Epistel
Gal. 3, 16-22
Broeders, aan Abraham werden de beloften aangekondigd, en aan zijn zaad. Er staat niet: "en aan zijn nazaten", alsof er sprake was van velen; maar als van één: "en aan uw zaad" - en dat is Christus. Nu is dit mijn bedoeling: een wilsbeschikking, die door God Zelf rechtsgeldig is tot stand gekomen, wordt door de Wet, die vierhonderdendertig jaar later is ontstaan, niet ongedaan gemaakt, zodat de belofte niet meer van kracht zou zijn. Niettemin, als de erfenis voortvloeit uit de Wet, wordt zij niet verkregen krachtens belofte. En toch, aan Abraham heeft God Zijn gunst bewezen door belofte. Waarvoor diende dan de Wet? - Omwille van de overtredingen werd zij gegeven, totdat het zaad zou komen, waaraan Hij de belofte verbonden had; en zij werd uitgevaardigd door engelen door tussenkomst van een middelaar. Een middelaar nu treedt niet op bij één persoon. God echter is één. Is de Wet dus in strijd met Gods belofte? – Volstrekt niet; want indien er een wet gegeven was, die bij machte was het leven mee te delen, dan zou inderdaad de gerechtigheid voortkomen uit de Wet. Maar de Schrift heeft nu eenmaal alles onder de macht van de zonde gesteld, opdat de belofte aan degenen, die geloven, in vervulling zou gaan door het geloof in Jezus Christus.
Evangelie
Lc. 17, 11-19
In die tijd trok Jezus op Zijn reis naar Jeruzalem door het grensgebied van Samaria en Galilea. En toen Hij een zeker dorp wilde binnengaan, kwamen er tien melaatsen naar Hem toe, die op een afstand bleven staan en met luider stem riepen: Jezus, Meester, heb medelijden met ons. En zodra Hij hen zag, sprak Hij: Gaat heen en vertoont u aan de priesters! Nu geschiedde het, dat zij onderweg gereinigd werden. En een van hen ging terug, zodra hij bemerkte, dat hij gereinigd was, terwijl hij God verheerlijkte met luider stem; en hij wierp zich op zijn aangezicht neder aan Zijn voeten en dankte Hem. En deze was een Samaritaan. En Jezus nam het woord en zei: Zijn er geen tien genezen? Waar blijven dan de negen anderen? Niemand is er gevonden, die terugkeerde en eer gaf aan God, behalve deze vreemdeling! En Hij sprak tot hem: Sta op en ga heen; want uw geloof heeft u redding gebracht.
Preek
In het Evangelie over de tien melaatsen, die door Jezus worden genezen maar van wie er slechts één terugkomt om God te danken, zien wij bij uitstek een beeld van de Kerk. Wij, die door Gods genade deel uitmaken van Zijn uitverkoren volk, de Kerk, zijn namelijk door het doopsel daarvan deelgenoot geworden, en wij zijn door hetzelfde bad van de wedergeboorte gereinigd van de melaatsheid van de zonde. Maar zoals in het Evangelie is ook vandaag het grootste deel van de genezen mensen weggebleven; slechts enkelen blijven God danken voor Zijn weldaden. Van alle gedoopten komt maar een enkeling zondag na zondag om God te verheerlijken, als in deze kerk het Offer van verzoening en het Onderpand van ons eeuwig leven opgedragen wordt. Waar blijft de rest? Waarom blijven zij weg?
Beminde gelovigen, het wel of niet komen om God te verheerlijken heeft te maken met de ware of de foute liefde. De ware liefde gaat uit naar God als het hoogste Goed en verlangt ernaar om alles voor Hem te doen. Daarvoor komen gelovigen ook naar de heilige Mis, om zich met het Offer van Christus te verenigen en daardoor het eigen leven te geven in het ene offer dat God welgevallig is, en dat ons toegang verschaft tot de eeuwigheid. De anderen, die wegblijven van de verschuldigde Godsverheerlijking, hebben zichzelf lief. Zij willen God niet dienen maar wel Zijn gaven ontvangen voor het tijdelijke en het wereldse. Hun liefde is fout omdat ze alleen maar draait om het eigen ‘ik’. Daarmee beantwoorden zij niet aan hun hoogste roeping en doel: om door de verheerlijking van God het eeuwig leven te ontvangen.
In de moderne, na-conciliaire Kerk wordt er veel gesproken over een goed mens zijn, en om er te zijn voor de ander, over respect en tolerantie. Maar daardoor is nog niemand in de hemel gekomen. Onze eerste verplichting, als gedoopten, is God te dienen en lief te hebben. Alleen door Gods liefde is ook een ware dienst aan de naaste mogelijk, omdat deze dienst in de waarheid moet bestaan, en tot doel moet hebben om de naaste bij God te brengen.
De commotie in de afgelopen weken rond de pastoor die een euthanasie-zelfmoordenaar niet kon begraven, laat duidelijk zien dat vele gedoopten tegenwoordig geen belang meer hechten aan de waarheden van God, en dat de Kerk alleen maar wordt gebruikt om de eigen belangen te legitimeren. Zo was het ook bij de negen melaatsen die wegbleven. Ook zij volgden hun eigen belang. Alleen hij die God dankte, en een vreemdeling was, werd om zijn geloof geprezen, en krijgt de toezegging van eeuwig leven. Ook de pastoor die het geweten van de Kerk volgt, is vandaag een vreemdeling in deze maatschappij van zelfzucht en plezier; hij plaatste de verheerlijking van God boven de zelfverheerlijking van de mens.
Als wij een algemene les kunnen trekken uit het Evangelie van vandaag, beminde gelovigen, dan is het dat God in alles centraal moet staan. Concreet betekent dat dat wij Zijn Wil boven onze eigen wil plaatsen, en dat Zijn Wil hoger is dan de wil van het moment of de waan van de dag. Wij moeten begrijpen dat Hij de enige Waarheid is, en dat wij Zijn waarheid leren kennen door de prediking van de Kerk. Wij moeten begrijpen dat Hij ons bevrijdt uit onze melaatsheid van zonde, en dat wij Hem alleen kunnen danken door naar Hem te luisteren, en het voorbeeld uit het Evangelie van vandaag te volgen. Amen.
11 september 2011
Preek voor de dertiende zondag na Pinksteren
4 september 2011
Preek voor de twaalfde zondag na Pinksteren
Epistel
2 Kor. 3, 4-9
Broeders, zulk een zelfvertrouwen hebben wij door Christus, steunend op God. Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn, om iets uit te denken, alsof het voortkwam van onszelf; integendeel, al onze bekwaamheid komt van God - van Hem, Die ons gemaakt heeft tot bekwame bedienaren van een nieuw verbond, dat niet bestaat in letter, maar in geest. De letter immers brengt de dood, maar de geest maakt levend. Welnu, indien de bediening, die leidde tot de dood en die met letters in stenen gegrift was, met zoveel luister was omgeven, dat de kinderen van Israël Mozes niet in het gezicht konden zien vanwege de glans van zijn gelaat - en deze was toch slechts van voorbijgaande aard - hoe zal dan niet veel meer de bediening van de Geest in heerlijkheid zijn? Want als de bediening, die tot veroordeling voert, reeds zo heerlijk is, dan is toch zeker de bediening, die tot gerechtigheid leidt, veel overvloediger in heerlijkheid.
Evangelie
Lc. 10, 23-37
In die tijd sprak Jezus tot Zijn leerlingen: Zalig de ogen, die zien, wat gij ziet! Want Ik zeg u: vele profeten en koningen hebben er naar verlangd te zien, wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien - en te horen, wat gij hoort, en zij hebben het niet gehoord! En zie, er stond een wetgeleerde op, die Hem op de proef wilde stellen door te vragen: Meester, wat moet ik doen, om eeuwig leven te verwerven? En Hij sprak tot hem: Wat staat er geschreven in de Wet? Wat leest gij daar? En de ander gaf ten antwoord: "Gij zult de Heer, uw God, beminnen uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met al uw krachten en met geheel uw verstand - en uw naaste als uzelf." En Hij zei hem: Gij hebt goed geantwoord! Doe dat, en gij zult leven! De ander nu wilde zich rechtvaardigen, en stelde daarom aan Jezus de vraag: Maar wie is dan mijn naaste? En Jezus hernam en zei: Een zeker iemand reisde van Jeruzalem naar Jericho, en viel in handen van rovers; deze beroofden hem van alles, en brachten hem vele wonden toe; zo lieten zij hem halfdood liggen, en gingen heen. Toevallig kwam een priester langs dezelfde weg; hij zag hem, maar ging verder. Zo kwam er ook een leviet voorbij; hij zag hem, maar ging verder. Doch een Samaritaan, die op reis was, kwam daar ook voorbij. En toen hij hem zag, kreeg hij medelijden; hij ging naar hem toe, en verbond zijn wonden, terwijl hij er olie en wijn op deed; dan zette hij hem op zijn lastdier, bracht hem naar een herberg, en droeg zorg voor hem. En de volgende dag nam hij twee tienlingen, gaf ze aan de waard, en zei: Zorg goed voor hem; en wanneer gij nog meer onkosten hebt, zal ik ze u vergoeden, als ik terugkom. Wie van deze drie is naar uw mening de naaste geweest van de man, die in handen van de rovers gevallen was? En hij antwoordde: Diegene, die hem barmhartigheid heeft bewezen. En Jezus zei hem: Ga dan heen, en doe gij ook zo!
Preek
“Wat moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?” Dit is de cruciale vraag die niet alleen ons leven hier, in deze wereld, bepaalt, maar ook onze eeuwige toekomst. Iedereen zou zich deze vraag moeten stellen, ten minste degenen die in een hiernamaals geloven. Wat moet ik doen om in de hemel te komen? De wetgeleerde geeft zelf het antwoord: Gij zult de Heer, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, uit geheel uw ziel en met geheel uw kracht en verstand, en uw naaste als uzelf. Het maakt niet uit dat deze wetgeleerde Christus op de proef wilde stellen; hij heeft het juiste antwoord gegeven en onze Heer heeft het goedgekeurd.
Het antwoord is heel eenvoudig en wij kunnen het samenvatten in twee geboden: allereerst God beminnen, en dan onze naaste. Als wij over het Evangelie van vandaag nadenken, dan spreken wij meestal over het tweede gebod: over de naastenliefde. Dat is begrijpelijk, want ook het verhaal over de barmhartige Samaritaan gaat daar over, maar het gevaar bestaat dat wij dit tweede gebod als het belangrijkste beschouwen. Dat gevaar is in onze tijd misschien nog groter, omdat er veel over de mens wordt gesproken, en God is op een zijspoor gezet.
God beminnen, dat is het eerste en voornaamste gebod. De wetgeleerde uit het Evangelie had er geen moeite mee. Voor hem en voor de mensen van die tijd was dat duidelijk. God eren en Hem dienen was vanzelfsprekend. Voor ons is dat minder duidelijk geworden. Velen van ons vergeten het eerste gebod en zijn alleen gericht op het tweede. Wij horen vaak dat het genoeg is als iemand van zijn naaste houdt; dan moet God al tevreden zijn met ons. Die naastenliefde is vaak onbepaald en komt meestal neer op een onbeperkte tolerantie; wij moeten alles en iedereen aanvaarden.
Beminde gelovigen, onze eerste plicht is echter om God te beminnen. Dat is uitdrukkelijk door Christus bevestigd. Wij moeten God beminnen met onze volledige persoon: met hart en ziel, met verstand en met al onze krachten. Dat is een totale liefde die de gehele mens omvat. Dat is de absolute onderwerping van ons hart en onze wil. Dat is het innerlijke aspect. Deze onderwerping wordt zichtbaar door het vervullen van de goddelijke geboden in ons leven. Daar komt de naastenliefde in zicht, die voortvloeit uit onze liefde tot God.
God beminnen is niet alleen een beweging van ons hart; onze liefde moet zich ook uiten. Een van de eerste tekenen van onze liefde tot God is Hem te loven en te danken in ons dagelijkse gebed en in de eredienst van de Kerk. Daarnaast kunnen wij nog veel doen in ons eigen leven – wij moeten namelijk steeds meer en steeds inniger verbonden zijn met God door ons eigen gebedsleven –, maar ook binnen de Kerk. De gelovigen moeten steeds meer beseffen dat de heilige Mis de hoogste vorm van eredienst is. Onze deelname daaraan is niet willekeurig. Wij zijn verplicht om onze Schepper te eren, Hem te loven en te danken, en wij zijn genoodzaakt om Zijn vergeving en Zijn genade af te smeken. In de heilige Mis gebeurt dat op de meest voortreffelijke manier. Wie dat niet aanvaardt, kan niet zeggen dat hij God bemint. De naastenliefde kan nooit zuiver zijn zonder de ware liefde tot God. Zonder de liefde tot God heeft zij geen betekenis voor ons eeuwige leven. God beminnen is het allereerste gebod; alle andere geboden vloeien daar uit voort.
Beminde gelovigen! Het is natuurlijk niet zo dat God geen daden eist van Zijn schepselen. Integendeel, alles wat wij doen moet voortkomen uit liefde tot Hem. Er is geen keuze tussen de liefde tot God en de naastenliefde; er bestaat geen conflict tussen die twee. Maar om de barmhartigheid te kunnen beoefenen, moeten wij eerst dicht bij de bron van alle barmhartigheid en liefde vertoeven. Het ware christelijke leven verbindt de twee hoofdgeboden met elkaar. Dan kunnen wij zien dat de werken van barmhartigheid zich niet alleen beperken tot de materiële gebreken. De naastenliefde mag nooit de geestelijke werken van barmhartigheid uitsluiten. De zondaars vermanen, de onwetenden onderrichten, goede raad geven of bidden voor levenden en doden, dat zijn geestelijke werken van barmhartigheid die de wereld niet wil erkennen omdat zij het eerste gebod niet erkent. Maar als wij in de hemel willen komen, dan mogen wij deze werken niet vergeten.
Bidden wij in deze heilige Mis dat wij steeds meer mogen groeien in de liefde tot God en in de ware liefde tot onze naasten. Amen.
3 september 2011
Van de parochie-administrator: Oud en eerbiedwaardig
Beminde gelovigen,
De zomertijd was voor onze communauteit bij de Agneskerk een drukke periode op vele werkterreinen. De Amerikaanse seminarist, frater Gregory Bartholomew FSSP, die enkele weken bij ons te gast was, heeft zich volop ingezet om de pastorietuin achter de kerk in orde te brengen. Hier lag een grote hoeveelheid bouwafval die nu opgeruimd is. Verder heeft hij bomen in de tuin gesnoeid om een grotere lichtinval te krijgen, en is hij een grote hulp geweest bij het opbouwen van de nieuwe altaren in de kerk.
Het is voor ons, priesters, een bijzondere vreugde geweest dat wij deze zomer meerdere priesters uit binnen- en buitenland hebben kunnen bijstaan in het leren celebreren van de heilige Mis in de Tridentijnse ritus. De rituelen zijn vrij ingewikkeld; de priesters hebben vele uren en dagen geïnvesteerd om deze Mis met al haar zegeningen te leren opdragen.
Velen van ons zijn dagelijks gezegend doordat zij in de gelegenheid zijn de oude, eerbiedige ritus van de Mis bij te wonen. Mogen wij steeds meer beseffen welke zegeningen ons hierbij overkomen en met een steeds innigere liefde ons leven offeren aan God.
Met mijn priesterlijke zegen,
Pater M. Kromann Knudsen FSSP,
administrator Sint-Agnesparochie
28 augustus 2011
Preek voor de elfde zondag na Pinksteren
Epistel
1 Kor. 15, 1-10
Broeders, ik breng u het Evangelie in herinnering, dat ik u gepredikt heb, en dat gij hebt aangenomen, waarin gij ook vaststaat en waarin gij redding zult vinden, indien gij het tenminste zo vasthoudt, als ik het u gepredikt heb; of het zou moeten zijn, dat gij het geloof voor niets hebt aanvaard. Want vóór alles heb ik u overgeleverd, wat ook mij is meegedeeld, dat Christus gestorven is voor onze zonden, overeenkomstig de Schriften; en dat Hij begraven is en verrezen is op de derde overeenkomstig de Schriften; en dat Hij verschenen is aan Kephas en daarna aan de elf. Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie er velen thans nog in leven zijn, sommigen echter reeds zijn ontslapen. Daarna is Hij verschenen aan Jacobus, en toen aan al de apostelen. En het laatst van allen is Hij verschenen aan mij, die als het ware de misgeboorte ben. Want ik ben de geringste onder de apostelen, die niet waardig ben een apostel genoemd te worden, omdat ik de Kerk van God heb vervolgd. Maar wat ik nu ben, ben ik door de genade Gods; en de genade, die Hij mij geschonken heeft is niet zonder vrucht gebleven.
Evangelie
Mc. 7, 31-37
In die tijd vertrok Jezus uit de streek van Tyrus, en begaf Zich over Sidon naar de zee van Galilea, midden in het gebied van de Tien-steden. En men bracht iemand bij Hem, die doof was en stom; en zij verzochten Hem deze de hand op te leggen. Hij nam hem dan uit de menigte ter zijde, stak hem de vingers in de oren, en raakte met speeksel zijn tong aan; vervolgens sloeg Hij Zijn ogen ten hemel, slaakte een zucht, en sprak tot hem: Effeta, dat wil zeggen: ga open. En aanstonds gingen zijn oren open, en zijn tong werd van haar banden bevrijd, en hij sprak gewoon. En Hij gebood hun, het aan niemand te zeggen. Maar met hoe meer nadruk Hij hun dat gebood, des te luider verkondigden zij het, en des te groter werd hun bewondering; en zij zeiden: Alles heeft Hij wél gedaan; doven heeft Hij doen horen, en stommen heeft Hij doen spreken.
Preek
In het epistel van deze zondag lezen wij het eerste gedeelte van de uiteenzetting over de verrijzenis door de apostel Paulus. Hij begint met de getuigenissen te presenteren die de feitelijkheid bewijzen van de verrijzenis van Christus, waarmee ook onze verrijzenis staat of valt. Verder doet hij een beroep op het geloof van de christenen als hij zegt: “Ik maak u het Evangelie bekend, dat ik u heb gepredikt, dat gij ook aanvaard hebt, waarin gij ook staat en waardoor gij zult worden gered, zo gij vasthoudt aan de zin waarin ik het u heb verkondigd, tenzij gij vergeefs tot geloof zoudt gekomen zijn” (1 Kor. 15, 1-2).
Het volledige geloof omvat, zoals wij allen weten, twee dingen, namelijk ten eerste het aanvaarden van de bovennatuurlijke waarheden zoals die ons door het leergezag van de Kerk – dat is de voortzetting van de apostolische prediking – worden voorgehouden, en ten tweede het leven naar het geloof.
Beminde gelovigen, op vele leden van de Kerk lijkt vandaag het tragische zinnetje van toepassing dat zij “tevergeefs tot het geloof zijn gekomen”, en dat op meerdere en verschillende wijzen. Vele christenen aanvaarden de geloofswaarheden nog schijnbaar zonder veel moeite; maar zij leven er niet naar of in zeer onvoldoende mate. Anderen, zoals vooral de modernisten en de relativisten, en grote aantallen van Westerse katholieken die dat door hen zo geleerd is, verwerpen die delen van het geloof die niet passen in het moderne, op zichzelf gerichte leven, dat is aangepast aan hun eigen opvattingen. Bij de eersten is sprake van een gebrek aan liefde in het geloof, bij de tweede groep is er gebrek aan zowel geloof als liefde.
Hoe kunnen wij er zeker van zijn dat wij niet zelf tot een van deze groepen van mensen behoren? Allereerst hebben zij er zelf voor gekozen om een eigen, milde versie van het geloof aan te hangen, of er zelf een verdraaide versie van te creëren. Ten tweede moeten wij goed beseffen dat zonder de Kerk en haar leer niemand tot God en tot eeuwig leven kan komen. Wij moeten dus luisteren naar de Kerk, en niet op een kieskeurige en selectieve wijze omgaan met haar leer. Haar leer is geen verzameling van tips of slechts een goede raad; het gaat om levensnoodzakelijke leerstukken op het gebied van geloof en moraal. En het is zeker dat juist het in praktijk brengen van het geloof en de moraal ons zal brengen tot een dieper inzicht dat het juist gaat om goddelijke, geopenbaarde waarheden en geheimen van ons heil.
Zo lijdt het geen twijfel dat wie werkelijk gelooft als vanzelf naar de regels van het geloof zal leven en Gods geboden zal vervullen. Wat eraan ontbreekt om zo te leven is juist een waarachtig en levend geloof. Dit is ontzaglijk belangrijk, daar alleen het geloof ons plaatst in de bovennatuurlijke werkelijkheid, waarin de christen moet leven als een vis in het water.
Beminde gelovigen, dit aardse bestaan is een voorbereiding op de hemelse gelukzaligheid waartoe wij geroepen zijn. In de ordening van de genade is dit nieuwe leven reeds begonnen, en wij moeten, als wij het ook daadwerkelijk willen ontvangen, reeds nu, tijdens onze aardse ballingschap, dit toekomstige leven beginnen te leven. Het is weliswaar begonnen, maar nog niet voltooid. En het laat zich alleen voltooien als het begonnen is. De mens die het toekomstige niet ziet of niet wil zien, zal nooit de gelukzaligheid kunnen binnentreden, waartoe hij geschapen is. Wij leven in een wereld en een land, waar de mensen God niet meer willen kennen en niet meer willen luisteren. Deze ongehoorzaamheid roept zijn eigen straf en ongeluk op. Bidden wij daarom, beminde gelovigen, zowel voor onze eigen dagelijkse bekering als voor die van onze verwarde tijdgenoten. Het gebed en de liefdevolle toewijding tot God door Jezus Christus in de katholieke Kerk is de enige redding voor ons en voor de wereld. Amen.
21 augustus 2011
Preek voor de tiende zondag na Pinksteren
![]() |
| De farizeeër en de tollenaar |
Epistel
1 Kor. 12, 2-11
Broeders, gij weet het: toen gij nog heidenen waart, hebt gij u blindelings laten leiden naar de stomme afgoden. Daarom vestig ik er uw aandacht op, dat niemand, die spreekt door de Geest van God, zegt: Jezus zij vervloekt; evenzo kan niemand zeggen: Jezus is de Heer, tenzij door de Heilige Geest. Wel is er verschil van genadegaven, maar het is dezelfde Geest; en er is verschil van bediening, maar het is dezelfde Heer, en er bestaat verschil van werking, maar het is dezelfde God, Die alles in allen werkt. Aan een ieder wordt de zichtbare werking van de Geest gegeven, om er nut mee te stichten. Aan de een wordt door de Geest gegeven een woord van wijsheid; aan de ander een woord van kennis krachtens dezelfde Geest; aan een derde, in dezelfde Geest, geloof; aan een ander een gave van genezingen, in de éne Geest; aan een ander het werken van wonderen, aan een ander profetengave, aan een ander de onderscheiding der geesten; aan een ander het spreken van verschillende talen, aan een ander de vertolking van die talen. Maar dat alles bewerkt de éne en dezelfde Geest, Die aan een ieder toedeelt, zoals Hij wil.
Evangelie
Lc. 18, 9-14
In die tijd hield Jezus de volgende gelijkenis voor aan sommigen, die voor zichzelf de overtuiging hadden, dat zij rechtvaardig waren en daarom op de anderen met minachting neerzagen: Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de één was een farizeeër, de ander een tollenaar. De farizeeër stond daar, en bad bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet ben zoals de overige mensen: dieven, onrechtvaardigen, echtbrekers, of zoals die tollenaar ginds; ik vast tweemaal in de week, ik geef tienden van alles, wat ik in bezit krijg. Maar de tollenaar bleef op een afstand staan en durfde zelfs zijn ogen niet ten hemel opheffen; doch hij klopte op zijn borst en zei: O God, wees mij, zondaar, genadig! Ik verzeker u: deze laatste ging gerechtvaardigd naar huis, in tegenstelling met de ander; want al wie zich verheft, zal vernederd, maar wie zich vernedert, zal verheven worden.
Preek
In het epistel van deze zondag geeft de heilige Paulus ons een beeld van de rijkdom van de genadegaven die de Heilige Geest over de Kerk van zijn tijd uitstortte. De bedoeling van Paulus was om daarmee aan te sporen tot eenheid, ondanks de verscheidenheid van genadegaven, want de Geest is één en wordt gegeven door de Kerk.
Beminde gelovigen, de Heilige Geest werkt heden in de Kerk evenzeer als in de dagen van de apostel, al is het waar dat de uiting van Zijn kracht onder ons vaak niet meer de bepaalde vormen toont waardoor de charisma’s destijds werden gekenmerkt. Hierop mogen wij het woord van Paulus toepassen: “Er is verscheidenheid van genadegaven, maar er is slechts één Geest” (1 Kor. 12, 4). De arm van de Heer is niet verkort. Jezus Christus blijft Dezelfde gisteren, vandaag en in eeuwigheid. De Geest van Christus bezielt het Lichaam van Christus, de Kerk, nu niet minder dan ten tijde van de apostel Paulus.
Aan elke christen worden bij het doopsel en bij het vormsel de genaden en de gaven van de Heilige Geest geschonken, die hem in staat stellen een waarlijk christelijk – dat betekent aan Christus gelijkvormig – leven te leiden. In de mens Jezus Christus is, als in de bron, de volheid van de Geest aanwezig, zoals de profeet Jesaja reeds had voorspeld: “De Geest des Heren zal op Hem rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en godsvrucht, en de Geest van de vreze des Heren zal Hem vervullen” (Js. 11, 2).
Beminde gelovigen, daar Christus het hoofd is van Zijn Lichaam, de Kerk, deelt Hij de overvloed van de Geest mede aan Zijn bruid, en in haar aan allen die door geloof en doopsel met Hem verenigd werden. Hij is het, Die ons het besef van het kindschap Gods verleent, Die ons doet bidden met dezelfde onuitsprekelijke verzuchtingen die vanuit het Hart van Christus opstijgen tot de Vader. Het is de goddelijke Wil dat dit alles gebeurt door de katholieke Kerk. Christus is het, Die het vuur van de liefde in ons ontsteekt en ons door die liefde toegankelijk maakt voor het geloof in God en de goddelijke dingen. Want de bovennatuurlijke liefde, die alleen mogelijk is door Christus, schept in ons een verwantschap met God, een gelijkgezinde aard die ons ontvankelijk maakt voor alles wat van God komt. Hij is het, Die de pijn en de dood van de martelaren verzacht, en Die de maagden bewaart in een zuiverheid die niet van deze wereld is, maar die door Christus mogelijk is in deze wereld.
De Heilige Geest wil dus door de werking van Zijn gaven de menselijke maat van onze daden opheffen en vervangen door de volkomenheid van Christus’ wasdom. Er blijft in de christen, ook in de meest serieuze, een taai en diepgeworteld restant van menselijke beperktheid en zelfzucht aanwezig, die het gevolg is van de gevallen menselijke natuur. De mens die in staat van genade leeft wordt hiervan pas volledig bevrijd door de dood en de hemelse verheerlijking. Maar de Heilige Geest streeft ernaar ons het leven van Jezus reeds nu mee te delen in alle volheid die met onze aardse ballingschap verenigbaar is en waarvan de heiligen ons het lichtende en bemoedigende voorbeeld hebben nagelaten. Vergeten wij niet dat hun heiligheid ook voor ons mogelijk is, maar alleen als wij verblijven in de heiligmakende genade en als wij toelaten dat al onze handelingen doordrongen worden van Christus. Amen.
19 augustus 2011
Vandaag - van 12 tot 17 uur: uitstelling van het Allerheiligste Sacrament
Wij knielen allen ter aarde om Hem te aanbidden,
want hier is onze Meester en Heer aanwezig,
het ware Lichaam van Jezus, Slachtoffer en Priester, heil van de wereld.
Kom, jubelen wij met vreugdezangen! Kom, laten wij aanbidden!
15 augustus 2011
Onze Lieve Vrouw in de bloemen gezet
Voor de grote feestdag van de tenhemelopneming van Onze Lieve Vrouw, is haar beeld in onze kerk uitgebreid in de bloemen gezet. Het beeld heeft (tijdelijk) een prominente plaats gekregen tegenover de beeltenis van de goddelijke Barmhartigheid.
Preek voor het hoogfeest van Maria Tenhemelopneming
Epistel
Judit 13, 22-25; 15, 10
De Heer heeft u gezegend met Zijn kracht; want door u heeft Hij onze vijanden vernietigd. Gezegend zijt gij, dochter, door de Heer, de allerhoogste God, meer dan de andere vrouwen op aarde. Gezegend zij de Heer, de Schepper van hemel en aarde, Die u heeft gezonden, om de vorst van onze vijanden de kop te verwonden; heden heeft Hij uw naam zo hoog verheven, dat uw lof nooit zal wijken uit de mond van de mensen, die de macht van de Heer voor immer blijven gedenken. Om hunnentwil hebt gij uw leven niet gespaard, vanwege de nood en de ellende van uw volk. Maar gij hebt redding gebracht in hun ongeluk voor het aangezicht van onze God. Gij zijt de glorie van Jeruzalem - de vreugde van Israël - het pronkjuweel van ons volk.
Evangelie
Lc. 1, 41-50
In die tijd werd Elisabet vervuld van de Heilige Geest en zij riep met luide stem en zei: Gezegend zijt gij onder de vrouwen en gezegend is de Vrucht van uw schoot. En waarom valt mij dit te beurt, dat de Moeder van de Heer tot mij komt? Want werkelijk, zodra uw begroeting mij in de oren klonk, sprong het kind van blijdschap op in mijn schoot. En zalig zijt gij, dat gij geloofd hebt, want hetgeen u door de Heer is aangekondigd, zal in vervulling gaan. Toen sprak Maria: Mijn ziel verheft de Heer en mijn geest is verblijd in God, mijn heil. Want Hij heeft genadig neergezien op Zijn geringe dienstmaagd; zie van nu af zullen alle geslachten mij zalig prijzen. Want groots is het wat de Almachtige met mij deed, Hij Wiens Naam heilig is, Wiens barmhartigheid duurt van geslacht tot geslacht, voor degenen die Hem vrezen.
Preek
Vandaag viert de Kerk een heel groot feest, namelijk de tenhemelopneming van Maria. De Kerk gelooft en leert dat het lichaam van Maria na haar dood het bederf niet heeft gezien, maar dat zij na haar ontslapen direct in de hemel is opgenomen. Maria werd met ziel en lichaam in de hemel opgenomen.
En dat is het bijzondere van Maria’s verheerlijking: dat haar lichaam, evenals dat van Jezus, aanstonds deelde in de glorie van de ziel. Er zijn andere heiligen van wie wij mogen aannemen dat zij onmiddellijk na hun sterven tot de aanschouwing Gods werden toegelaten, maar zij allen hebben het bederf van het graf gekend. Het zuivere lichaam van de Maagd, uit wie Christus is geboren, was niet aangetast door de gevolgen van de erfzonde. Wel was het sterfelijk, maar door Gods wonder niet bederfelijk.
Vandaag, bij haar opneming ten hemel, wordt haar heilig lichaam, die tempel van de Heilige Geest, de schoot die het Woord ontving, verheerlijkt, met goddelijk licht omstraald, en ten hemel gevoerd. Assumpta est Maria in coelum: gaudent angeli! – Maria is met ziel en lichaam door God in de hemel opgenomen: en de Engelen juichen! Zo zingt de Kerk in een van de antifonen op dit feest.
Beminde gelovigen, onze verlossing is niet volkomen voordat het lichaam deelt in de glorie. Zolang wij op aarde zijn, is ons lichaam aan het lijden onderworpen, aan vergankelijkheid en tijdelijke dood met het bederf van het graf. Het feest van de tenhemelopneming van onze Lieve Vrouw moet in onze harten een blijde hoop storten. Wij zijn nog pelgrims, maar onze Moeder is ons voorgegaan en toont ons reeds het einde van de weg. Zij zegt ons opnieuw dat het mogelijk is er te komen, en dat wij er komen als we trouw zijn. En wat staat ons op het einde van onze pelgrimstocht te wachten? De hemelse vreugde van de aanschouwing Gods.
Voor Maria betekende de aanschouwing Gods de aanschouwing van haar Zoon, haar Jezus, zoals Hij werkelijk was en is. Wat een ongekende vreugde voor het moederhart! Zij kende Hem eerst in de intimiteit van haar moederschap, daarna in de smarten van Zijn verlossing, toen in de omhelzing van de Verrezene, en nu in Zijn hemelse glorie. Maria wordt voor ons in haar glorievolle verheerlijking een teken van God. Telkens opnieuw richt zij onze gedachten op de uiteindelijke bestemming van ons leven hier op aarde: eeuwig met God te zijn, tot Zijn glorie en ons geluk.
Dierbare gelovigen! Maria is als eerste geheel opgenomen in de orde van de verheerlijking, volmaakt gelukkig naar heel haar wezen. Deze dag moet voor ons, die nog in de wereld verblijven, een dag van reine vreugde zijn, met haar en om haar. Het feest van de Moeder is het feest van de kinderen. Laten wij vandaag de ellende van deze tijd opzij zetten en verwijlen in het hemelse dat voor ons het enig noodzakelijke is. Ons heil is in de hemel vanwaar wij onze Verlosser verwachten, Die ons vergankelijk lichaam zal omvormen en gelijkmaken aan Zijn verheerlijkt lichaam. Ons heil is in de hemel waar onze Moeder ons is voorgegaan. Amen.
14 augustus 2011
Preek voor de negende zondag na Pinksteren
![]() |
| Jezus weent over Jeruzalem. |
Epistel
1 Kor. 10, 6-13
Broeders, laten wij geen begeerten koesteren naar het kwade, zoals zij (de Israëlieten) dat hebben gedaan. Wordt dus geen afgodendienaars, zoals sommigen van hen; er staat immers geschreven: “Het volk zette zich neer om te eten en te drinken, en zij stonden op om te spelen.” Laten wij ook geen onkuisheid bedrijven, zoals sommigen van hen zich overgaven aan ontucht; en op één dag vielen er drieëntwintigduizend. En laten wij Christus niet tergen, zoals sommigen van hen dat hebben gedaan; en zij kwamen om door de slangen. En wilt ook niet morren, zoals sommigen van hen dat deden; en zij kwamen om door de verderfengel. Dit alles nu is hun overkomen bij wijze van voorbeeld, en het werd opgeschreven als een waarschuwing voor ons, die het einde der tijden beleven. Daarom – wie meent, dat hij staat, laat hij toezien, dat hij niet valt. Geen beproeving moge u aangrijpen, die niet menselijk is; doch – God is getrouw, en Hij zal niet toelaten, dat gij beproefd wordt boven uw krachten; maar met de beproeving zal Hij ook uitkomst geven, om ze te kunnen doorstaan.
Evangelie
Lc. 19, 41-47
In die tijd, toen Jezus in de nabijheid van Jeruzalem kwam en de stad daar voor Zich zag liggen, weende Hij over haar en sprak: Ach, mocht ook gij, tenminste op deze uwe dag, nog inzien, wat u tot vrede strekt! Maar thans is dat voor uw ogen verborgen. Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden u met een stormwal zullen omringen, u zullen omsingelen en van alle kanten in het nauw brengen; en zij zullen u en uw kinderen binnen uw muren ter aarde neerslaan; en zij zullen bij u geen steen op de ander laten, omdat gij uw tijd van genade niet hebt erkend. En Hij ging de tempel binnen en begon de kopers en verkopers, die daar waren, uit te drijven met de woorden: Er staat geschreven: “Mijn huis is een huis van gebed”; maar gij hebt er een rovershol van gemaakt! En iedere dag gaf Hij onderricht in de tempel.
Preek
![]() |
| Het opschrift boven de rechterzij-ingang van onze kerk. |
In het Evangelie van deze zondag lezen wij: “Mijn huis is een huis van gebed”. Dat staat ook geschreven boven een van de zij-ingangen van deze kerk. In het huis van God wordt vooral de heilige Mis opgedragen. De Mis is de aanbieding van het geslachtofferde Lam aan God. De Kerk, de verzameling van het uitverkoren godsvolk te midden van een boos en overspelig geslacht, biedt dit zuivere, heilige en onbevlekte offer aan door de bediening van haar priesters. Het is de gave, die de Vader Zelf ons heeft geschonken, want Hij heeft Zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden om haar te redden, en Hij heeft Hem niet gespaard om ons verzoening te schenken.
Het offer dat de Vader Zelf aan ons geeft, is tegelijkertijd ook onze offerande, want de Kerk biedt het aan door de handen van de priester, en ook omdat het Lichaam en het Bloed van de Verlosser, Jezus Christus, sacramenteel tegenwoordig worden gesteld onder de geschapen vruchten van brood en wijn.
Beminde gelovigen, in de Mis beschikken wij over de volledige verlossende kracht van het Kruisoffer, want het verheerlijkte Lam op onze altaren is daar als het offer. Het heeft de tekenen van de wonden bewaard, gedragen voor de troon van de Vader. Altijd toont Hij God de stigmata die ons heil hebben bewerkstelligd. De heilige Mis is tevens het hemelse Offer, want Christus, de hogepriester, Die door Zijn offer de priesterlijke bemiddelaar is van de toekomstige hemelse goederen, is in het heiligdom der hemelen binnengegaan. Door Zijn Eigen Bloed heeft Hij voor eens en voor altijd de eeuwigdurende verlossing verworven, die niet herhaald hoeft te worden. Dat vieren wij wanneer de Mis wordt opgedragen. Daarvoor zijn de kerken – en dus ook onze kerk – gebouwd, om God te verheerlijken en ons heil te bewerkstelligen.
De heilige Kerk stelt in de Mis door haar priesters het Kruisoffer tegenwoordig: datgene wat indertijd op het Kruis aan de Vader werd geofferd tot uitboeting van de zonden van de wereld, namelijk het gezegende Lichaam en Bloed van Jezus, en tevens de mateloze offerliefde, waarmee onze Hogepriester en Middelaar deze gaven aan de Vader aanbood en blijft aanbieden, namelijk het inwendig offer van Zijn Hart, dat aan de zichtbare offergave alle waarde verleende en nog steeds verleent. Want Jezus, ons Offerlam, is Dezelfde, gisteren, vandaag en in alle eeuwigheid. Als God kan Hij geen veranderingen ondergaan. Ook Zijn verheerlijkte mensheid is niet langer aan de wetten van de aardse vergankelijkheid onderhevig. Zijn Offer is een eeuwig en onveranderlijk Offer. In eeuwigheid biedt Hij aan God de gave aan, die Hem behaagde en behaagt: het Lichaam dat geboren werd uit de maagd Maria.
Hij, Jezus, is één met ons en Hij is één met God. Hij heeft God alles gegeven wat Hij bezat en wat Hij was. En Hij blijft Zichzelf geven als hoogste gave van de goddelijke verheerlijking.
Hoe zouden wij, beminde gelovigen, dit overdenkende, de Mis lauw en verveeld kunnen bijwonen? Hoe zouden wij de plicht van mishoren kunnen zien als dwang? En hoe kunnen wij tolereren dat het Huis van God op vele plaatsen een roverskuil is geworden door allerlei aardse gebruiken?
De Mis moet ons hart bewegen tot grotere liefde en verheerlijking van God, want de Mis is de werkelijkheid die ons onderdompelt in de goddelijke en eeuwigdurende verlossing. Amen.
9 augustus 2011
Werk in uitvoering: twee nieuwe altaren in de kerk
| Eind mei werden de altaarpanelen vanuit België naar Nederland getransporteerd. |
| Het beeld van Jozef met Kind geplaatst in het nieuwe altaarpaneel. |
Er is de afgelopen weken hard gewerkt aan de realisatie van twee nieuwe altaren in onze kerk. Nadat eind mei enkele altaarstukken uit België zijn overgekomen, is begin juni het nieuwe Sint-Jozefaltaar al gecreëerd, aan de rechterzijde van de kerk. Afgelopen week is daarin een prachtig, geheel gerestaureerd, polychroom beeld van Sint Jozef met het kind Jezus geplaatst. Dit beeld is door een weldoener aan onze kerk geschonken.
| Werk in uitvoering: het nieuwe Sacramentsaltaar. |
De uit Amerika afkomstige seminarist Gregory Bartholomew FSSP, die de afgelopen vier weken als gast op de pastorie verbleef, heeft pater Knudsen geholpen met de opbouw van het tweede altaar, tussen het hoofdaltaar en het Sint-Jozefaltaar. Dit nieuwe altaar zal in de toekomst in het bijzonder worden gebruikt voor de uitstelling van het Allerheiligste Sacrament. Ook dit altaar is bijna klaar.
Met de komst van een nieuw Sint-Jozefbeeld - en zelfs een eigen altaar voor de voedstervader van onze Heer - is een belofte ingelost die pater Knudsen de afgelopen jaren meermalen in het openbaar heeft geuit. We blijven de voorspraak vragen van de heilige Jozef om zegen en voorspoed over het apostolaat in onze kerk.
| Na voltooiing van het laatste altaar beschikt onze kerk over vijf altaren waaraan het heilig Misoffer kan worden opgedragen. |












