Rooms-katholieke parochie voor de traditionele Latijnse liturgie in de Sint-Agneskerk te Amsterdam
Actuele website: https://agneskerk.nl

23 oktober 2010

Een eeuw van trouw en ontrouw -- Honderd jaar strijd tegen het modernisme

Zaterdag 30 oktober houdt het maandblad Catholica een ontmoetingsdag. Het thema van deze dag is: “Een eeuw van trouw en ontrouw - Honderd jaar strijd tegen het modernisme”.

Luchtfoto van de Sint-Willibrorduskerk te Utrecht

De dag begint om 9.50 uur met het Latijnse rozenkransgebed in de Sint-Willibrordkapel. Aansluitend is er om 10.30 uur in de kerk een Drieherenmis. Dit zal een votiefmis zijn ter ere van de heilige Moeder Gods. Deze heilige Mis is voor iedereen vrij toegankelijk.

Celebrant is de zeereerwaarde heer G.M.J. van der Vegt, rector van de kerk. Diaken is de eerwaarde heer P. van de Kerckhove; subdiaken is de eerwaarde heer D.J. Schneider.

De gregoriaanse schola onder leiding van Arnoud Heerings zingt de 9e Mis. Organist is Bas Groenewoud.

Vóór en tijdens de heilige Mis is er biechtgelegenheid. Er zijn hiervoor twee priesters paraat. De biechtstoelen bevinden zich achter en links voor in de kerk.

Voor de lunch en de lezingen, die op een andere locatie worden gehouden, kunt u zich nog opgeven op de website van Catholica.


Dagprogramma

09.50 uur: Rozenkransgebed in de Willibrorduskerk
10.30 uur: Drieherenmis in de Willibrorduskerk
12.00 uur: Wandelen naar vergaderlocatie en lunch
13.00 uur: Welkom en openingswoord dagvoorzitter
13.30 uur: Lezing zeereerwaarde heer C. Mennen
14.15 uur: Lezing eerwaarde heer P. van de Kerckhove
Pauze
15.00 uur: Lezing zeereerwaarde heer H. Schilder
15.30 uur: Forumdiscussie
16.15 uur: Dagsluiting aansluitend borrel en informeel bijeenzijn


Toelichting op het thema

In september jl. was het honderd jaar geleden dat de heilige paus Pius X de anti-modernisteneed afkondigde. Hij deed dat niet voor niets. Het opkomende modernisme bedreigde de Kerk namelijk tot in haar binnenste. Door het benoemen van de gevaren beschermde paus Pius X de Kerk voor decennia. Net als zijn voorganger paus Pius IX en opvolgers als paus Pius XI en paus Pius XII ging voor paus Pius X het strijden voor de Waarheid samen met het strijden tegen het kwaad.

Niet alleen het geloof is hetzelfde als honderd jaar geleden, maar ook het ongeloof. Dit wordt namelijk nog steeds gekenmerkt door het modernisme. Het is radicaler, venijniger, slinkser, idealistischer en vredelievender in voorkomen, maar nog even kwaadaardig in zijn bedoelingen: het verduisteren van de Waarheid van het Evangelie en het afbreken van de Kerk.

De Catholica-dag op zaterdag 30 oktober in Utrecht gebruiken we niet alleen om het gevaar van het modernisme te benadrukken, maar ook om moed en kracht te putten uit de rijkdom van de Kerk. In de heilige Mis, in de lezingen en in de onderlinge gesprekken mogen we elkaar bemoedigen en versterken als broeders en zusters in het ene, ware en onveranderlijke geloof.


17 oktober 2010

Preek voor de 21e zondag na Pinksteren

Epistel
Efesiërs 6, 10-17
Broeders: Zoekt uw sterkte in de Heer en in Zijn alvermogende kracht. Trek de wapenrusting Gods aan, om stand te kunnen houden tegen de listige aanvallen van de duivel. Want onze strijd gaat niet tegen vlees en bloed, maar tegen de vorsten en machten en wereldbeheersers der duisternis, tegen de boze geesten in de lucht. Grijpt daarom naar de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden op de kwade dag, en in volle uitrusting pal te staan. Houdt u dus gereed, de lendenen omgord met de waarheid, gestoken in het pantser van gerechtigheid, en de voeten geschoeid met bereidwilligheid voor het evangelie des vredes; blijft in alle omstandigheden vasthouden het schild des geloofs, waarmede gij alle gloeiende pijlen van de boze vijand kunt doven; neemt daarbij de helm van het heil en het zwaard van de Geest, dat is het Woord Gods.

Evangelie
Mattheüs 18, 23-35
In die tijd hield Jezus Zijn leerlingen deze gelijkenis voor: het rijk der hemelen gelijkt op een koning, die afrekening wilde houden met zijn dienaren. En toen hij met afrekenen was begonnen, werd er iemand voor hem gebracht, die hem tienduizend talenten schuldig was. Daar hij echter niets had om te betalen, gaf zijn heer bevel het te verkopen met zijn vrouw en kinderen en alles wat hij had, en zo ze schuld te voldoen. Maar de dienaar viel voor hem neer, en smeekte: Heb geduld met mij, en ik zal u alles betalen! Toen kreeg de heer medelijden met zijn dienaar, liet hem weer vrij, en schold hem de schuld kwijt. Maar toen deze dienaar wegging, trof hij een van zijn mededienaren , die hem honderd tienlingen schuldig was; en hij greep hem bij de keel, en zeide; Betaal wat gij schuldig zijt! En zijn mededienaar viel neer en smeekte hem: Heb geduld met mij en ik zal u alles betalen! Doch de ander wilde dat niet; maar jij ging heen, en liet hem in de gevangenis werpen tot hij zijn schuld zou betaald hebben. Toen nu zijn mededienaren dat zagen gebeuren, werden zij zeer bedroefd; en zij gingen naar hun heer en deelden hem alles mede, wat er voorgevallen was. Toen liet zijn heer hem roepen, en sprak tot hem: Slechte knecht! Heel uw schuld heb ik u kwijtgescholden, omdat gij het mij gevraagd hebt; moest gij dan ook geen medelijden hebben met uw medeknecht, zoals ik medelijden heb gehad met u? En in toorn ontstoken leverde zijn heer hem over aan de beulen, totdat hij geheel zijn schuld zou betaald hebben. Zo zal ook Mijn hemelse Vader doen met u, als gij allen niet van harte vergiffenis schenkt aan uw broeder.

Preek
Elke dag bidden wij in het gebed dat Christus Zelf ons leerde, om vergeving van onze schuld. Elke dag vragen wij dus onze hemelse Vader hetzelfde: dat Hij ons onze zonden vergeef. Onze slechte gedachten, kwade gesprekken of daden, ons nalatig omgaan met Zijn genade en gaven. Maar zijn wij ons er eigenlijk van bewust dat wij elke dag ook ontelbare mogelijkheden hebben om hetzelfde te doen jegens onze naasten? “En vergeef ons onze schuld zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven.” Het Evangelie van deze zondag stelt ons zeer duidelijk voor ogen in welk verband wij dit gebed moeten zien.

Een koning houdt afrekening met zijn dienaren. Zij komen hem verslag brengen van hun handelingen. Spoedig wordt er een binnengebracht (hij had zelf weg willen blijven, maar hij wordt gedwongen te verschijnen) die veel schulden had gemaakt. Dat was zo een enorm bedrag dat hij met zijn gehele privé-bezit het nooit zou kunnen vergoeden. Hij had door onverantwoorde uitgaven, door allerlei geknoei, het geld van de koning verkwist. Nu het uur om te betalen daar is heeft hij niets. De conclusie is volgens het gebruik van die tijd voor de hand liggend: hijzelf wordt als slaaf verkocht, zijn vrouw en kinderen ondergaan eenzelfde lot en zijn inboedel wordt onder de hamer gebracht. Maar dan gebeurt er iets heel onverwachts. De koning is grootmoedig. Hij heeft medelijden en scheldt de dienaar de gehele schuld kwijt.

De dienaar heeft de goedheid van zijn koning ervaren, maar hij had zelf geen medelijden met een van zijn mededienaars. Door zijn gebrek aan medelijden werd hij uiteindelijk bestraft.

Beminde gelovigen! Wat heeft dat alles met ons te maken? De les staat aan het einde van het Evangelieverhaal: “Zo zal ook Mijn hemelse Vader met u doen, als gij allen niet uw broeder van harte vergeeft.”

Wij allen staan tegenover God in de verhouding van de dienaar tegenover zijn koning. Het is beslist fout om te denken, dat Christus met de persoon van de dienaar die zijn koning tienduizend talenten schuldig was alleen de grote zondaars heeft bedoeld.

God is oneindig goed. Hij is waarlijk goddelijk goed. Doch wij zijn daarvan niet voldoende overtuigd: dit leeft niet in ons. Een van de oorzaken hiervan is dat wij onze schuld tegenover God niet voldoende beseffen. Het beeld in de parabel is aangrijpend genoeg, maar de werkelijkheid is oneindig erger. Geen menselijke verhouding kan dat uitdrukken. Als wij ons van geen zware zonden bewust zijn, menen wij dat onze schuld tegenover God niet groot is. Dagelijkse zonden zijn niet zo erg, menen wij. Bovendien komen ze zo vaak voor dat wij ze niet meer merken. Maar de grootte van een belediging wordt allereerst afgemeten naar de waardigheid van degene, die ze wordt toegevoegd.

God is de oneindige Majesteit; onze zonden zijn een onmetelijke belediging van deze goddelijke Majesteit. En elke dag beledigen wij Hem wederom. Wij zouden nooit onze onbegrijpelijk grote schuld kunnen betalen. En deze wordt ons ineens kwijtgescholden. De schuld van Adam, de schuld van al mijn persoonlijke zonden, al mijn genadeverkwisting, het schuldig missen van mijn prachtige kansen – dat alles wordt ineens kwijtgescholden. God, de Liefde Zelf, heeft Zich in Jezus Christus neergebogen over onze ellende. De Vader in de hemel wordt niet moe ons te vergeven om het dierbaar bloed van Zijn Zoon. Telkens opnieuw als wij Hem met een oprecht hart om vergiffenis vragen, vergeeft Hij de schuld, hoe groot zij ook moge zijn.

Beminde gelovigen! Elke mens is zoals deze dienaar. Wij zijn tegelijkertijd schuldenaars tegenover God en schuldeisers tegenover de medemens. Willen wij Gods barmhartigheid ervaren, dan moeten wij zelf bereid zijn om te vergeven. In het groot en in het klein (dat komt dagelijks voor). Er zal eens een rechtvaardige vergelding komen. En deze verloopt volgens onze eigen maatstaf. God zal met ons omgaan zoals wij met anderen omgaan. En vergeef ons onze schuld zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven. Amen.


15 oktober 2010

Derde vrijdag van de maand: Aanbidding van het Allerheiligst Sacrament


Onder alle uitingen van vroomheid is de aanbidding van Jezus in het heilig Sacrament de eerste na de sacramenten die aan God het dierbaarst is en voor ons zeer nuttig.
Heilige Alfonsus Maria de Liguori

De Eucharistie is een onmetelijke schat: niet alleen haar vieren, maar ook in aanbidding voor haar verblijven buiten de heilige Mis maakt het mogelijk te putten uit de bron van de genade zelf.

13 oktober 2010

Paus verheugd over reddingswerkzaamheden Chileense mijnwerkers

De hele wereld leeft vandaag mee met de Chileense mijnwerkers. Hun redding verloopt gestaag. In de vroege ochtend van donderdag 14 oktober (Nederlandse tijd) zullen zij hopelijk allen gered zijn.

Tijdens de wekelijkse algemene audiëntie sprak paus Benedictus XVI vandaag over de reddingswerkzaamheden. De volgende video vertelt over de pauselijke nabijheid bij de mijnwerkers.



11 oktober 2010

11 oktober: Moederschap van de heilige maagd Maria, feest

Ave Maria -- Perry Como



Preek voor de twintigste zondag na Pinksteren

Epistel
Efesiërs 5, 15–21
Broeders, zorgt ervoor dat gij met alle omzichtigheid uw levenswandel inricht; niet als onverstandigen, maar als wijze mensen, die de tijd benutten; want het zijn kwade dagen. Weest daarom niet kortzichtig, maar toont begrip voor de wil van God. Bedrinkt u niet aan wijn; want daaruit volgt losbandigheid; maar vervult u met de Heilige Geest, en spreekt onder elkander in psalmen en lofgezangen en geestelijke liederen, terwijl gij de Heer lofzingt in uw harten; en brengt zonder ophouden voor alles dank aan onze God en Vader in de Naam van onze Heer Jezus Christus. Weest aan elkander onderdanig in de vreze van Christus.

Evangelie
Johannes 4, 46–53
In die tijd was er een zekere hofbeambte, wiens zoon ziek lag te Kafarnaüm. Toen hij hoorde, dat Jezus uit Judea naar Galilea was gekomen, ging hij naar Hem toe, en verzocht Hem om zijn zoon te komen genezen; want deze lag op sterven. Jezus nu sprak tot hem: “Als gij geen tekenen en wonderen ziet, gelooft gij niet”. De hofbeambte zeide tot Hem: “Heer, kom toch, vóórdat mijn zoon sterft!” Jezus sprak tot hem: “Ga heen, uw zoon is weer beter!” De man geloofde het woord, dat Jezus tot hem sprak, en ging heen. Toen hij nog onderweg was, kwamen zijn dienaren hem tegemoet en berichtten hem, dat zijn zoon weer beter was. Hij vroeg hun dan naar het uur, waarop de beterschap was ingetreden. En zij antwoordden hem: “Gisteren in het zevende uur heft de koorts hem verlaten.” Toen bemerkte de vader, dat dit juist het uur was, waarop Jezus tot hem zeide: “Uw zoon is weer beter.” En hij aanvaardde het geloof, hij zelf en geheel zijn huisgezin.

Preek
De woorden die onze Heer tot de hofbeambte richt wekken misschien onze verbazing. Een vader, wiens zoon doodziek is, komt en vraagt om genezing. En dan wordt hij zo hard aangepakt: “Als gij geen tekenen en wonderen aanschouwt, gelooft gij niet!” In plaats van medelijden krijgt de vader van het stervende kind een soort verwijt. Dit verwijt was echter in het algemeen bedoeld en duidde op het gebrek aan geloof dat Jezus overal ontmoette. Zeker was het geloof van de hofbeambte niet volmaakt, want hij meent dat Jezus persoonlijk aanwezig moet zijn om zijn kind te kunnen genezen.

Om de woorden van Christus goed te kunnen begrijpen moeten wij ons op een ander niveau begeven en niet strikt kijken naar dit persoonlijke voorval. Jezus komt aan in Galilea, Zijn aardse vaderland. Hij komt zojuist uit het halfvreemde Samaria, waar het volk, zonder wonderen gezien te hebben, de heerlijke belijdenis aflegde: “Deze is waarlijk de Heiland der wereld.” (Joh. 4, 42) Zulk een geloof zou Jezus in Galilea niet vinden. Men zou Hem daar niet erkennen. Hij verrichtte in Zijn eigen land niet veel wonderen vanwege het ongeloof van de bewoners. Het lijkt wel alsof het gebrek aan geloof de kracht van Christus verlamt. En nu, als Hij de hofbeambte aantreft die zonder begrip te tonen voor de eigenlijke zending van Jezus Hem een louter persoonlijke gunst vraagt en op een wijze die de onvolmaaktheid van zijn geloof in een helder licht stelt, ziet Hij in deze man het type, een categorie uit het joodse volk, met zijn aardse en egoïstische instelling. Het is precies deze mentaliteit, die de ogen van de joden zal sluiten voor het geestelijke karakter van Jezus' zending en het conflict tussen Hem en Zijn volk veroorzaakt. “Als gij (meervoud!) geen wonderen ziet, gelooft gij niet.”

Onze Zaligmaker is gekomen om een geloof te wekken dat niet op wonderen en tekenen gebaseerd is, maar dat zich rechtstreeks richt op Zijn goddelijke Persoon. “Zalig zijn zij die niet gezien en toch geloofd hebben.” (Joh. 20, 29). Geloven zonder tekenen te zien, zonder wonderen, alleen op het woord van Christus, dat is wat Hij van ons verlangt. Dit is wat Christus van zijn geliefde uitverkorenen eist: een volmaakt geloof. Een vaste houding van de ziel, gericht op het woord, die wonderen noch gebedsverhoringen nodig heeft. Ons geloof mag niet op onze eigen belangen en noden gebaseerd zijn, maar alleen op God, Die wij door ons leven moeten verheerlijken.

Beminde gelovigen! Het geloof hebben wij bij het doopsel ontvangen. Het mag niet verstikt worden of ingeslapen blijven liggen ergens in de binnenkamer van ons hart. We moeten aan God vragen het te vermeerderen, en we moeten zelf door herhaalde akten dat geloof oefenen. Hoe zuiverder en levendiger het is, hoe meer het ons bestaan zal beïnvloeden. Aan het geloof ontlenen wij de eigenlijke waarde van ons bestaan op aarde en de vaste koers naar het hogere. Juist door het geloof verheffen wij ons boven onze zwakheden en de verleidingen van de wereld. Als het geen richting aan ons leven geeft, dan betekent het weinig. Het geloof is ons niet eens en voor altijd gegeven. Het afval van het geloof, dat wij overal om ons heen kunnen constateren, is daarvan het beste bewijs. Nederland was eens een katholiek land. Vele mensen die wij dagelijks op straat tegenkomen hebben hun eerste jaren als katholiek beleefd. Nu zijn velen van hen anti-katholiek, of ten minste onverschillig, geworden. Het geloof dat hun op de dag van hun doopsel werd geschonken, heeft niet alleen geen vrucht gebracht, maar is zelfs volledig verdwenen.

Christus vraagt het geloof in de eerste plaats van degenen die zich tot Hem richten. En Hij vraagt een volmaakt geloof, dat alleen op Zijn woord bouwt. Dat wil niet zeggen dat wij geen wonderen of tekenen mogen vragen. Maar ons geloof mag er niet van afhangen. Wie onvolmaakt gelooft, zal zich van zijn verhouding tot God willen bedienen om bepaalde gunsten te verkrijgen. En als hij meent dat zijn gebed niet verhoord wordt, zal zijn geloof nog zwakker worden. De ware leerling van Christus wankelt nooit. Zijn geloof in God groeit door alles heen en vindt gelijkelijk voedsel in succes en mislukking. Vasthouden aan God, soms tegen alle hoop in, maar alleen omdat Hij ons nooit in steek laat, is in werkelijkheid het voortdurende wonder van Gods liefde, dat alles overtreft. Amen.


3 oktober 2010

Preek voor de negentiende zondag na Pinksteren

Epistel
Efesiërs 4, 23–28
Broeders, vernieuwt u zelf wat uw geestelijke gesteltenis betreft, en bekleedt u met de nieuwe mens, naar Gods beeld geschapen in gerechtigheid en heiligheid, die voortvloeit uit de waarheid. Daarom moet gij de leugen afleggen en ieder tegenover zijn evenmens de waarheid spreken; want wij zijn ledematen ten opzichte van elkander. Als gij toornig wordt, zondigt dan niet; laat de zon over uw gramschap niet ondergaan. Geeft de duivel geen kans. Wie een dief was, moet zorgen voortaan niet meer te stelen; laat hij liever werken en met eigen handen nuttige arbeid verrichten om zo iets te hebben, dat hij kan geven aan iemand, die gebrek lijdt.

Evangelie
Mattheüs 22, 1–14
In die tijd richtte Jezus zich in gelijkenissen tot de opperpriesters en Farizeeën en sprak: “Het rijk der hemelen lijkt op een koning, die een bruiloftsmaal aanrichtte voor zijn zoon. En hij zond zijn dienaren uit, om de genodigden ter bruiloft te roepen, maar zij wilden niet komen. Opnieuw zond hij andere dienaren met de opdracht: Zegt aan de genodigden: Ziet mijn gastmaal staat gereed, mijn ossen en mestvee zijn geslacht, en alles is klaar: komt nu naar de bruiloft! Maar zij stoorden zich er niet aan en gingen heen, de een naar zijn landgoed, de ander naar zijn zaken; en weer anderen grepen zijn dienaren vast, mishandelden hen en bracht hen om het leven. Toen de koning dit hoorde, ontstak hij in toorn; hij zond zijn legers, verdelgde de moordenaars en stak hun stad in brand. Dan sprak hij tot zijn dienaren: Het bruiloftsmaal is wel gereed, maar de genodigden waren het niet waard. Gaat daarom naar de kruispunten van de wegen en roept allen ter bruiloft, die gij daar vindt. Zijn dienaren gingen heen naar de wegen en brachten allen, die zij vonden, bijeen, slechten zowel als goeden; en de bruiloftszaal werd met gasten gevuld. Toen nu de koning binnentrad om de gasten te zien, bemerkte hij er één zonder bruiloftskleed. Hij sprak tot hem: Vriend hoe zijt gij hier binnengekomen, zonder bruiloftskleed? Maar de ander stond sprakeloos. Toen zeide de koning tot zijn dienaren: Bindt hem handen en voeten, en werpt hem naar buiten in de duisternis: daar zal geween zijn en geknars der tanden. Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren”.

Preek
“Velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitverkoren.”, zo lezen wij in het Evangelie van deze zondag. Dit korte gezegde van onze Zaligmaker, dat met de daaraan voorafgaande gelijkenis slechts in een los verband staat, is bedoeld om onze ernstige aandacht op te wekken. Wij kunnen hierbij aan die andere woorden van Jezus denken: “Gaat in door de enge poort, want wijd is de poort en breed de weg die tot het verderf leidt en velen zijn er die daardoor ingaan. Want eng is de poort en smal de weg die tot leven leidt en weinigen zijn er die hem vinden.” Er is een tijd geweest, niet zo lang geleden, dat men aan deze uitspraken van de Heer niet zo lichtvaardig voorbijging als de heersende hedendaagse pastoraal doet, zo lichtvaardig als wij dat zelf ook zouden willen doen.

Daarom zouden wij ons toch met recht kunnen afvragen of wij ons zo nu en dan niet door een oppervlakkig optimisme laten misleiden. Hebben de verschrikkelijke tijden waarin wij leven ons niets geleerd? Of hebben wij het gewoon geaccepteerd dat een ieder meent dat hij het recht heeft dat te doen wat hij best vindt, zonder gehoor te geven aan de Wil van de Heer en Schepper? Eén ding is zeker: de verantwoordelijkheid van hen die geroepen zijn is ontzettend groot. Op de allereerste plaats voor wat henzelf betreft. Wij, die de geroepenen bij uitstek zijn, die door Gods genade leven in de ene ware godsdienst, die het geloof hebben ontvangen en de liefde, aan wie het Woord Gods werd geschonken en de prediking van de Kerk, aan wie het Offer van Christus en de sacramenten werden toevertrouwd, wij mogen wel beseffen dat al deze gaven even zoveel verantwoordelijkheid betekenen. Deze genaden zijn talenten die God op de dag van ons persoonlijk oordeel met rente van ons zal terugvorderen.

En ook dit is zeker: God wil Zich van de geroepenen bedienen om ook de anderen te roepen. De Kerk moet een teken zijn voor de wereld, een schitterend en stralend teken van heiligheid, en niet – zoals vaak in onze tijd – een toneel van banale menselijkheid, alleen maar geconcentreerd en gericht op het tijdelijke. Neen, zo niet, want het leven van de kinderen van de Kerk moet een openbaring van Christus zijn; Christus, Die iedereen tot Zich wil trekken.

Beminde gelovigen, wanneer wij als gelovigen dit teken niet voorhouden en voorleven, zal de zonde van de wereld wellicht geringer zijn. Geringer omdat de waarheid die zonde niet onthult, maar onze schuld zal veel groter zijn, omdat wij de arme zondaren te gronde laten gaan zonder hun het Licht aan te bieden, het Licht dat Christus is. Dit geldt voor iedereen van ons en in nog hogere mate voor de Kerk als heilsinstituut en drager van de geopenbaarde waarheid.

Wanneer het waar is dat de mensheid ten onder gaat aan haat en tuchteloosheid, dat zij de glorie van God heeft ingeruild, niet eens voor een afgodsbeeld, maar voor de verafgoding van zonde en hedonistische plezierzucht, dan zijn wij, katholieken, meer dan ooit tevoren geroepen om Christus en Zijn geopenbaarde waarheid aan de wereld te verkondigen. Deze tijd vraagt van ons dat wij serieus leven en een nederige houding aannemen ten opzichte van het leergezag van de Kerk. Als wij de leer van de Kerk of haar goddelijke inrichting ter discussie stellen, dan maken wij de Kerk nog meer onzichtbaar als de weg van God die naar Hem leidt. Laten wij ons daarom bevrijden van elke moderne aanhankelijkheid aan kritiek en activisme en beginnen wij de weg te bewandelen waartoe God ons heeft geroepen, tot heil van ons en als voorbeeld voor de verdwaalden. Amen.


29 september 2010

Gebed tot de H. Aartsengel Michaël

Sancte Michaël Archángele, defende nos in praelio; contra nequitiam et insidias diaboli esto praesidium. Imperet illi Deus; supplices deprecamur: tuque, Princeps militiae caelestis, Satanam aliosque spiritus malignos, qui ad perditionem animarum, pervagantur in mundo, divina virtute in infernum detrude. Amen.

Heilige Aartsengel Michaël, verdedig ons in de strijd; wees onze bescherming tegen de boosheid en de listen van de duivel. Wij smeken ootmoedig dat God hem Zijn macht doe gevoelen. En gij, vorst van de hemelse legerscharen, drijf Satan en andere boze geesten, die tot verderf van de zielen over de wereld rondgaan, door de goddelijke kracht in de hel terug. Amen.


26 september 2010

Preek voor de achttiende zondag na Pinksteren

Epistel
1 Kor. 1, 4–8
Broeders, te allen tijde breng ik om uwentwil dank aan mijn God voor de genade Gods, die u geschonken is in Christus Jezus. Immers, in Hem zijt gij in ieder opzicht rijk geworden, in alle woord en in alle kennis, in dezelfde mate als de prediking van Jezus vaste voet bij u gekregen heeft. Zodoende komt gij in geen enkele genadegave iets te kort, terwijl gij in afwachting zijt van de verschijning van onze Heer Jezus Christus. Hij immers zal u doen vaststaan ten einde toe, zodat gij vrij zijt van schuld op de dag, dat onze Heer Jezus Christus wederkomt.

Evangelie
Mattheüs 9, 1–8
In die tijd ging Jezus in een scheepje, stak het meer over en kwam in Zijn stad. Daar bracht men een lamme tot Hem, die op een rustbed lag. Toen Jezus hun geloof zag, sprak Hij tot lamme: “Heb goede moed, Mijn zoon, uw zonden worden u vergeven.” Maar zie, sommige schriftgeleerden dachten bij zich zelf: “Hij lastert God!” Doch Jezus zag hun gedachten en sprak: “Waarom denkt gij kwaad bij u zelf? Wat is gemakkelijker, te zeggen: uw zonden worden u vergeven, of te zeggen: sta op en loop? Welnu, om u te doen weten, dat de Mensenzoon de macht bezit op aarde de zonde te vergeven – toen sprak Hij tot de lamme – sta op, neem uw bed en ga naar huis”. En hij stond op en ging naar huis. Toen de menigte dat zag, werden zij door vrees bevangen, en zij verheerlijkten God, die zulk een macht verleende aan de mensen.

Preek
Vanaf deze achttiende zondag na Pinksteren begint de liturgie van de Kerk steeds meer over de ‘uitersten’ te spreken. Over het einde van de wereld, de wederkomst van Christus en het laatste oordeel. De zomer is voorbij en de donkere dagen van de herfst en de winter zijn op komst. De Kerk, die vol is van verlangen naar Christus, schrijdt van zondag tot zondag dieper binnen in het licht en de luister van de eeuwige wereld van God. Tegelijkertijd wil zij haar kinderen er aan herinneren dat wij hier op aarde slechts in afwachting zijn, en ons moeten voorbereiden op de terugkeer van Christus.

In zijn epistel spreekt de heilige Paulus vandaag over de genade die ons allen werd geschonken. Deze werd en wordt ons gegeven in Jezus Christus. Maar de grootste genade die Gods barmhartigheid ons heeft bewezen, de genade die komt vóór en uitgaat boven alle andere genaden, is eigenlijk de Heer Jezus Christus Zelf. En dit is niet alleen zo omdat Hij de bron is van alle genaden die Hij door Zijn lijden en dood voor ons heeft verdiend, maar ook omdat in Zijn persoon, door het onuitsprekelijke geheim van de menswording, God Zich op ongekende wijze aan de wereld heeft geopenbaard en Zich met de mensheid heeft verenigd.

Het is waar dat de mens met zijn eigen verstand tot een beperkte kennis van God kan komen, maar zonder openbaring blijft die zeer onvolmaakt. Hoe de mensheid buiten Christus in feite over God denkt kunnen ons de droevige geschiedenis van het heidendom van alle eeuwen leren en, niet minder, de tragische ervaringen van de hedendaagse wereld. “Ik ben de weg, de waarheid en het leven” (Joh.14, 6). Hij is de weg tot God, omdat Hijzelf God is en waarachtig mens. Alleen in het rechtzinnige geloof van de katholieke Kerk komt deze waarheid tot haar recht. Jezus is niet alleen een groot profeet, een verheven leraar of een revolutionaire leider – Hij is God. Hij is Degene Die ons niet alleen redt uit alle menselijke ellende en nood, maar vooral van de eeuwige dood. Hij is Degene Die de hemel voor ons opent en Die ons het eeuwige leven schenkt.

Maar tevens is Hij waarachtig mens. Hij spreekt onze taal, Hij draagt ons gelaat. Hij heeft Zich gesteld binnen het bereik van onze zinnen. De menswording van het Woord is de daad van Gods overgrote liefde die ons met sprakeloze verwondering moet vervullen. Dat is een wonder van de goddelijke liefde waarvoor wij Hem nooit genoeg kunnen danken en loven. De Kerk doet dat onophoudelijk in haar liturgie. Maar iedereen moet God voortdurend danken voor alle genaden die hij ontvangt. Denken wij aan de persoonlijke gaven en talenten die elke mens heeft ontvangen. Ieder van ons heeft een eigen en zeer persoonlijke roeping om Christus na te volgen in alle omstandigheden van het leven, en om Zijn beeld weer te geven voor het oog van andere mensen. Het gaat om niets anders dan het ware geloof in zijn volledige integriteit te bewaren. Daarvoor hebben wij allen de noodzakelijke genaden ontvangen.

Beminde gelovigen, voor dat alles moeten wij God danken. Wij mogen niet vergeten dat al deze gaven ons zijn geschonken om zeker door het leven te gaan en om ons levensdoel te bereiken, namelijk het eeuwige leven met God. De verschillende talenten, de tijd en andere middelen die wij bezitten moeten daar aan worden besteed. Als wij het doel van onze levenstocht uiteindelijk niet bereiken, dan hebben wij die middelen niet goed aangewend. Wij verblijven hier op aarde slechts tijdelijk, in afwachting. Daarom spreekt de heilige Paulus over de wederkomst van Christus en vermaant ons dat wij gereed moeten zijn. Voordat wij in het eeuwig leven mogen binnentreden wordt er met ons aardse leven afgerekend. En onze eeuwigheid hangt af van ons aardse leven. Deze twee aspecten van het menselijk bestaan kunnen niet losgemaakt worden. De Kerk herinnert ons hieraan, niet om ons bang te maken, maar omdat zij net zoals de apostel, ons zonder schuld wil zien op de dag van de terugkomst van Christus.

Bidden wij in deze heilige Mis dat wij altijd en bij al ons handelen aan het einde mogen denken. Amen.


24 september 2010

Paus Benedictus XVI over de waarde van het celibaat

De website Mysterium Fidei van de Werkgroep ter Bevordering van de buitengewone vorm van de Romeinse ritus in Vlaanderen brengt een deel van een interview dat een Slowaakse priester eerder dit jaar had met paus Benedictus XVI.

De Paus wordt gevraagd om een toelichting te geven op de waarde van het priestercelibaat. Hij zegt dan onder meer: "Een groot probleem van het christendom, van de hedendaagse wereld, is dat men niet meer denkt aan de toekomst van God: het heden van deze wereld lijkt te volstaan. Wij willen alleen deze wereld zien, alleen in deze wereld leven. En zo sluiten wij de deuren voor de ware grootheid van ons bestaan. De zin van het celibaat als anticipatie van de toekomst bestaat er juist in deze deuren te openen, de wereld groter te maken, de werkelijkheid van de toekomst te tonen die door ons als reeds aanwezig moet beleefd worden. Zo leven is een geloofsgetuigenis: wij geloven werkelijk dat God bestaat, dat God iets met mijn leven te maken heeft, dat ik mijn leven kan funderen op Christus, op het toekomstige leven."

De volledige tekst kan hier worden gelezen.