Epistel
Ef. 5, 1-9
Broeders, weest navolgers van God, als Zijn veelgeliefde kinderen; en leeft in liefde, zoals ook Christus ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft overgeleverd als een gave en een offer van welriekende geur voor God. Ontucht echter en onreinheid of hebzucht mag onder u zelfs niet genoemd worden, zoals het heiligen past; evenmin iets oneerbaars, onbehoorlijke scherts of dubbelzinnige taal, die niet te pas komt; maar veeleer gebeden van dankzegging. Want weet en beseft het wel: niemand, die zich overgeeft aan onkuisheid of onreinheid of aan hebzucht – wat afgodendienst is – zal een erfdeel ontvangen in het rijk van Christus en van God. Laat niemand u misleiden met ijdel gepraat; want om zulke dingen komt Gods toorn over de weerspannige mensen. Daarom moet gij met hen niet meedoen. Want vroeger waart gij duisternis; maar nu zijt gij licht, in de Heer. Gedraagt u dus als kinderen van het licht. De vrucht namelijk van het licht bestaat in louter goedheid en rechtvaardigheid en waarheid.
Evangelie
Lc. 11, 14-28
In die tijd dreef Jezus een duivel uit, die stom was. En toen Hij de duivel uitgedreven had, begon de stomme te spreken, en de menigte stond verbaasd. Maar sommigen onder hen zeiden: Door Beëlzebub, de vorst der duivels, drijft Hij de duivels uit! En anderen, die Hem op de proef wilden stellen, verlangden van Hem een teken uit de hemel. Maar Hij kende hun gedachten, en zei tot hen: Ieder rijk, dat innerlijk verdeeld is, zal ten gronde gaan, en het ene huis zal op het andere vallen. Wanneer dus ook de Satan innerlijk verdeeld is, hoe zal zijn rijk dan kunnen standhouden? Gij zegt immers dat Ik door Beëlzebub de duivels uitdrijf. Maar als Ik door Beëlzebub de duivels uitdrijf, door wie drijven uw zonen ze dan uit? Daarom zullen zij uw rechters zijn. Doch als Ik door de vinger Gods de duivels uitdrijf, dan is inderdaad het rijk van God onder u gekomen! Zolang een sterke man in volle wapenrusting zijn erf bewaakt, is geheel zijn bezit in veiligheid. Maar als er iemand komt, die sterker is dan hij, en hem overmeestert, dan ontneemt hij hem al zijn wapens, waarop hij vertrouwde, en verdeelt zijn buit. Wie niet mét Mij is, is tégen Mij, en wie niet verzamelt met Mij, verstrooit! Wanneer de onreine geest uit iemand is weggegaan, zwerft hij rond in dorre streken, waar hij zoekt naar rust. En als hij die niet vindt, zegt hij: Ik ga terug naar mijn huis, waar ik ben uitgegaan! En bij zijn komst vindt hij het schoongeveegd en in orde gebracht. Dan gaat hij zeven andere geesten halen, nog bozer dan hijzelf, en zij treden daar binnen, en vestigen er hun verblijf. Zo wordt de laatste toestand van die mens nog erger dan de eerste. En terwijl Hij zo sprak, verhief een vrouw uit de menigte haar stem en riep Hem toe: Welzalig de schoot, die U mocht dragen, en de borst, die U mocht voeden! Maar Hij zei: Ja, waarlijk zalig zij, die het woord Gods aanhoren en het bewaren!
Preek
Dit is de tijd dat onze ogen steeds op de Heer gericht moeten zijn. Het is zeker dat de naar God strevende mens gemakkelijk op de weg van de verlichting terechtkomt, maar het is even zeker dat de meeste christenen op deze weg weinig vorderingen maken en dat slechts weinigen op aarde het einddoel -- de vereniging met God -- bereiken.
De meesten van ons, onder wie ook wij in deze kerk vandaag, schrikken terug voor de offers die God vraagt en stellen zich tevreden met de minimale weg van de gewone zaligheid. Zij gebruiken, om dit in stand te houden, het veiligheidssysteem van de vermijding van de zware zonden. Dat is sowieso goed, maar een goed geestelijk leven bestaat uit meer dan het vermijden van zware zonden uit angst voor de toekomstige straf. Het geestelijk leven is een leven met God en alleen voor God. Ons vasten dient ertoe dat wij deze werkelijkheid met God kunnen bereiken en om nieuwe liefde voor Hem op te wekken.
Wij moeten de moed opbrengen om onze ogen op Hem te fixeren. Als onze ogen altijd op Hem zijn gericht, dan worden wij zozeer verblind door Zijn heerlijkheid en dan wordt onze ziel zodanig bevangen door het verlangen om deel te hebben aan Zijn liefde dat zij niet meer aarzelt het kruis te omhelzen. Wij moeten Hem willen aanzien en onze geest terugbuigen, keer op keer, van het geschapene naar God, dus ons steeds afwenden van het aardse en omkeren naar God.
Wat moeten wij dus concreet doen, beminde gelovigen?
• Onszelf dwingen ingetogen te worden, om rustig en in een voedende stilte bij Hem te verwijlen.
• Wij moeten niet te gauw menen, als wij vurigheid voor God voelen, dat wij het zuivere gebed hebben bereikt, want zo bidt men zelden echt.
• Wij moeten ons steeds laten leiden door de aanwijzingen van de Kerk, en haar vermaningen volgen.
• De nederige ziel, die God zoekt, vermijdt het eigen oordeel over alle zaken die in strijd zijn met de aanwijzingen van de Kerk.
• Wij moeten ons in alles laten leiden, waarbij wij meer op de leider dan op onszelf vertrouwen.
Wanneer deze nederigheid van hart ons bezielt, dan kunnen wij de nodige vooruitgang in het geestelijke streven bereiken. Amen.
11 maart 2012
Preek voor de derde zondag van de Vasten
7 maart 2012
Van de parochie-administrator: Noveengebed tot de heilige Jozef
Beminde gelovigen,
De maand maart is in het bijzonder toegewijd aan de heilige Jozef, de patroon van Gods heilige Kerk. Ook wij willen hem aanroepen als onze bijzondere patroon om zijn voorspraak en hulp af te smeken over de Agneskerk.
Op maandag 19 maart vieren we het hoogfeest van Sint Jozef. Het is mijn intentie om op die dag te beginnen met een novenenreeks van een jaar om daarmee zijn bijstand af te smeken en hem de leiding over onze toekomst toe te vertrouwen. Gelovigen die willen meedoen aan deze voor onze kerk belangrijke novenenreeks kunnen zich bij mij aanmelden. U ontvangt dan de tekst van het noveengebed en een opgave van de kalenderdagen waarop u voor dat gebed verantwoordelijk bent.
Daarmee vertrouw ik erop dat de toekomst van ons apostolaat en kerkgebouw in goede handen is gelegd.
Ik wens u een gezegende Vastentijd toe.
Met mijn priesterlijke zegen,
Pater M. Kromann Knudsen FSSP,
administrator Sint-Agnesparochie
4 maart 2012
Preek voor de tweede zondag van de Vasten
Epistel
1 Tess. 4, 1-7
Broeders, gij hebt van ons geleerd, hoe gij u moet gedragen en aan God welgevallig zijn; wij bidden u daarom en bezweren u bij de Heer Jezus uw levenswandel zo ook in te richten, om zodoende nog meer vooruit te gaan. Gij kent immers de geboden, die ik u gegeven heb namens de Heer Jezus. Dit toch is de wil van God: dat gij heilig wordt; gij moet u onthouden van onkuisheid; onder u moet ieder zich een vrouw weten te verwerven in heiligheid en ere, niet in hartstocht en begeerlijkheid, zoals de heidenen, die God niet kennen. Laat niemand zich te buiten gaan en in deze zaak de rechten schenden van zijn broeder. Immers de Heer zal dit alles wreken, zoals wij u vroeger reeds gezegd en verzekerd hebben. God immers heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar om heilig te worden, in Christus Jezus, onze Heer.
Evangelie
Mt. 17, 1-9
In die tijd nam Jezus Petrus, Jacobus en diens broeder Johannes met Zich mee, en bracht hen op een hoge berg, waar zij alleen waren. En Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd. Zijn aangezicht straalde als de zon, en Zijn klederen werden wit als sneeuw. En opeens verschenen hun Mozes en Elias, die met Hem spraken. Petrus nu nam het woord en zei tot Jezus: Heer, het is ons goed hier te zijn! Als Gij wilt, laten wij hier dan drie tenten bouwen: één voor U, één voor Mozes en één voor Elias. Terwijl hij nog sprak, overschaduwde hen op eenmaal een lichtende wolk; en plotseling klonk er uit de wolk een stem, die sprak: Deze is Mijn veelgeliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; luistert naar Hem! Toen de leerlingen dit hoorden, vielen zij op hun aangezicht neer en werden zeer bevreesd. Maar Jezus kwam naar hen toe, raakte hen aan en zei: Staat op, en vreest niet! Toen sloegen zij hun ogen op, en zagen niemand meer dan Jezus alleen. En terwijl zij van de berg afdaalden, gebood Jezus hun: Spreekt met niemand over deze verschijning, voordat de Mensenzoon van de doden is opgestaan.
Preek
De apostelen konden zich moeilijk verenigen met de gedachte aan het lijden en de dood van de Messias. Door Zijn glorievolle gedaanteverandering gaf Christus hun nogmaals het bewijs van Zijn godheid en een voorafbeelding van Zijn verrijzenis. Om ons aan te zetten tot hernieuwde ijver gedurende deze heilige vastentijd, toont de Kerk ons vandaag eveneens het beeld van de verheerlijkte Christus.
Het Evangelie van de gedaanteverandering des Heren bereikt zijn hoogtepunt in de woorden van de stem van God de Vader uit de wolk: “Deze is Mijn geliefde Zoon in Wie Ik Mijn welbehagen heb, luistert naar Hem.” Vanaf dat moment zal dus de stem van de Zoon weerklinken, en naar Hem moeten wij luisteren. De stem van de hemelse bruidegom is niet verstomd met het heengaan van Jezus van deze aarde; zij klinkt nog steeds door de verkondiging van Zijn heilige katholieke Kerk. Door deze Kerk -- Zijn mystieke Lichaam –- spreekt Hij nog steeds tot ons, en naar Zijn stem moeten wij luisteren.
Het is de stem die spreekt over het kruis en de vreugde van de geest; tegelijkertijd over zelfverloochening en hemelse beloften, over het rijk Gods en de Wil van God, over de liefde voor God en voor alle mensen. Laat het ook gezegd worden: deze hemelse stem is niet de luide stem die de wereld beheerst en die zo gemakkelijk wordt verstaan en zo gewillig begrip en gehoor vindt in onze moderne samenleving, omdat de donkere ondergrond van deze wereldse stem de lagere en onedele lusten van de mens aanspreekt: begeerlijkheid van het vlees en de ogen, rebellie tegen God en Zijn ordening. Achter deze wereldse stem staat degene die zich bij voorkeur hult in de gestalte van de engel van het licht en het gehele orkest van wereld en vlees blijft dirigeren, de satan.
De stem van de hemel is de stem die ons oproept om de wereld en haar lusten achter te laten en de hemelse vreugden reeds nu te beleven door het geloof en de dienst in de heilige Kerk. Het is de stem die ons oproept tot heilige zuiverheid in leven, woord en daad.
Dat is, beminde gelovigen, waartoe wij geroepen zijn om te bereiken: door het vasten de ziel te bevrijden van de tirannie van deze wereld, opdat onze ziel in staat is om te luisteren naar de stem vanuit de hemel. Om ons te bevrijden moeten wij de oude mens laten sterven en met haar alle verlangens van de wereld waarmee satan ons gebonden houdt. Wij moeten het hoge hemelse ideaal meer beminnen dan het kortzichtige aardse gevoel van plezier en het leven in het vlees van de oude mens. Weet dat de oude mens reeds veroordeeld is om eeuwig opgesloten te zijn in het hellevuur en dat alleen de nieuwe mens, die leeft door de rechtvaardigheid van de Godmens Jezus Christus, de hemelse vreugde kan binnentreden. Nu is er nog tijd om ons leven om te keren en daardoor deel te krijgen aan de belofte. Amen.
26 februari 2012
Preek voor de eerste zondag van de Vasten
![]() |
| Christus (midden) stuurt de duivel (rechts) weg. |
Epistel
2 Kor. 6, 1-10
Broeders, wij vermanen u te zorgen, dat gij Gods genade niet ontvangt zonder vrucht. Want er staat geschreven: "Op de tijd, die Mij behaagt, ga Ik u verhoren, en op de dag des heils, kom Ik u helpen." Zie, thans is het de tijd, die Hem behaagt, nu is het de dag van het heil. En aan niemand geven wij ook maar de minste aanstoot, opdat er geen smet geworpen worde op ons ambt; maar wij willen ons in alles tonen als dienaren van God, door veel geduld, in wederwaardigheden en noden en moeilijkheden, in geselslagen en gevangenschap en volksoploop, in zwoegen en waken en vasten; door reinheid en kennis - door lankmoedigheid en goedheid; door de Heilige Geest, door ongeveinsde liefde, door prediking van waarheid en door kracht van God; met de wapenen der gerechtigheid in rechter- en linkerhand; onder eer en smaad, - onder kwade of goede naam; als bedriegers, en toch waarachtig, - als onbekend, en toch welbekend; als bijna dood, en zie, wij leven; als geslagen en toch niet gedood; als bedroefde mensen, maar toch altijd blij; als arm, en toch maken wij velen rijk; als mensen, die niets hebben, en toch alles bezitten.
Evangelie
Mt. 4, 1-11
In die tijd werd Jezus door de Geest naar de woestijn gevoerd, om door de duivel bekoord te worden. En na veertig dagen en veertig nachten gevast te hebben, gevoelde Hij tenslotte honger. Toen kwam de bekoorder tot Hem en zei: Als Gij de Zoon van God zijt, zeg dan, dat deze stenen brood worden. Doch Hij gaf ten antwoord: Er staat geschreven: "De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord, dat voortkomt uit de mond van God!" Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad, en plaatste Hem boven op de tinne van de tempel, en sprak tot Hem: Als Gij de Zoon van God zijt, werp U dan naar beneden; er staat immers geschreven: "Hij heeft over U bevelen gegeven aan Zijn engelen; en zij zullen U op de handen dragen, opdat Gij Uw voet niet zoudt stoten aan een steen." Maar Jezus zei tot hem: Oók staat er geschreven: "Gij zult de Heer, uw God, niet op de proef stellen!" Nogmaals nam de duivel Hem mee, naar een zeer hoge berg, en toonde Hem alle koninkrijken der wereld met hun heerlijkheid, en zei tot Hem: Dit alles zal ik U geven, als Gij neervalt en mij aanbidt. Toen sprak Jezus tot hem: Ga weg, Satan! Want er staat geschreven: "De Heer, uw God, zult gij aanbidden en Hem alleen dienen!" Toen ging de duivel van Hem weg, en er kwamen engelen, die Hem dienden.
Preek
Nu de Kerk -– en wij met haar -– aan de grote vasten is begonnen, is het goed ons te herinneren waarom wij door deze tijd van boete heengaan. Eens te meer gaan wij op naar de viering van het zalig lijden en sterven van Christus, en naar Zijn glorievolle verrijzenis, het hoogtepunt van het kerkelijk jaar. Het geheim van onze verlossing gaat zich andermaal voltrekken. Zullen wij het ongemerkt aan ons laten voorbijgaan, of zal het in ons de nodige weerklank vinden om ons te vervullen met nieuwe geestelijke kracht?
Vroeger was heel het maatschappelijke leven op deze voorbereidingstijd afgestemd. Wat daarvan is overgebleven is niets anders dan uiterlijk vertoon, zoals de viering van carnaval. De rust in de maatschappij op de grote dagen waarop onze verlossing zich voltrekt is ten prooi gevallen aan de winkeliers en aan de zucht naar plezier. Er blijven dus geen uiterlijkheden meer over die geschikt zijn om ons de ernst en de bezinning bij de brengen, die de vastentijd van ons vereist.
Nog ingrijpender is het dat de Kerk het noodzakelijk heeft gevonden om zich steeds meer aan te passen aan het moderne leven en mede daardoor de lichamelijke boetedoeningen heeft verzwakt. Dat berooft ons van een kostbaar hulpmiddel om ons in te werken in de ernst van de heilige vastentijd. Wij, christenen van de 21e eeuw, zijn dus meer dan ooit aangewezen op een persoonlijke, diepe bewustheid van ons christen-zijn om van deze vastentijd een heilzame tijd te maken. Het hangt van onszelf af of wij ons de tijd zullen gunnen om tot bezinning te komen, om weer eens de echtheid van ons christelijke leven in volle oprechtheid onder ogen te nemen. Daarbij zijn de volgende punten van groot belang:
Welke plaats neemt Christus in mijn leven in? Word ik door het alledaagse zo meegesleept dat ik geen behoefte meer voel naar het hogere en naar verlossing?
Door mijn doopsel behoor ik toe aan een wereld die alleen op God gericht is en die dus vaak in tegenstelling en in strijd is met de wereld waarin ik elke dag leef. Leef ik in de realiteit van mijn doopsel of ben ik reeds lange tijd een afgestorven ledemaat van het Lichaam van Christus, dat de Kerk is?
Wat komt er terecht van mijn Paasbiecht? Blijft deze oppervlakkig en vluchtig, zonder een diepe inwerking op mijn leven, of wil ik de moed vinden voor de benodigde verandering?
Wat betekent mijn Paascommunie? Zal zij in mijn ziel uiteindelijk de vereenzelviging met Christus worden?
Beminde gelovigen, indien wij deze punten door ons vasten en onze boetedoening kunnen realiseren, dan zal het vasten voor ons een zegen zijn en ons tot een nieuw leven leiden. Amen.
19 februari 2012
Preek voor Zondag Quinquagesima
Epistel
1 Kor. 13, 1-13
Broeders, al spreek ik ook de talen van de mensen en de engelen, maar ik zou de liefde missen, dan ben ik als schallend koper of als een schetterend bekken. En al heb ik ook profetengave, en al ken ik alle geheimen en alle wetenschap, zelfs al heb ik een volmaakt geloof, zodat ik bergen kan verzetten, maar ik zou de liefde missen, dan ben ik niets. En al deel ik mijn gehele vermogen uit tot voedsel voor de armen, el al geef ik mijn lichaam prijs om te worden verbrand, maar ik zou de liefde missen, dan baat het mij niets. De liefde is lankmoedig, - zij is goedig, - de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet onbehoorlijk, - zij is niet verwaand, - zij is niet eerzuchtig; zij zoekt niet zichzelf, - zij wordt niet verbitterd, - het kwaad blijft zij niet indachtig; zij is niet verheugd over de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich met de waarheid; alles verdraagt zij; alles gelooft zij; - alles hoopt zij; alles verduurt zij. De liefde vergaat nooit, al zullen profetengaven ook verdwijnen, al zullen talen ook verstommen, al zal de kennis ook te niet gaan. Want onvolmaakt slechts is ons kennen, en onvolmaakt slechts is ons profetere; als echter het volmaakte komt, dan zal wat onvolmaakt is, zonder meer verdwijnen. Toen ik nog kind was, sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind; maar nu ik man geworden ben, heb ik aan het kinderlijke een eind gemaakt. Nu zien wij in een spiegel, vaag als in een raadsel; dan echter van aangezicht tot Aangezicht. Nu ken ik slechts onvolmaakt; dan echter zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend werd. Nu blijven nog: geloof, hoop en liefde, deze drie; de grootste echter van deze is de liefde.
Evangelie
Lc. 18, 31-43
In die tijd nam Jezus de Twaalf afzonderlijk bij Zich, en zeide hun: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem en alles zal vervuld worden, wat door de profeten over de Mensenzoon geschreven is; want Hij zal worden overgeleverd aan de heidenen, en Hij zal worden bespot, mishandeld en bespuwd; en zij zullen Hem geselen en doden; - maar op de derde dag zal Hij verrijzen. Doch zij begrepen er niets van; dat woord was voor hen duister, en zij verstonden niet, wat er gezegd werd. Toen Hij nu Jericho naderde, zat er een blinde aan de weg te bedelen. Deze hoorde de menigte voorbij gaan, en vroeg, wat er te doen was. En men zeide hem: Jezus van Nazareth komt voorbij. Toen begon hij te roepen: Jezus, Zoon van David, ontferm U mijner! De mensen echter, die vooraan liepen, gaven hem dreigend te verstaan, dat hij moest zwijgen. Maar hij riep nog veel harder: Zoon van David, ontferm U mijner! Toen bleef Jezus staan, en liet hem bij Zich brengen. En toen hij bij Hem gekomen was, stelde Hij hem de vraag: Wat wilt gij, dat Ik voor u zal doen? En hij antwoordde: Heer, dat ik toch moge zien! Toen zeide Jezus hem: Word ziende! Uw geloof heeft u redding gebracht. En terstond kon hij zien, en hij volgde Hem, terwijl hij God verheerlijkte. En toen het volk dit zag, brachten zij allen lof aan God.
Preek
Vandaag breng de Kerk ons tot aan de toegangspoort van het grote vasten. Zij begeleidt ons daartoe met twee bijzonder mooie en heldere lezingen. In het epistel van de Mis houdt de apostel Paulus een lofprijzing over de liefde. De liefde wordt door geen enkele andere gave overtroffen en zij geeft leven en bezieling aan alle andere deugden die de mens nastreeft. De liefde is onvergankelijk; hier op aarde is zij de volmaakte glans van de hemelse gelukzaligheid, want daar zal alleen de liefde tot God overblijven.
Maar voordat dit hemelse vaderland voor ons opengaat moeten wij eerst naar Jeruzalem. Het is de goddelijke Verlosser Zelf Die ons in het Evangelie van vandaag zegt: “Zie, wij gaan op naar Jeruzalem.” Aanstaande woensdag begint de vasten. De vasten is de wandeling naar Jeruzalem; het vasten brengt ons naar het lijden, de dood en de verrijzenis van Christus.
Beminde gelovigen, het grote Paasdrama gaat zich opnieuw afspelen. De verlossingsdaad van Christus staat ons duidelijk voor ogen, maar beseffen wij wel dat wij ook zelf daarmee moeten instemmen om deel te krijgen aan deze verlossing? Begrijpen wij dat wij ons moeten zuiveren van zonde en van aardse zaken? Ik denk van niet. Hoeveel mensen nemen het geloof in zijn volle werkelijkheid waar? Niet velen. Ik hoef het u niet te vertellen, u weet het zelf: Het gaat niet goed met het leven van het geloof.
Het middel om het geloof sterk, fris en levend te houden is de ascese. Door vasten, bidden en het trouw vervullen van de godsdienstige verplichtingen en de geboden van God, kortom door de gang naar het Kruis om de oude mens te kruisigen en door de genade een nieuwe mens te worden, ondersteunen wij ons zwakke geloof.
Ik bid en hoop dat u allen van deze vasten de geestelijke vruchten van ommekeer en een diepere liefde tot God mag ontvangen. Dat het oefenen van het vasten een nieuwe bezinning in ons allen mag bewerkstelligen, waarbij alles voor God en tot Zijn meerdere eer en glorie wordt gedaan. Amen.
14 februari 2012
Van de parochie-administrator: Gebed en offers
Beminde gelovigen,
In de maand februari gaan wij de grote vastentijd in. Zoals altijd bereiden wij ons daarop voor door het 40-urengebed. Deze gebedsoefening wil ik graag van harte bij u aanbevelen, allereerst omdat u daarmee aan God het verschuldigde eerherstel kunt brengen, maar ook omdat het gebed voor het Allerheiligste Sacrament grote genaden verleent aan wie Hem komen aanbidden. Gedurende 40 uur zal het Allerheiligste tronen op het altaar, waarbij Het omgeven zal zijn door brandende kaarsen en biddende engelen.
Dit jaar willen wij God ook smeken om genadig naar onze kerk en ons apostolaat om te zien; dat wij het doel dat wij tot Zijn eer willen bereiken, namelijk het eigendom van de Agneskerk overnemen, ook daadwerkelijk kunnen realiseren.
Dit vraagt van ons gebed en offers. Dat is alleen mogelijk door een bereidwillig hart. Alleen een hart dat kracht en troost vindt bij God is in staat om zulke offers te brengen.
Wij staan niet alleen. Ik ben er zeker van dat de H.H. Jozef en Agnes ons bij zullen staan in ons streven. Laten wij vaak hun beeld in onze kerk opzoeken en bij hen kaarsen branden voor deze intentie.
Ik wens u een gezegende Vasten toe.
Met mijn priesterlijke zegen,
Pater M. Kromann Knudsen FSSP,
administrator Sint-Agnesparochie
12 februari 2012
Preek voor Zondag Sexagesima
![]() |
| Een zaaier ging uit, om zijn zaad te zaaien. |
Epistel
2 Kor. 11, 19-33; 12, 1-9
Broeders, gij zijt zo welwillend in het verdragen van onverstandige mensen, omdat gij zelf zo wijs zijt! Gij verdraagt het immers, als men u de wet stelt, - als men u uitbuit, als men u beetneemt, - als men verwaand tegen u optreedt, als men u een slag in het gezicht geeft. Ik moet tot mijn schande bekennen: in dit opzicht zijn wij - om zo te zeggen - zwakkelingen geweest. Maar wat een ander aandurft - al is het onverstandig zo te spreken - dat durf ik ook. Zijn zij Hebreën? - ik ook. Zijn zij Israëlieten? - ik ook. Zijn zij afstammelingen van Abraham? - ik ook. Zijn zij dienstknechten van Christus? - ik spreek als een dwaze - ik nog meer; door veelvuldig zwoegen, door veel gevangenschap, door geselslagen zonder tal, door herhaaldelijk doodsgevaar. Vijfmaal heb ik van de joden de veertig min één gekregen; driemaal ben ik met roeden gegeseld; éénmaal ben ik gestenigd; driemaal heb ik schipbreuk geleden, en eens heb ik een dag en een nacht doorgemaakt op de volle zee. Door vele voetreizen, door gevaren van rivieren, door gevaren van rovers, door gevaren van de kant van mijn eigen volk, door gevaren van de heidenen, door gevaren in de stad, door gevaren in de woestijn, door gevaren op zee, door gevaren onder valse broeders. Met werken en zwoegen, dikwijls zonder nachtrust, in honger en dorst, in veelvuldig vasten, in koude en naaktheid. En behalve al dat uitwendige, ook nog mijn dringend werk van iedere dag: de zorg voor alle kerken. Wie is er zwak, zonder dat ik het meevoel? Wie lijdt er ergernis, zonder dat ik vurig word? Als er geroemd moet worden, dan zal ik op mijn zwakheid roemen; God, Die de Vader is van onze Heer Jezus Christus en gezegend is in eeuwigheid, weet dat ik niet lieg. Te Damascus liet de stadhouder van koning Aretas eens de stad van de Damascenen bewaken om mij in handen te krijgen en... door een venster werd ik in een mand langs de muur neergelaten; en zó ontkwam ik aan zijn handen. Als er geroemd moet worden - al heeft het dan geen nut - dan zal ik overgaan tot visioenen en openbaringen des Heren. Ik ken een christenmens, die veertien jaar geleden - met het lichaam: ik weet het niet; of zonder lichaam: ik weet het niet; God weet het; - opgevoerd werd naar de derde hemel. En ik weet, dat die mens - met of zonder lichaam: dat weet ik niet; God weet het; - opgevoerd is naar het paradijs; daar vernam hij toen geheime dingen, waarover een mens niet spreken mag. Op zó iemand zal ik roemen; wat echter mij zelf betreft, zal ik alleen maar roemen op mijn zwakheden. Doch ook al wilde ik roemen, het zou niet onzinnig van mij zijn; want ik zou waarheid spreken. Maar ik wil het niet doen, opdat niemand mij hoger zou achten, dan hij van mij ziet of hoort. En opdat de grote openbaringen mij niet ijdel zouden maken, werd mij een prikkel gegeven in het vlees, een engel van de satan, die mij moet kwellen. Daarom heb ik driemaal tot de Heer gebeden, dat deze van mij zou weggaan. Maar Hij gaf mij ten antwoord: Mijn genade is voor u voldoende; want kracht komt juist bij zwakheid tot volle ontplooiing. Daarom wil ik gaarne roemen op mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij moge wonen.
Evangelie
Lc. 8, 4-15
In die tijd kwam er een talrijke menigte bijeen, die vanuit de steden naar Jezus toestroomde. Dan sprak Hij in een gelijkenis: Een zaaier ging uit, om zijn zaad te zaaien. En bij het zaaien viel er een gedeelte op de weg; het werd vertrapt, en de vogels des hemels aten het op. En een ander gedeelte viel op rotsige bodem; het schoot wel op, maar verdorde er bij gebrek aan vochtigheid. Weer een ander gedeelte viel midden tussen de doornen; en de doornen schoten tegelijk mede op en verstikten het. Een ander gedeelte ten slotte viel op goede bodem; het schoot op en droeg honderdvoudige vrucht. Bij deze woorden riep Hij uit: Wie oren heeft om te horen, dat hij hore! Zijn leerlingen nu vroegen Hem, wat deze gelijkenis betekende. En Hij gaf hun ten antwoord: U is het gegeven de geheimen van het rijk Gods volledig te kennen; de overigen echter slechts in gelijkenissen, opdat zij wel zien maar niet inzien, wel horen maar niet begrijpen. Dit nu is de zin van de gelijkenis: Het zaad is het Woord Gods. Waar het op de weg valt, - dat zijn zij, die wel toeluisteren, maar dan komt de duivel, en neemt het Woord weg uit hun hart, opdat zij niet geloven en zalig worden. Waar het evenwel op rotsige bodem valt, - dat zijn zij, die het Woord aanhoren, en met vreugde opnemen; doch zij laten het geen wortel schieten; zij geloven een tijdlang, maar als de beproeving komt, vallen zij af. Wat echter tussen de doornen valt, - dat zijn zij, die wel geluisterd hebben; doch door de zorgen, de rijkdom en de genietingen des levens wordt het bij hen gaandeweg verstikt, zonder dat het vrucht oplevert. Maar wat op goede bodem valt, - dat zij zij, die het Woord met een goed en edel hart aanhoren, het bewaren, en vrucht voortbrengen door te volharden.
Preek
In de gelijkenis van de zaaier die uitging om te zaaien, waarin het zaad viel zowel op vruchtbare als op onvruchtbare grond, zien wij een dubbel beeld. Het zaad staat voor het leven brengende Woord van God, Zijn genade, en de verschillende typen van grond zijn wij, de mensen, die met het goddelijke Woord in aanraking komen.
Het zaad draagt alles in zich dat nodig is om vrucht voort te brengen. Zo is het ook met de genade van God: Zijn heiligmakende genade bevat alles dat een mens nodig heeft om zalig te worden, want Gods genade is volkomen in zich. Maar om concreet, dus bij een bepaalde persoon, de heiligheid aan te wenden, heeft de genade het nodig om opgenomen te worden. Het Evangelie van vandaag gaat juist over die opname in ons leven.
Wij moeten de genade Gods ons leven laten doordringen. De vrucht van de genade is de heiliging. Kan de genade de grond van ons leven niet doordringen, dan kan zij ook geen vruchten van heiliging voortbrengen en dan verstikt zij door de droogte van de bodem waarop zij is uitgestrooid. Het is dus aan ons om het leven te openen voor Gods Woord en naar Hem toegekeerd te blijven. Wij kunnen niet met Hem willen leven en tegelijkertijd Zijn stem laten overstromen door het lawaai van de wereld en de tirannie van een zondig leven.
Het vasten en de boete dienen om ons leven te openen voor Gods genade, doordat wij ons afwenden van het wereldse en ons richten op God. Wij dienen onszelf kritische vragen te stellen over de keuzen die wij maken in ons leven. Zijn deze keuzen conform de Wil en de wetten van God en Zijn heilige Kerk? Zo niet, dan kan Zijn genade ook niet in ons werkzaam zijn en dan kunnen er geen vruchten van heiliging ontstaan. De hoop op de eeuwige zaligheid is dan een ijdele verblinding.
Beminde gelovigen, nu is er nog tijd om afstand te nemen van de zonde en ons te keren tot God om daarmee de vaste hoop op heiliging en de zaligheid te ontvangen. Wij moeten het harde werk aangaan van het opruimen van onze eigen bodem en iedere hindernis verwijderen zodat de genade Gods een vruchtbare grond zal aantreffen wanneer Hij Zijn Woord in onze ziel zal uitstrooien. Amen.
9 februari 2012
Kerkbalans 2012 ten behoeve van Stichting Sint-Agneskerk Amsterdam
Amsterdam, 16 januari 2012
Geachte mevrouw, mijnheer,
Sinds 2008 is de zielzorg in de Sint-Agneskerk te Amsterdam door de bisschop van Haarlem-Amsterdam, mgr dr J.M. Punt, toevertrouwd aan de priesterbroederschap Sint Petrus.
In verband met het drastisch reduceren van het aantal kerkgebouwen in het bisdom staat ook de toekomst van de Agneskerk op het spel. Daarom wil de Petrusbroederschap het kerkgebouw in eigendom verwerven om op deze locatie te kunnen blijven. Om dit te realiseren is de Stichting Sint Agneskerk Amsterdam opgericht teneinde het kerkgebouw te kunnen aankopen, restaureren en onderhouden, met als doel de Latijnse liturgie volgens de buitengewone ritus, zoals door paus Benedictus XVI in 2007 omschreven in zijn motu proprio Summorum Pontificum, een blijvende plaats in Amsterdam te geven.
De kerk werd tussen 1919 en 1931 gebouwd door de architect Jan Stuyt en is in 1996 aangewezen als Rijks¬monument. Het gebouw is een kruiskerk waarbij de architect zich liet inspireren door de Romeinse basiliek Sint-Agnes-buiten-de-muren en is ook vanuit historisch perspectief van belang om bewaard te blijven.
De kerk is uitstekend bereikbaar en een waardige ruimte om de Latijnse liturgie te vieren. En de bijbehorende pastorie biedt voldoende plaats voor vele pastorale activiteiten, zoals lezingen en geloofscursussen.
Om de doelstelling te verwezenlijken is een bedrag van niet minder dan 1 miljoen euro nodig. Wij nodigen u van harte uit de Stichting Sint-Agneskerk Amsterdam te ondersteunen met uw gebed en uw financiële bijdrage. Rijke geestelijke vruchten zijn reeds van het apostolaat van de Petrusbroederschap uitgegaan. Een jongeman volgt zijn roeping tot het priesterschap en anderen overwegen dezelfde weg te gaan. Ook hebben al vele bekeerlingen door het apostolaat en de Latijnse liturgie hun weg gevonden naar de katholieke Kerk.
Alle weldoeners zullen worden opgenomen in een Misbond. Voor de leden daarvan – zowel levenden als overledenen – zal maandelijks een H. Mis worden opgedragen.
Wij danken u bij voorbaat bijzonder hartelijk voor uw gebed en voor uw geldelijke bijdrage en vragen u ons zo mogelijk te attenderen op personen en/of fondsen die een substantieel deel van de kosten zouden kunnen dragen.
Met vriendelijke groeten,
Namens de Stichting Sint-Agneskerk Amsterdam:
(w.g.)
Pater M. Kromann Knudsen FSSP,
voorzitter
(w.g.)
A.F.M. de la Porte,
secretaris
Het doel van de stichting wordt van harte bij u aanbevolen door:
(w.g.)
Mgr dr F. Bacqué, aartsbisschop,
apostolisch nuntius in Nederland
Wie bovenstaande brief niet thuis heeft ontvangen en toch een bijdrage wil leveren, kan deze storten op bankrekening 5440482 ten name van Stichting Sint-Agneskerk Amsterdam te Amsterdam.
Vanuit het buitenland kunt u gebruik maken van IBAN: NL58INGB0005440482 en BIC: INGBNL2A.
Uw gift is volledig bestemd voor de Agneskerk in Amsterdam.
Stichting Sint-Agneskerk Amsterdam is door de belastingdienst erkend als Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). Giften aan deze stichting zijn - onder de gebruikelijke voorwaarden - aftrekbaar voor de inkomstenbelasting.
29 januari 2012
Vierde zondag na Driekoningen
![]() |
| Rembrandt's weergave van het Evangelie van vandaag. |
Epistel
Rom. 13, 8-10
Broeders, gij moet elkander niets schuldig blijven, dan alleen maar wederzijdse liefde. Want wie de naaste liefheeft, heeft de wet volbracht. Immers het gebod: Gij zult geen echtbreuk plegen - gij zult niet doodslaan - gij zult niet stelen - gij zult geen vals getuigenis geven - gij zult niet begeren, of welk ander gebod ook, het komt alles neer op dit woord: gij zult uw naaste beminnen als u zelf. De liefde doet de naaste geen kwaad aan. Zo vervult de liefde de gehele wet.
Evangelie
Mt. 8, 23-27
In die tijd begaf Jezus Zich in het scheepje en Zijn leerlingen gingen met Hem mee. Plotseling werd de zee geweldig onstuimig, zodat de golven over het schip heensloegen. Hij echter lag te slapen. De leerlingen gingen naar Hem toe; zij maakten Hem wakker en zeiden: Heer, help ons, wij vergaan! Doch Jezus sprak tot hen: Waarom zijt gij bevreesd, kleingelovigen? Toen stond Hij op, gaf Zijn bevelen aan de wind en de zee, en het werd volkomen stil. De mensen nu stonden verbaasd en zeiden: Wat is dat toch voor iemand, dat zelfs de winden en de zee Hem gehoorzamen?
Preek
De tekst van de preek van vandaag is niet beschikbaar.
23 januari 2012
Nieuwe engelenbeelden naast het tabernakel
![]() |
| Bij het tabernakel zijn de engelen in voortdurende aanbidding aanwezig. Twee van hen zijn zichtbaar gemaakt in een beeld, links en rechts van de verblijfplaats van het Allerheiligste Sacrament. |
Op zondag 22 januari vierden we het feest van onze patrones, Sint Agnes. Sinds die dag is onze kerk verrijkt met een nieuw beeld van haar. Maar er zijn nog twee nieuwe beelden in onze kerk geplaatst, namelijk twee engelen, links en rechts van het tabernakel.
Zowel het Agnesbeeld als de engelenbeelden zijn aangekocht door enkele gelovigen en aan onze kerk geschonken.









