De noveen tot de goddelijke Barmhartigheid begint op Goede Vrijdag. Negen dagen vóór het feest van de goddelijke Barmhartigheid - dat gevierd wordt op de zondag van Beloken Pasen - brengen we elke dag in gebed een andere groep zielen naar het Heilig Hart van Jezus en dompelen hen onder in de oceaan van Zijn barmhartigheid. Hij zal al deze zielen naar het huis van Zijn Vader brengen. "Ik zal niets weigeren aan een ziel die jij naar de fontein van Mijn barmhartigheid zult brengen", aldus de Heer Zelf. "Iedere dag zul je Mijn Vader omwille van Mijn bitter lijden om genaden voor deze zielen smeken."
De gebeden staan dagelijks op deze site.
17 april 2025
Noveen tot de goddelijke Barmhartigheid
Witte Donderdag
![]() |
| Het Kruisoffer op Goede Vrijdag (l.) en het heilig Misoffer (r.): één en hetzelfde Offer aan de Vader. |
“Dit is het heilsgeheim dat sinds de aanvang van de tijden en geslachten verborgen is geweest, maar dat thans aan Zijn heiligen is geopenbaard. Aan hen heeft God bekend willen maken hoe rijk aan glorie dit heilsgeheim onder de heidenen is, hoe Christus namelijk onder u is, de hoop op de glorie.”
Dit is de grote schat, de erfenis van liefde die Christus bij Zijn dood de wereld naliet, Zijn eigen Vlees en Bloed als offer en spijs voor onze zielen. Hij is door dit offer Zelf blijven zorgen voor Gods eer in de wereld en Hij is door dit heilig Sacrament Zelf blijven zorgen voor onze heiliging. Dit is het geheim van deze dag: Christus is blijvend onder ons aanwezig en zal aanwezig blijven tot aan het einde van de tijden, om alles tot Zich te trekken.
16 april 2025
Biechtgelegenheid en Paascommunie
Op de dagen van het Paastriduüm is er biechtgelegenheid tijdens de plechtigheden vanaf een uur vóór aanvang, en daarnaast ook op Paaszaterdag tussen 11.00 en 12.00 uur.
Aan alle plechtigheden van de Goede Week is een volle aflaat verbonden, onder de gebruikelijke voorwaarden van biecht, ontvangst van de heilige communie en gebeden voor de intenties van de Heilige Vader, onthechting aan iedere zonde, zelfs de dagelijkse zonden, en de bedoeling hebben de volle aflaat werkelijk te verdienen.
De heilige Kerk schrijft voor dat iedere gelovige minstens eenmaal per jaar moet gaan biechten en de heilige communie ontvangen. Deze Paascommunie moet plaatsvinden tussen Passiezondag en de tweede zondag na Pasen (voor zieken, die de heilige Mis niet kunnen bezoeken, geldt: tot en met Drievuldigheidszondag).
15 april 2025
De voorbereiding op een goede biecht
Het gewetensonderzoek
Om de Heer vergeving te kunnen vragen voor onze zonden, moeten wij eerst ons geweten onderzoeken om de fouten te ontdekken waardoor wij Hem beledigd hebben. Hier kan geen algemene regel voor worden gegeven. De een biecht elke week, de ander spreekt enkel de verplichte Paasbiecht. De een is nog een kind, de ander een volwassene. De een is getrouwd, de ander ongetrouwd. We hebben niet allen dezelfde beroepsplichten of plichten van staat, maar wij zijn allen verplicht om dezelfde geboden te onderhouden, hoezeer onze levensomstandigheden ook verschillen. De enige voor alle gevallen toepasselijke aanwijzing lijkt dan ook deze: ieder moet aan zijn gewetensonderzoek de nodige tijd besteden om de bedreven zonden in te zien en ze in de biecht te kunnen belijden.
Om dit onderzoek goed te doen, is het passend dat wij ons aanbevelen bij de heilige maagd Maria en onze Engelbewaarder, opdat zij van de Heilige Geest voor ons het licht verkrijgen, dat onze fouten ons niet ongemerkt ontschieten, opdat we ze min of meer bewust zouden verdoezelen. Als wij echt verlangen dat de biecht ons geestelijk leven bevordert en de liefde Gods in ons doet groeien, dan is het onontbeerlijk dat wij ons geweten onderzoeken met evenveel zorgvuldigheid als wij ons voor andere belangrijke zaken inzetten.
Sommigen menen dat zij hun fouten niet kunnen ontdekken. In de meeste gevallen hebben ze gelijk, omdat zij ze niet meer kunnen zien, hoewel ze in het oog springen, dat komt omdat zij zo gewoon geraakt zijn aan zondige handelwijzen. Als wij ons geweten onderzoeken, mogen wij ons daarom niet beperken tot een oppervlakkige blik op onze handelingen. Wij moeten er de tijd voor nemen die nodig is om de misstappen te vinden die sleur geworden zijn en die ten slotte onze ziel dodelijk gaan schaden.
De lauwheid, de nalatigheid bij het vervullen van de plichten van staat, het lichtvaardig woordgebruik, de min of meer juiste beoordeling van andermans gebreken, wat we voor de naaste zouden moeten doen maar niet doen, de leugen, het zich niet houden aan het gegeven woord, het niet altijd onberispelijk gedrag bij het vermaak en de relaties met gezin en maatschappij, de vrijwillige verstrooiing tijdens de heilige Mis of gebed, de slapheid in het geestelijk leven, de weerstand tegen de genade Gods die bepaalde daden van deugd van ons vraagt enz. - die zouden onze aandacht moeten hebben en het voorwerp moeten zijn van een oprechte beschuldiging, vol berouw, in het sacrament van de biecht. Op die manier kunnen wij, door Gods genade gezuiverd, elke dag een stukje verder komen op de weg van de persoonlijke heiligheid, waartoe de Heer ons roept.
Het berouw
Om de vriendschap met God, die wij door de zonde verloren hebben, opnieuw te verwerven, is het berouw onontbeerlijk. Maar het berouw of het hartenleed moet niet worden opgevat als iets gevoeligs dat ons de tranen in de ogen brengt. Door zo'n opvatting zouden we, als we niet tot tranen toe geroerd zijn, kunnen gaan denken dat we niet voldeden aan een noodzakelijke voorwaarde voor het ontvangen van het biechtsacrament. Dat zou een jammerlijke vergissing zijn.
Sommigen menen dat het berouw zo iets is als de afschuw die een kind heftig de taartjes doet afwijzen, nadat het er ziek van geworden is. Er zijn immers gevallen waarin wij, na God beledigd te hebben, geen afschuw van de zonde in ons voelen opkomen, terwijl we het toch echt zouden wensen. Erger nog: na de zonde bedreven te hebben, gevoelen wij een nog sterkere neiging om te hervallen, want onze krachten om het goede te doen, verzwakken in zekere zin. Het leed om de zonde blijkt niet uit het feit dat deze, welke ze ook zijn, ons niet meer aantrekken, maar uit de vastbeslotenheid waarmee onze wil ze verafschuwt. Wie berouw heeft, zegt: Ik wou dat ik dat niet gedaan had. Wil het berouw geldig zijn, dan moet het bovendien in het bovennatuurlijk leven wortelen, want anders zou het in het natuurlijk vlak blijven steken, een heel ander dan dat van het leven van de genade. Dan zou de genade ons niet kunnen bereiken. Daarom moet het berouw op de een of andere wijze betrokken zijn op de Heer. Als het ten slotte niet op God gericht was, dan zou het berouw ons niet dichter brengen bij Hem die ons de vergeving schenkt. Wij zouden ons opsluiten binnen de enge grenzen van onze persoonlijke armoede, absoluut niet in staat de genade te verkrijgen die wij toch zozeer behoeven.
De motieven voor het berouw over onze zonden zijn vele, maar niet alle brengen ze ons in de gesteldheid om de genade te ontvangen door de biecht. Het is goed die motieven na te gaan, om niet in een dwaling te vervallen die God beledigt door een valse spijt, waardoor wij nog verder van Hem verwijderd zouden raken.
Er zijn drie soorten van spijt over de zonden. De eerste is die uit liefde. Die komt uit het hart: "de spijt uit liefde, omdat Hij goed is, omdat Hij onze vriend is en zijn leven voor ons gegeven heeft, omdat al het goede dat wij bezitten, van Hem is, omdat wij Hem beledigd hebt... omdat Hij ons vergiffenis heeft geschonken. ”Ween, mijn zoon, van verdriet, omdat je Hem bemint”. De tweede soort van spijt is die van vrees. Die komt voort uit de angst voor de rechtvaardige straf die we door onze zonden in het andere leven zouden verdienen. Die spijt is niet zo volmaakt en ook niet zo onzelfzuchtig als de vorige. Maar omdat dit toch gericht is op de Heer (ook ontstaat het contact door vrees), is ze voldoende om de genade van de vergiffenis te verkrijgen. Ten slotte is er een derde vorm van spijt, die met het bovennatuurlijk leven niets te maken heeft. Men zou die kunnen noemen: de spijt uit hoogmoed, omdat ze noch uit liefde tot God, noch uit vrees voor Hem voortkomt. Integendeel, ze komt voort uit de eigenliefde die zich bij het zien van de eigen onvolmaaktheid gekwetst voelt. Als wij deze teleurstelling over onszelf niet afwijzen, komen wij van kwaad tot erger. Trots blokkeert de weg terug naar God, want met zulk een spijt kunnen we niet waardig gaan biechten; ze verraadt een gesteltenis die niet Gods vergeving zoekt, maar zichzelf; trots is een ongeordend verlangen naar volmaaktheid.
Voornemen om zich te beteren
De spijt over onze fouten zou niet oprecht zijn zonder het voornemen ze niet opnieuw te bedrijven. Het moet duidelijk zijn dat er voor de goede en geldige biecht een essentiële voorwaarde bestaat: het voornemen om zich te beteren. Dit bestaat juist in het besluit van de wil niet opnieuw te zondigen. Maar dit besluit houdt niet de zekerheid in dat het inderdaad wordt uitgevoerd. Om goed te biechten is het echter niet noodzakelijk, de zekerheid te hebben dat men de Heer niet meer zal beledigen. Wel moet men bereid zijn de passende middelen te gebruiken om niet te hervallen.
Ons allen, zonder uitzondering, kan het overkomen dat we opnieuw zondigen, maar de vrees voor nieuwe fouten in de toekomst mag ons niet afhouden van het sacrament van de biecht, evenmin als de herstellende zieke de medicijnen achterwege mag laten.
Als de heilige Petrus de Heer vraagt, hoe vaak hij moet vergeven, oppert hij als het toppunt van edelmoedigheid: "Zeven keer? En Jezus antwoordt hem: "Nee, Ik zeg u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal." God zegt ons dit, omdat ook Hij bereid is ons telkens te vergeven, als wij Hem er in de vereiste gesteltenis om vragen. Die vereiste gesteltenis is bewust. Wie niet wil hervallen, weet het, omdat hij vastbesloten is de gelegenheden tot zondigen te vermijden, dat is die omstandigheden in het leven die voor ons een gevaar zijn God opnieuw te beledigen. Wie blijft omgaan met vrienden van wie hij weet dat ze hem de genade Gods weer doen verliezen, vermijdt de naaste gelegenheid tot zondigen niet. Wie blijft doen wat hem de wet van de Heer deed vergeten, vermijdt de gelegenheid tot zondigen niet. Wie vertoningen bijwoont waarvan hij weet dat ze hem kwaad doen, vermijdt de naaste gelegenheid tot zondigen niet, evenmin als hij die blijft doorlezen in een boek dat bij hem slechte gedachten opwekt, waaraan hij gemakkelijk toegeeft. Misleiden wij onszelf niet: wie met de zonde wil breken, wendt ook de daartoe geëigende middelen aan. Een zieke die gezond wil worden, neemt zijn medicijnen in en volgt het dieet van de dokter. Doet hij dit niet, dan kan men niet zeggen dat hij weer echt gezond wil worden. "Maar ik wil niet zondigen, ik ben alleen maar zwak." Akkoord. Juist omdat wij zwak zijn, zijn we speciaal verplicht om de gelegenheid tot zondigen te vermijden.
Een eerlijk voornemen blijkt alleen uit de bereidheid om positief iets te gaan doen wat onze zwakheid sterk maakt. De middelen daartoe zijn: het gebed - "Bid om niet in de bekoring te gaan”, het dikwijls ontvangen van de heilige communie, en de devotie tot de heilige Maagd. Hoe toch kunnen wij de bekoringen van zinnelijkheid, luiheid, egoïsme enz. overwinnen, als we niet onze toevlucht nemen tot de Heer en Zijn Moeder, om van hen de noodzakelijke kracht te krijgen?
Pater M. Kromann Knudsen FSSP, pastoor
13 april 2025
Miserere (psalm 50)
Ontferm U over mij, o God,
volgens Uw grote barmhartigheid.
En delg mijn misdaad naar de rijkdom van Uw ontferming.
Was mij geheel van mijn schuld en reinig mij van mijn zonde.
Want ik ben mij van mijn misdaad bewust,
en mijn zonde staat mij steeds voor de geest.
Tegen U alleen heb ik gezondigd, gedaan wat kwaad is in Uw ogen;
zo zult Gij rechtvaardig zijn in Uw vonnis en rein in Uw oordeel.
Want zie, in ongerechtigheid ben ik ontvangen,
en in zonde ontving mij mijn moeder.
Gij bemint de oprechtheid des harten;
Uw geheime en verborgen wijsheid hebt Gij mij ontvouwd.
Besprenkel mij met hysop, en ik word rein;
was mij, en ik word witter dan sneeuw.
Laat me weer vreugde en blijdschap vernemen,
dan zullen mijn verbrijzelde beenderen juichen.
Wend Uw gelaat af van mijn zonden en delg al mijn misdaden uit.
Schep een zuiver hart in mij, o God,
en vernieuw in mij een vaste geest.
Verwerp mij niet van Uw aanschijn
en neem Uw Heilige Geest niet van mij weg.
Geef mij weer de vreugde van Uw heil en sterk mij met een willige geest.
Bozen zal ik Uw wegen leren,
en zondaars zullen zich tot U bekeren.
Bevrijd mij van bloedschuld, o God, God van mijn heil,
en mijn tong zal jubelen over Uw gerechtigheid.
Heer, open mijn lippen, en mijn mond zal Uw lof verkondigen.
Als Gij een slachtoffer wilde, ik zou het U schenken;
maar in brandoffers hebt Gij geen behagen.
Een offer voor God is een vermorzelde geest;
een verbrijzeld en deemoedig hart zult Gij, God, niet versmaden.
Wees Sion, Heer, in Uw goedheid genadig; herbouw Jeruzalems muren.
Dan zullen onze gaven en brandoffers U als ware offeranden behagen;
dan brengt men weer stieren op Uw altaar.
Palmzondag
Evangelie voorafgaand aan de plechtige palmprocessie
Mt. 21, 1-9
In die tijd naderde Jezus Jeruzalem, en toen Hij in de nabijheid van Betfage bij de Olijfberg gekomen was, zond Hij twee van Zijn leerlingen met de opdracht: Gaat naar het dorp, dat daar voor u ligt; daar zult gij dadelijk een ezelin vinden, die vastgebonden staat, met een veulen er bij; die moet gij losmaken en Mij hier brengen. En als soms iemand u wat zegt, geeft dan ten antwoord: De Heer heeft ze nodig, maar Hij zal ze aanstonds terugsturen. Dit alles nu geschiedde, opdat in vervulling zou gaan, wat door de profeet was voorzegd: Zegt aan Sions dochter: Zie, uw Koning komt tot u, zachtzinnig, en gezeten op een ezelin, op een veulen, het jong van een lastdier! De leerlingen gingen dan heen en deden, zoals Jezus hun bevolen had. Zij brachten de ezelin en het veulen mede, legden hun mantels er op, en lieten Hem daarop plaats nemen. De talrijke menigte spreidde haar mantels uit op de weg; en anderen sneden takken van de bomen en strooiden die over de weg. En de scharen, die voorop gingen en volgden, riepen luid: Hosanna de Zoon van David! Gezegend Hij, Die komt in de Naam des Heren! Hosanna in den hoge!
11 april 2025
Stabat Mater
| Stabat mater dolorosa juxta Crucem lacrimosa, dum pendebat Filius. Cuius animam gementem, contristatam et dolentem pertransivit gladius. O quam tristis et afflicta fuit illa benedicta, mater Unigeniti! Quæ mœrebat et dolebat, pia Mater, dum videbat nati pœnas inclyti. Quis est homo qui non fleret, matrem Christi si videret in tanto supplicio? Quis non posset contristari Christi Matrem contemplari dolentem cum Filio? Pro peccatis suæ gentis vidit Iesum in tormentis, et flagellis subditum. Vidit suum dulcem Natum moriendo desolatum, dum emisit spiritum. Eia, Mater, fons amoris me sentire vim doloris fac, ut tecum lugeam. Fac, ut ardeat cor meum in amando Christum Deum ut sibi complaceam. Sancta Mater, istud agas, crucifixi fige plagas cordi meo valide. Tui Nati vulnerati, tam dignati pro me pati, pœnas mecum divide. Fac me tecum pie flere, crucifixo condolere, donec ego vixero. Juxta Crucem tecum stare, et me tibi sociare in planctu desidero. Virgo virginum præclara, mihi iam non sis amara, fac me tecum plangere. Fac, ut portem Christi mortem, passionis fac consortem, et plagas recolere. Fac me plagis vulnerari, fac me Cruce inebriari, et cruore Filii. Flammis ne urar succensus, per te, Virgo, sim defensus in die iudicii. Christe, cum sit hinc exire, da per Matrem me venire ad palmam victoriæ. Quando corpus morietur, fac, ut animæ donetur paradisi gloria. Amen. |
Naast het kruis met schreiende ogen, stond de Moeder - diep bewogen, daar de Zoon te sterven hing. En haar door het zuchtend harte, overstelpt van wee en smarten, 't zevenvoudig slagzwaard ging. O hoe droef, hoe vol van rouwe, was die zegenrijkste Vrouwe, om Gods eengeboren Zoon! Ach, hoe streed zij! Ach, hoe kreet zij, en wat folteringen leed zij, bij 't aanschouwen van die hoon! Wie, die hier niet schreien zoude, die het grievend leed aanschouwde, dat Maria's ziel verscheurt? Wie kan, zonder mee te wenen, Christus' Moeder horen stenen, daar zij met haar Zoon hier treurt? Voor de zonden van de zijnen zag zij Jezus zo in pijnen, en in wrede geselstraf. Zag haar lieve Zoon zo lijden, heel alleen de doodskamp strijden, tot hij Zijnen geest hergaf. Geef, o Moeder, bron van liefde, dat ik voele wat u griefde, dat ik met u medeklaag. Dat mij 't hart ontgloei' van binnen, in mijn Heer en God te minnen, dat ik Hem alleen behaag. Heilige Moeder, wil mij horen, met de wonden mij doorboren, die Hij aan het kruishout leed. Ach, dat ik de pijn gevoelde, die uw lieve Zoon doorwoelde, toen Hij stervend voor mij streed. Mocht ik klagen al mijn dagen, en Zijn plagen waarlijk dragen, tot mijn jongste stervenssmart. Met u onder 't kruis te wenen, met uw rouwe mij verenen, dat verlangt mijn zuchtend hart. Maagd der maagden, nooit volprezen, wil voor mij niet bitter wezen, laat mij treuren aan uw zij. Laat mij al de wrede plagen, en de dood van Christus dragen, laat mij sterven zoals Hij. Laat Zijn wonden mij doorwonden, worde ik bij Zijn kruis verslonden, in het Bloed van uwen Zoon. Moge ik in het vuur niet branden, neem, o Maagd, mijn zaak in handen, in het oordeel voor Gods troon. Christus, moge ik eens behalen, als mijn levenszon gaat dalen, door Uw Moeder palm en prijs. En als 't lichaam dan zal sterven, doe mijn ziel de glorie erven, van het hemels Paradijs. Amen. |
Vrijdag in de Passieweek: Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten (gedachtenis)
Hoe meer men een zaak bemint, hoe heviger voelt men de pijn bij het verlies ervan. Geen mens betwijfelt dat men meer bedrukt is om de dood van een broer dan van een dier; meer om de dood van een zoon dan van een vriend. Welnu, zegt Cornelius a Lapide, om te begrijpen welke de smart was van Maria bij de dood van haar Zoon, is het nodig de liefde te begrijpen die ze Hem toedroeg. Maar wie zal die liefde kunnen meten? De gelukzalige Amedeus zegt, dat in het Hart van Maria, beide liefden voor haar Jezus, namelijk de bovennatuurlijke liefde waarmee ze Hem als God beminde, en de natuurlijke liefde waarmee ze Hem liefhad als haar Zoon, tot een liefde verenigd waren. Zo ontstond dan uit deze twee liefden, slechts een liefde, maar een liefde zo mateloos dat Guilielmus van Parijs er toe komt te zeggen dat de allerheiligste Maagd Jezus bemint 'zoveel als ze het naar menselijke maat vermocht'. Vandaar zegt Richard van Sint Laurentius, zoals er geen liefde was die haar gelijke had, zo was er geen smart die met de hare kon vergeleken worden. Zo dan de liefde van Maria jegens haar Zoon mateloos was, zo moest haar smart ook mateloos geweest zijn bij het verlies van haar Zoon in de dood. Waar de hoogste liefde is, zegt de heilige Albertus de Grote, daar is ook de hoogste smart.
H. Alfonus Maria van Liguori
7 april 2025
Van de pastoor: Meeleven met de Verlosser op weg naar Jeruzalem
![]() |
| De tweede statie van de kruisweg in onze kerk: Jezus neemt het kruis op Zijn schouders. |
Beminde gelovigen,
In april gaan wij door het laatste gedeelte van de heilige vastentijd, namelijk de passietijd. Ik ben ervan overtuigd dat velen van u het moeilijk hebben gehad om het vasten toe te passen in het dagelijks leven. Deze moeilijkheid wordt vaak veroorzaakt door de drukte van het leven om ons heen, een drukte die op allerlei manieren bij ons binnendringt en ons afleidt.
Vasten in de christelijke zin is niet slechts een lichamelijke tuchtiging, maar een tuchtiging die ruimte wil maken in ons voor het ontvangen van nieuw leven, het leven van de genade in onze ziel. Daarom is het absoluut noodzakelijk dat wij stiller worden om te kunnen vasten, dat wij ons afkeren van de wereld en het leven van de Verlosser in deze veertig dagen van vasten meeleven. Meeleven met de Verlosser op de weg naar Jeruzalem kunnen wij doen door de liturgische teksten van de heilige Missen in deze vastentijd te bemediteren en door de oefening van de kruisweg. Alleen op deze wijze kunnen wij met de Kerk meeleven, zodat de genaden van de Verlossing in ons werkelijk gaan bloeien, en niet slechts vechten om door de bodem van ons bestaan heen te breken.
Op vrijdag 25 april hoop ik 50 jaar oud te worden. Graag nodig ik u allen uit om na de heilige Mis van 11.00 uur in de bovenzaal van de pastorie een kleine traktatie te gebruiken. U bent tot 14.30 uur van harte welkom!
Ik wens u van harte een Zalig Pasen.
Met mijn priesterlijke zegen,
Pater M. Kromann Knudsen FSSP, pastoor
6 april 2025
Vexilla Regis
Des konings vaandels gaan vooraan,
't geheim des kruises grijpt ons aan,
dat op het schandhout uitgespreid
de Schepper als een schepsel lijdt.
Het harde ijzer van de speer
stak in de zijde van de Heer,
opdat het water en het bloed
ons reinigde in overvloed.
Wat David in zijn vrome lied
voorspeld heeft, dat is nu geschied.
Hij heeft de volkeren geleerd
dat God vanaf het hout regeert.
O kruis, u groet ik, want gij zijt
mijn hoop in deze lijdenstijd.
Geef vrolijkheid wie U vertrouwt,
genade wie zijn kwaad berouwt.
U brenge al wat leeft de eer,
Drievuldigheid, o ene Heer,
Die ons door 't kruisgeheim bevrijdt,
regeer ons tot in eeuwigheid.
(Vertaling: J.W. Schulte Nordholt)









