinden van verloren voorwerpen.
Hij wordt afgebeeld omringd door kinderen, armen, hulpbehoevenden en/of gevangenen.